Potgieterlaan 7

Op mijn bureau ligt een uit een krant geknipte foto met een scène uit Professor Bernardi (1912), het drama waarin Arthur Schnitzler het antisemitisme van zijn land-, stad- en tijdgenoten in kaart heeft gebracht.

Het is een van zijn vele meesterwerken en is tot op heden een sieraad van het toneelrepertoire.
Het knipsel vermeldt dat het stuk is opgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de NV Het Rotterdamsche Hoftooneel. De datering van de voorstelling is helaas weggevallen. Geen probleem. Ik pak Hans Roelofs’ studie over de verhouding tussen Schnitzler en Nederland (Mann weiss eigentlich wenig von einander) uit de kast. Het betreft, zo blijkt moeiteloos, de produktie uit november 1927.
Heb ik recentelijk niet een werkelijk schandelijke recensie van deze opvoering gelezen? Jawel, in de verzamelde essays en kritieken (Het onzegbare geheim) van J.C. Bloem, waarin zo'n halve eeuw meningen en meninkjes zijn geïnventariseerd. Alleen betrof het een éérdere voorstelling, uit januari 1919, de eerste op Nederlandse bodem. Bloem, deze door God gekuste dichter, domweg gelukkig in de Dapperstraat omdat daar geen joden woonden, laat zich in dit artikel niet van zijn smakelijkste zijde zien. Hij vond Schnitzlers drama getuigen van ‘een bleekzuchtig internationalisme en sentimenteel humanisme’, dat bij uitstek geschikt was 'om den warmsten vriend der joden tot een antisemiet te maken’. Een antisemiet als de dichter-zelf, die Jacob Israël de Haan 'handig, als bijna iedere jood’ noemde en fulmineerde tegen 'de weerzinwekkende vertooning, die men moderne democratie pleegt te noemen’.
Dat ultrareactionaire geschimp was niets voor een man als Menno ter Braak. Die sprak in mei 1937 in een artikel ter gelegenheid van Bloems vijftigste verjaardag over ’s dichters echte of gespeelde, maar in elk geval twijfelachtige 'afkeer van plebs en joden’. Nette kerel, die Ter Braak. Niettemin herinner ik mij een passage uit zijn roman D. Dumay verliest… waarin van een 'vervaarlijke jood’ sprake is, die bij de kapper 'grijnzend met zijn wijsvinger een cirkel om zijn geparfumeerde kruin’ maakt. En hoe haalde Ter Braak, deze onverveerde voorvechter van vrijheid en democratie, het in zijn ongeparfumeerde christenhoofd om mee te werken aan een bundel artikelen (Antisemitisme en jodendom, 1939) waarin bladzijden lang wordt gesproken over het 'Oostersch fanatisme’ van 'de gesaeculariseerde Jood’, met zijn 'Joodsche arrogantie’, zijn lafheid, zijn pralerige protsheid en zijn hebbelijkheid zich met ringen (de jood) en edelstenen (de jodin) op te sieren?
Menno ter Braak, inmiddels wijsgeworden, vond de joden toen allang niet 'vervaarlijk’ meer.
Maar niettemin!
Ik wil maar zeggen: de ouders van Sytze van der Zee, die in de vroege jaren veertig in familiekring met enige laatdunkendheid over 'de joodjes’ spraken, waren waarachtig de enigen niet.