Do It Ourselves: De nieuwe missionarissen

‘Postzegels betalen we uit eigen zak’

Steeds meer mensen willen zelf ontwikkelings­problemen aanpakken. ‘Weg met de strijkstok!’ Maar ook: ‘Terug naar ontwikkelingssamenwerking 0.0.’

Medium groene nieuwe missionarissen

Non worden wilde ze niet. Al was de Rosmalense Maria van Heist-Geerts in haar jeugd nog zo gecharmeerd van de bijbelse verhalen over hulp aan de armen, ze hoefde niet zo nodig het geloof te verkondigen. Wel was ze erg onder de indruk van de missionarissen die er op uit trokken om in de binnenlanden van Afrika, Azië en Latijns-Amerika ontwikkelingswerk te verrichten. Op Oudejaarsavond 2001 vroeg een vriend of ze mee wilde naar India. Hij had daar een project opgezet om de plattelandsbevolking te ondersteunen, veel meer kreeg ze niet te horen.

In Jabalpur in Centraal-India werd ze ‘overrompeld door het primitieve leven’ op het platteland. Ze trof armoede aan, zag kinderen met hongeroedeem. Bij thuiskomst besloot ze samen met enkele anderen vanuit Nederland geld in te zamelen en in 2003 was Stichting Namasté-India een feit. Jaarlijks krijgt de stichting 25.000 tot 40.000 euro aan donaties binnen, waarvan onder andere analfabete meisjes een opleiding krijgen en lokale ondernemingen worden opgestart. Een particulier initiatief was geboren, een kleinschalige organisatie die structureel en zonder directe financiering van de overheid ontwikkelingswerk verricht.

‘Ik heb het vermoeden dat dit soort initiatieven sneller ontstaan dan ooit’, zegt Sara Kins­bergen, die aan het Centre for International Development Issues in Nijmegen (Cidin) op het onderwerp promoveert. Naar schatting zijn er op dit moment in Nederland tussen de zesduizend en vijftienduizend van die hulpclubjes, maar volgens Kinsbergen zijn ze vaak zo kleinschalig en ongebonden dat ze nauwelijks traceerbaar en dus niet echt te tellen zijn.

Opvallend genoeg ontstaan deze initiatieven in een tijd waarin de subsidiestroom vanuit de overheid naar gevestigde ‘medefinancieringsorganisaties’ als Oxfam Novib en Cordaid afneemt. Ongeveer een miljard euro werd door het gedoogkabinet-Rutte bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Het Nederlandse percentage ontwikkelingsgelden daalde daardoor tot de internationaal afgesproken ondergrens van 0,7 van het bnp. Op enkele kleinschalige protesten na legde de Nederlandse bevolking zich vrij gemakkelijk bij deze ontwikkeling neer, of was er zelfs een uitgesproken voorstander van.

Niettemin bleek in 2011 uit onderzoek van het ncdo, het kenniscentrum voor burgerschap en internationale samenwerking, dat 64 procent van de respondenten wel degelijk belang hecht aan het helpen van mensen in armere landen. Dit is de schijnbare tegenstrijdigheid waarin het debat over ontwikkelingssamenwerking is beland: terwijl veel burgers willen dat de armen hulp krijgen, accepteren ze niet dat dat gepaard gaat met hoge overheidsuitgaven. Dat is een vruchtbare voedingsbodem voor particuliere ontwikkelingsorganisaties. Zij beloven een einde te maken aan de beperkte transparantie, overambitieuze doelstellingen en gebrekkige effectiviteit van de met belastinggeld gefinancierde ontwikkelingssector. En misschien nog belangrijker: zij beloven het zelf te doen, zonder hoge directeurssalarissen en overheadkosten.

Naast solidariteit speelt zelfontplooiing een belangrijke rol bij het opstarten van een initiatief in een ontwikkelingsland, bleek uit onderzoek van Hinde Bouzoubaa en Madelief Brok. ‘Het gaat natuurlijk allereerst om de mensen die je kunt helpen’, vindt Maria van Heist-Geerts. ‘Maar je doet nooit alles voor een ander. Met mijn eigen stichting ben ik veel meer betrokken bij het hele ontwikkelingsproces dan als donateur van een grote organisatie. Je ziet hoe je bijdrage een verschil maakt, je voelt het.’

Anna Chojnacka is de oprichtster van de 1%CLUB. Zij ziet de ontwikkelingswerkers-in-de-dop dagelijks aan zich voorbij trekken: ‘Mensen willen niet langer alleen maar vanaf de zijlijn toekijken, maar vooral zelf iets doen.’ Haar organisatie zorgt ervoor dat deze wens realiteit kan worden: particuliere initiatieven in binnen- en buitenland kunnen online geld, maar ook tijd en kennis verwerven voor hun kleinschalige hulpproject. Via crowd sourcing doneert een grote groep mensen een relatief klein bedrag aan een van de projecten die zich op de website van de 1%CLUB presenteren. ‘Mensen willen betrokken zijn. Dit is de _involve me-_generatie.’

