Postmoderne nooduitgang

We hebben eigenlijk net behaaglijk in de zaal onze plaatsen ingenomen als we streng weer worden heengezonden. De zaalwacht mompelt iets van ‘technische problemen’ en jaagt ons een gang in. Het is de grap met de baard van een week: ken je die van de artiesten die gingen beginnen? Precies. Ze begonnen niet.

Op de gang staat een piepklein rood podiumpje. Daarop hebben twee meisjes plaatsgenomen. Ze kletsen elkaar en ons de oren van het hoofd over wat ‘ze’ tegenwoordig maar met je uithalen op deze en andere publieke plekken. Er vallen in hun overvolle gekwebbel twee lange stiltes. Wij weten het in die stiltes ook even niet meer. Dan loodst de zaalwacht ons voor de tweede keer naar binnen. Niet op de eerste rijen gaan zitten! is ons te verstaan gegeven. Daar zitten namelijk onze geënsceneerde ‘collega-kijkers’. Bij de voorstelling die almaar niet wil beginnen. Maar waar wél een thema voor is bedacht: gemeenschapsvorming door verbale uitwisseling. Dat is deftige praat voor: roddel. Als noodzakelijke jus voor de samenleving. Zo heet dat. Tenminste, dat heb ik begrepen. En ergens gelezen. Maar de uitvoerenden van hedenavond, verzameld in Moeremans Sons, zij bedrijven met hun niet-voorstelling van antitoneel satire. Zij zijn in Shoot the Messenger derhalve doende ‘personen en toestanden in een bespottelijk daglicht te plaatsen’. Roddelen in een bespottelijk daglicht? Dat lijkt me zoiets als Albert Verlinde zonder auto-cue. Albert improviseert zijn grapjes nu zelf. Een soort kwadratuur van de hel dus? Ja. Zoiets.

Is de voorstelling ondertussen begonnen? Eh… neen. Of ja, soort van. De als toneelspelers vermomde nep-toeschouwers (of andersom) spélen dat ze is begonnen. Maar er wordt ook nog over gedelibereerd óf ze wel is begonnen. De medewerkenden raffelen een plotloze conversatie af die nergens vandaan komt en ook nergens naartoe lijkt te gaan, maar die wordt gevoerd op de hoge toon van de suggestie van een ruzie op niveau. Tussen pak ’m beet Oscar Wilde en Sophie Tucker. Sophie wie? Laat maar zitten. Wacht even. Er worden nu snoepjes rondgedeeld. Zoals de NS koffie serveert na een seinstoring bij Abcoude of een treinspringer bij Ermelo. En… ja hoor… nu gaat de ruzie over die snoepjes. O, nee, toch niet. Ze gaat over de houdbaarheidsdatum van de snoepjes. Ze? Hoezo ‘ze’? Ruzie is vrouwelijk, wist je dat niet? Moeremans Sons, bijna allemaal vrouwen trouwens.

Als het doek – want ja, er is een toneeltje met een heus doek – dan eindelijk open gaat, worden er ondersteboven en achterstevoren teksten in het Engels geprojecteerd. Over dat Elvis en Diana nog leven en dat de Mossad en de aivd ons in de gaten houden. En wanneer we nu eindelijk eens iets gaan doen? Of onze bek gaan opentrekken. Of op gaan staan. Tegen die tijd heb ik het al lang opgegeven. Achteraf lees ik in de doos met persmateriaal dat mijn laffe houding voortkomt uit de ‘levensangstige cultuur van babyboomers en de sfeer in het theater dat vroeger alles beter was’. Uit schrik laat ik die doos in de trein liggen.

Niet opkomen als opkomst. Niet beginnen en toch zijn begonnen. Falen en daarna nét nog een stukje beter falen. De angst van de doelman voor de strafschop. Ik heb het in deze kolommen al jaren over niks anders. En dan komen daar opeens die dekselse rekels van Moeremans Sons. En wég is je hele wereldbeeld. Angstige babyboomer dat je godverdomme bent! Als een verzopen poedel weet je niks anders te verzinnen dan de vlucht door de dichtstbijzijnde postmoderne nooduitgang. Wég van hier! Want zo ging het. Op mijn huurfiets jakkerde ik van het Haagse Spui naar station Holland Spoor. Zo ongeveer op de hoogte van de Dunne Bierkade en het Groenewegje was ik de hele vliegende zooi al weer vergeten.

En ik wil niet zeiken, maar dat is wel heel erg snel.


Shoot the Messenger door Moeremans Sons is t/m 12 december te zien in Arnhem, Den Bosch, Almere, Amsterdam, Groningen, Haarlem, Leiden en Antwerpen