Postmodern of neokoloniaal?

31 maart, De Oosterpoort te Groningen.
Is hij een hippe New Age-freak of een erudiete generalist? Dat is de vraag die zich opdringt bij James Wood, die deze dagen met de Slagwerkgroep Den Haag zijn veelomvattende compositie Stoicheia (1987/‘88) presenteert. Wood (40) heeft zich in het Engelse muziekleven tot een veelzijdig man ontpopt. Niet alleen treedt hij op als componist, dirigent en slagwerker, ook richtte hij het succesvolle New London Chamber Choir op en maakte hij zich sterk voor een Engels centrum voor microtonale muziek.

Wood is dus allesbehalve een studeerkamergeleerde die er maar wat op los filosofeert. Toch is het probleem dat hij met Stoicheia erg veel overhoop haalt, zonder met een duidelijke eigen visie op de proppen te komen. Wood bestudeerde jarenlang de principes van het klassieke Griekse metrum, de technieken van de Indonesische gamelan, de Indiase en Chinese ritmen. Met name liet hij zich inspireren door de ritme-theoriee"n van Aristoxenes, die de ver ontwikkelde ritmiek van driehonderd jaar voor Christus beschreef. In Stoicheia (afgeleid van het Griekse woord Stoicheion dat vier betekenissen heeft, die volgens Wood ook alle vier op het stuk van toepassing zijn) verwerkt hij deze kennis in een elementaire context.
De twee soloslagwerkers (Wood zelf en de Amerikaanse percussievirtuoos Steven Schick) vertegenwoordigen samen met het Chorus (de Slagwerkgroep Den Haag) de Aarde, terwijl de zogenaamde Constellatie- groep (bestaande uit bellen- en synthesizerbespelers) de Dierenriem verbeelden. De bellenbespelers staan rond het publiek en spelen noten die Wood heeft afgeleid van de stand van de planeten onder een bepaald gesternte en daarom schuift de hele groep per Seizoen (per deel) een aantal graden op.
Het lijkt allemaal vreselijk symbolisch. Toch ontkent Wood stellig dat er van een diepere betekenis sprake zou zijn! Ondertussen ziet het podium eruit alsof de Slagwerkgroep Den Haag de kelders van het Tropenmuseum heeft geplunderd: trommels in alle maten en soorten, rammelaars, glazen stolpen, bamboe kleppers, zoemers en tal van andere exotica. En gezegd moet worden dat Wood met dit kleurrijke instrumentarium een even betoverend stuk neerzet.
De slagwerkers op het podium (solisten en koor) putten zich uit in de meest gedifferentieerde percussieklanken, waarbij het accent steeds lijkt te verschuiven van metalige instrumenten naar vellen enzovoort. Hij speelt de kwaliteiten van de verschillende materialen mooi tegen elkaar uit: het volle geluid van ‘gewone’ drums, de schelle vibratie van metalen, de droge tikken op de woodblocks, de doffe klappen op de pauken, het mysterieuze geluid van leisteenplaten. Daarnaast zingen de musici ook 'fonemen’, lettergrepen die zijn ontleend aan het trommelonderwijs op Sri Lanka: scherpe, uitheems aandoende klanken.
Op gezette momenten roept deze Aarde-groep de Constellatie-groep aan. De eerste keer wordt het publiek omringd met een zee van geklingel dat, elektronisch verlengd, langzaam wegsterft. Dat wekt op prachtige wijze de suggestie dat de concreet gespeelde noten op het podium door vele lichtjaren heen zijn vervlogen tot een vleug parfum. Verderop in het stuk bestaan de Antwoorden uit typisch Indische geluiden (wind langs een bamboe mobile), of een ijle klankwereld die aan Tibet doet denken (het geklingel van een kudde hoog in de bergen). Later klinkt weer het getinkel van kristal dat het geflonker van sterren lijkt te imiteren.
Het is een weids universum van klanken en beelden dat Wood in Stoicheia oproept, doorspekt met verwijzingen naar rituelen in andere culturen. Een medicijnmanachtige solo van Wood bezorgde twee luisteraars de slappe lach. Precies op hetzelfde moment had ik behoefte aan uitleg: heeft dit betekenis of is dit een oppervlakkige, neokoloniale imitatie? Vermoedelijk zal Wood het zo kwaad niet bedoelen en moet Stoicheia worden beschouwd als een sterk en geslaagd staaltje postmodern gegrabbel.