Zonder de sterk toegenomen mondialisering had deze individualiseringstrend in de ontwikkelingssamenwerking echter nooit zo’n vlucht kunnen nemen. Met internet en mobiele telefonie wordt zelfs Afrika, tot voor kort terra incognita, vliegensvlug ontsloten. Zo snel zelfs dat Chojnacka nu al projectaanvragen ziet binnenkomen die geschreven zijn door zuidelijke organisaties, zonder dat Nederlanders daarbij intermediëren. ‘Door de nieuwe technologie merk je dat we echt met elkaar verbonden zijn, wereldwijd.’ Inmiddels is de 1%CLUB in 67 verschillende landen actief.

Maar ook het reizen zelf is gemakkelijker geworden. Veel van de projecten die bij de 1%CLUB binnenkomen, zijn bijvoorbeeld ontstaan na een vakantie. De meeste Nederlandse particuliere initiatieven werken dan ook in regio’s die relatief toegankelijk zijn: Kenia, India en Ghana voerden in 2009 de lijst aan. ‘Nu de vliegreizen naar Gambia goedkoper zijn geworden, zie je daar aanzienlijk meer projecten ontstaan’, zegt Sara Kinsbergen van het Cidin. ‘Op reis worden mensen veel directer geconfronteerd met de ellende.’

Juist het kleine, persoonlijke karakter bepaalt voor een deel de populariteit van particuliere initiatieven, denkt ErnstJan Stroes, adviseur van het ncdo. ‘Het contact tussen ontwikkelingswerker en donateur is direct en kwalitatief zeer sterk: de medewerkers van veel particuliere initiatieven kennen alle gevers persoonlijk. Natuurlijk worden de meeste donateurs van Oxfam Novib of Cordaid ook wel eens gebeld door een fondsenwerver, maar dat is toch anders.’

Van Heist-Geerts schreef onlangs nog een persoonlijke e-mail aan de jongeren in haar netwerk: ‘Een onderdeel van ons project is dat we de kleine kinderen een gezonde maaltijd per dag gaan geven. Als je twee euro per maand overmaakt zou dat echt geweldig zijn! Voor jou een pilsje, daar elke dag een maaltijd voor een kind.’ Zo krijgt ze van familie, vrienden en directe contacten ongeveer tienduizend euro van haar budget binnen. En zoals de donateurs een sociale verplichting kunnen voelen om geld over te maken, zo brengt de persoonlijke band met de gevers voor Van Heist-Geerts ook verantwoordelijkheden met zich mee. ‘Je moet de donateur recht in de ogen kunnen kijken, en verantwoording af kunnen leggen voor wat er met hun geld gebeurd is. Het is het geld van anderen, daar moet je transparant over zijn.’

De doelstellingen van de particuliere initiatieven zijn al even kleinschalig. De beperkte budgetten laten het simpelweg niet altijd toe om meer ambitie te hebben. Dus laten zij de millenniumdoelen, waarvan niemand meer echt verwacht dat ze in 2015 gehaald zullen worden, links liggen. In plaats daarvan richten de particuliere initiatieven zich veelal op concrete, plaatselijke ontwikkelingsproblemen. Niet alleen hier, maar ook daar zijn de organisaties geworteld in het lokale.

Lucy Engelen, de voorzitster van Partin, de brancheorganisatie voor kleinschalige particuliere initiatieven, verduidelijkt: ‘Neem de strijd tegen vaginale fistels, een vreselijke aandoening die in Zambia veel voorkomt. Een particuliere organisatie riep zijn donateurs op: “Geef honderd vrouwen per jaar hun leven terug.” Dat is heel wat anders dan de slogans van grotere organisaties. Een doelstelling als “Help malaria de wereld uit” is veel moeilijker te realiseren.’

De ‘grote jongens’ als Oxfam Novib en Cordaid staan veel verder van de donateur af, en hun doelen zijn onhaalbaar. Daarnaast is het moeilijk te verkroppen dat lang niet al het donateursgeld besteed wordt aan ontwikkelingshulp. Engelen: ‘Je merkt het als je voor een grotere hulporganisatie met de collectebus langs de deuren gaat. Mensen zijn van nature op zoek naar uitvluchten, om geen geld te hoeven geven. “De directeur verdient te veel geld”, is tegenwoordig een veelgehoord argument.’

Ook Van Heist-Geerts merkt dat hoge directeurssalarissen en overheadkosten binnen de ontwikkelingssector de particuliere initiatieven geen windeieren leggen: ‘Wij besteden iedere cent donateursgeld in India. Als we postzegels nodig hebben, maar ook als we op bezoek gaan in India, betalen we dat uit eigen zak. Voor grote organisaties is ontwikkelingshulp een kwestie van werk geworden, voor ons is het nog steeds bezieling. Dat spreekt mensen aan.’

