Postume glorie

Harm Geerlings, Henny Hagenaars, Han Janselijn (red.), Raymond Roussel, uitgegeven door Hogeschool van de Kunsten Arnhem, 96 blz., f39,50
Zonder subsidie zou de literatuurgeschiedenis er heel anders uitzien. Na het maecenaat kon de schrijver die z'n draai op de markt niet vond, zijn werk slechts gepubliceerd krijgen wanneer hij een familiekapitaal achter de hand had. Een Flaubert of Mallarme zou niet hebben bestaan. En Raymond Roussel (1877-1933) al helemaal niet. Gelukkig liet zijn vader hem een fortuin na. Daarmee kon hij zijn werk laten drukken en toen publikatie hem niet de gewenste roem opleverde, kon hij er toneelversies van (laten) maken. Zijn naam als schrijver heeft hij gekocht.

Toch ziet zijn huidige roem er wat anders uit dan hij zich als adolescent had gedroomd. Op zijn negentiende schreef hij een roman in verzen, La doublure. De gordijnen van zijn kamer hield hij gesloten om het licht dat het werk uitstraalde niet te laten ontsnappen. Publikatie zou in een klap de hele wereld verlichten en vooral de schrijver zelf in het zonnetje zetten. Helaas, de wereld verpinkte in het geheel niet toen het geniale werkje verscheen.
Psychiater Pierre Janet beschrijft Roussels geestelijke ineenstorting in zijn boek De l'angoisse a l'extase als het geval Martial (naar Martial Canterel, de hoofdpersoon van de vorig jaar bij Perdu in vertaling verschenen roman van Roussel Locus solus), die op zijn landgoed bezoekers rondleidt en uitleg geeft bij de door hem geconstrueerde bizarre apparaten. Martial heeft een belangwekkende opvatting van literaire schoonheid: het boek mag niets reeels bevatten, geen enkele waarneming van de wereld of de menselijke geest, uitsluitend volstrekt denkbeeldige combinaties. Trouwhartig geeft de psychiater de megalomane droom van de schrijver weer, waaruit hij wreed ontwaakte.
Roussel op zijn beurt, alsof hij ook de zenuwarts voor zijn levenswerk heeft ingehuurd, zal diens case story opnemen in zijn laatste werk Hoe ik sommige van mijn boeken heb geschreven, dat als een testament pas na zijn dood mocht worden uitgegeven. Nadat hij tijdens zijn leven genoegen had moeten nemen met de twijfelachtige roem van het schandaal, heeft het testament hem de ware glorie bezorgd. Daarin onthulde Roussel van welke procedes hij in zijn werken gebruik had gemaakt, onder meer gebaseerd op homoniemen. Twee vrijwel gelijkluidende maar in betekenis geheel verschillende zinnen bijvoorbeeld verbond hij door verhalen.
Op z'n minst heeft hij daarmee de triomf van de fantasie bewezen. Krankzinniger verhalen zijn nauwelijks denkbaar; in zijn geval zou je zelfs kunnen stellen: hoe gebondener, hoe losbandiger. De onthulling van het verborgen mechaniek heeft nauwelijks tot beter begrip van dit wonderlijke werk geleid: de raadsels lijken er slechts door vermenigvuldigd, al was het maar door de mogelijkheid dat achter alles een truc kan schuilgaan.
En dan duiken er in 1989 zowaar nog enkele dozen met manuscripten op, gevonden door een verhuizer die zelf gaat verhuizen. Ook dat had Roussel zelf bedacht kunnen hebben. In elk geval past het perfect in de legende die hij is geworden en die hij eigenhandig in elkaar heeft gestoken. Geen lezer van zijn werk die om de fabels heen kan, die rond de woonwagen waarmee hij begin jaren twintig door de wereld reist noch die rond het eigenlijke werk, de romans, gedichten en toneelstukken.
De legenden komen volop aan bod in een boekje dat enkele mensen aan de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem hebben uitgegeven. Uit de vondst van de verhuizer haalden ze een aantal merkwaardige foto’s: onder andere van een toegangspoort met het opschrift Locus Solus - dus toch…
Uit genoemd testamentair boek vertaalde Marij Elias enkele in principe onvertaalbare voorbeelden en het verhaal ‘Bij de zwarten’, dat tevens ten grondslag heeft gelegen aan 'Impressions d'Afrique’. Met nog enkele bijdragen over Roussels toneel en zijn invloed op Duchamp is de uitgave een mooie introductie tot deze unieke figuur.