Toneel: Othello

Potje stangen op een knalfuif

Op een lang wit piëdestal na is het toneel leeg. Aan beide korte zijden van de speelvloer hangen twee batterijen kleurlicht. Er is dreunende muziek. Drie jongens en twee meiden hebben een knalfuif. Totdat een van hen naar voren stapt en meldt dat hij een van de andere jongens (die met de weelderige vetkuif) haat en een plan gaat smeden om hem en zijn liefje te slopen. Daarna begint het verhaal dat ons is aangekondigd als Othello. Tachtig minuten later ligt het liefje gewurgd op de grond en schreeuwt de vetkuif dat zijn leven een ruïne is. Donkerslag. Einde.

Het duo Paula Bangels (regie) en Louis van Beek (vertaling/bewerking) van de nieuwe toneelformatie De Spelerij uit Vlaanderen kan een zekere brutaliteit niet worden ontzegd. De personele bezetting van deze Othello is teruggebracht tot vijf. Van de exotische poëzie, de racistische ressentimenten (Othello is een Noord-Afrikaan) en flink wat vernuftige finesses in de plotlijn, laten Bangels en Van Beek weinig heel.

Hoe ver drijft jaloezie de mens? Volgens de makers is dat het centrale thema van het stuk. Dat zal wel, maar het verhaal scharniert op een vernuftige analyse van het fenomeen ‘manipulatie’. In de derde akte van het stuk zit een geniale drijfjacht waarin de Spieler Jago zijn prooi Othello alle hoeken en gaten van diens emotionele huishouding laat zien, tot de arme Moor er krankzinnig van wordt. Daar zit de ziel van het stuk. Je kunt een briljant klassiek toneelstuk fileren tot het nog maar één ons weegt, de ziel van de vertelling behoudt haar soortelijk gewicht, die ontloop je niet. Desnoods dendert die ziel als spook van het origineel knalhard óver de interpretatie of dwars door een regisseur heen. Shakespeare’s originelen zijn in die zoetzure wraak nogal genadeloos. Misschien is de quasi-bravoure van deze uitvoering bedoeld als offer ten dienste van het ‘bruisend en herkenbaar theater’ dat De Spelerij wil maken voor publiek ‘uit alle lagen van de bevolking’ dat geen trek meer heeft in de ‘stoffige reputatie’ die aan toneel kleeft. Shakespeare heeft overigens precies datzelfde beoogd. Zijn stuk is alleen rijker dan dit potje stangen op een knalfuif van brulapen.

Shakespeare grondig ánders willen doen is van alle tijden. En het kan ook heel goed. Nog maar tien jaar geleden toerde een sterke, verre van stoffige versie van Othello door Nederland, gespeeld door een klein en hecht ensemble, in de regie van Koos Terpstra. De beproefde vertaling van Bert Voeten mikte wel degelijk op een jong publiek, dat ook in ruime mate werd bereikt. De losse speelstijl zat indertijd in de Othello van stand-up comedian Eric van Sauers en zijn liefje, geen stoeipoes maar een dwarse puber, sterk gespeeld door Ricky Koole.

Het kan dus, Shakespeare met flair. Maar niet zo. Niet louter met lawaai. Niet verwaaiend in oppervlakkig geschreeuw. Het betaalt klaarblijkelijk wel uit, zo blijkt. Deze voorstelling, die twee jaar geleden in Vlaanderen werd gemaakt, is hier ingekocht door achttien theaters. Terwijl je het Vlaamse toneelaanbod waar nuance, fijnzinnigheid en kwaliteit wel hoog in het vaandel geschreven staan, met een zaklantaarn in de Nederlandse zalen moet zoeken. Die nare conclusie is een tot nadenken stemmende bijvangst van deze bloed-irritante Othello.


Tot eind april in achttien theaters. Inlichtingen: despelerij.be