Particuliere initiatieven mogen dan sterk in opmars zijn, onomstreden zijn ze allerminst. ‘Onderzoek naar de projecten van particuliere initiatieven laat zien dat er vaak te weinig rekening wordt gehouden met de duurzaamheid ervan’, zegt Lau Schulpen, docent aan het Cidin. Het opbouwen van de capaciteiten van (potentiële) zuidelijke partners wordt nogal eens achterwege gelaten. Dit kan ertoe leiden dat niemand het stokje overneemt zodra de Nederlandse organisatie zich terugtrekt. Het ‘eigenaarschap’ van de projecten ligt daarmee te vaak en te veel in Nederlandse handen en niet bij de lokale bevolking. Schulpen: ‘Dat maakt veel particuliere initiatieven paternalistisch. Bot gezegd gaat het hier net als vroeger weer om westerlingen die arme zwartjes willen helpen. Het is een soort ontwikkelingssamenwerking 0.0.’

Volgens Niki Frencken, producent en regisseuse van de documentaire De bijsluiter van goed doen over particuliere initiatieven, zegt het zo: ‘De hulp is in principe iets moois, want deze mensen nemen hun verantwoordelijkheid om verandering te brengen. Maar dat wil niet zeggen dat de effecten van hun handelingen ook altijd goed zijn.’ Sterker nog, regelmatig leveren kleinschalige projecten resultaten op die tegengesteld zijn aan de beoogde doelen. Zo liep ­Frencken in Bolivia een Nederlands koppel tegen het lijf dat met de beste intenties in een dorpje een waterput sloeg. Op die manier zouden de meisjes naar school kunnen in plaats van dat ze water moesten halen. Maar het halen van water betekende voor de meisjes juist ontsnapping aan de strenge dorpscontrole, en ze ontleenden er status aan. Bovendien was er geen school in de nabijheid. Het wegvallen van iedere vorm van dagbesteding had een desastreus effect: sommige meisjes raakten aan de alcohol, andere werden vroegtijdig zwanger.

Vanuit de particuliere initiatieven wordt met enige ergernis op de aantijgingen gereageerd. Anna Chojnacka van de 1%CLUB: ‘Je kunt er wel over klagen, maar particuliere initiatieven bestaan nu eenmaal. Je kunt ze hoogstens bijsturen om ze kwalitatief beter te maken.’ En daar wordt aan gewerkt. Zo vraagt de 1%CLUB expliciet naar de duurzaamheid van het ingediende projectvoorstel. ‘Wij geloven in de wisdom of the crowd. Als er bij een project in Kameroen drieduizend euro wordt besteed aan een nieuwe motor kunnen websitebezoekers de vraag stellen waarom dat niet goedkoper kan. Een vakantieganger weet dat je in Kameroen voor twaalfhonderd euro ook een motor kunt kopen. Zolang bezoekers van de website vinden dat de projectbeheerder deze vraag niet afdoende heeft beantwoord, zullen ze geen verdere donaties doen. Net als Wikipedia werkt de 1%CLUB zelfregulerend.’

Om de sterke versplintering tussen de eigenzinnige particuliere initiatieven tegen te gaan is half januari de website MyWorld.nl gelanceerd. Daar kunnen initiatiefnemers de krachten bundelen, onderling, maar ook samen met Partin, het ncdo en medefinancieringsorganisaties als Oxfam Novib en Cordaid. En met man en macht wordt geprobeerd de kleine initiatieven te professionaliseren. Lucy Engelen van Partin: ‘Bij grote organisaties wordt de opgedane kennis geconsolideerd en doorgegeven aan nieuwe werknemers. Bij particuliere initiatieven is dat veel moeilijker, en je ziet dan ook dat veel van de organisaties in dezelfde valkuilen lopen.’ Partin moet voorkomen dat de jonge particuliere initiatieven ieder keer opnieuw het wiel uitvinden. ‘Klakkeloos een schoolgebouwtje neerzetten is natuurlijk gewoon een domme handeling’, geeft Engelen toe. ‘Maar ga mij niet vertellen dat grote ontwikkelingsorganisaties en overheden niet door schade en schande zijn wijs geworden.’

Ook journaliste Marcia Luyten, die de helft van het jaar in Afrika woont, ziet de voordelen van de kleinschalige initiatieven: ‘Er is geen grand design dat op alle ontwikkelingslanden van toepassing is. Alleen op lokaal niveau kan uitgevonden worden wat wel en wat niet werkt in die specifieke context. Dus niet in Washington in een airconditioned kantoor, maar onder de mangoboom, met de handen in de rode aarde.’