Potsierlijke pracht

Bij het buigen na afloop van de voorstelling staan de drie danseressen die meewerken aan Drie solo’s van Jan Fabre voor het eerst naast elkaar. Een van hen hoort overduidelijk in het rijtje niet thuis. Valerie Valentine is eerste soliste bij Het Nationale Ballet. Binnen dat gezelschap is ze al een opvallende verschijning met haar lange ledematen, vlasblonde haren en bleke huid. Maar tussen de Fabre-dansers is Valentine een wezen van een andere planeet.

De glimlach op haar gezicht komt van ver, alsof ze nog terug moet komen van het sprookje waarin ze zich heeft weggedanst. Zelfs als ze voor het buigen naar voren schrijdt, raken haar voeten nauwelijks de vloer. Doorschijnend lijkt ze, en de helft van het volume van de Fabre-danseressen.
Vergeleken bij Valentine zijn Renee Copraij en Tamara Beudeker stevige, nuchtere vrouwen. Zij stonden allebei al op het podium in Danssecties (1987), Fabres eerste choreografie. Dat was een totaal andere voorstelling dan de controversiele, performance-achtige theaterprodukties waarmee Jan Fabre in de jaren daarvoor naam had gemaakt. Danssecties was een ingetogen, trage verplaatsing van een rij ballerina’s. Ik vond deze balletmeisjes nogal popperig en devoot vergeleken bij de straatvechters die eerder Fabres podium bevolkten. Pas veel later, toen Fabre choreografieen ging maken bij ‘echte’ dansgezelschappen zoals Het Nationale Ballet en het Ballet van Frankfurt, kreeg ik oog voor de kracht van zijn danseressen. In Frankfurt was duidelijk te zien hoeveel moeite de virtuoze dansers van William Forsythe hadden met Fabres minimale danstaal. Fabre vroeg hen bijvoorbeeld om eindeloos stil te staan met de rug naar het publiek. De meeste Forsythe-dansers bleken daarbij in een bleke niksigheid te vervallen, terwijl Copraij en Beudeker in staat waren deze stilstand actief vorm te geven met een zinderende energie en een maximale aanwezigheid.
In Drie solo’s, de nieuwe voorstelling van Jan Fabre, danst Renee Copraij haar solo uit deze choreografie voor het Ballet van Frankfurt. Van een serene eenvoud is haar verstilde beweging voorwaarts, uit het donker naar het licht. Daarna danst Tamara Beudeker samen met Emio Greco een fragment uit Da un'altra faccia del tempo, de tweede choreografie die Fabre maakte met een eigen groep dansers. Eigenlijk gaat het bij deze tweede 'solo’ om Greco, die in de oorspronkelijke voorstelling uit een strakke rij dansers breekt. Als een paard dat even aan de dwingende hand van z'n menner ontsnapt, dwaalt Greco briesend en schokkend over het podium, tot hij zich weer vrijwillig in de rij voegt. Om zijn solo een kader te geven, vertegenwoordigt in Drie solo’s Tamara Beudeker de rij. Het resultaat is een intrigerend 'nieuw’ duet met de vrouw als een krachtige, constante factor waar de man zich als een onwillig, angstig kind tegen afzet.
Beide dansstukken geven je de kans om in te zoomen op een element uit Fabres spectaculaire, groot gemonteerde dansstukken. En om Fabres dansidioom eens nader te bestuderen.
Maar de scherpste blik op Fabres werk als choreograaf levert het derde deel van Drie solo’s: de solo van Valerie Valentine uit het dansstuk dat Fabre maakte voor Het Nationale Ballet. Binnen die voorstelling vond ik Valentines solo tekenend voor de half gelukte poging van Fabre om het gerenommeerde gezelschap naar zijn hand te zetten.
Nog altijd is deze solo een bijna potsierlijk romantische interpretatie van een insekt uit het universum van Fabre. Het Stervende Vliegje. Maar nu is ze weggerukt uit haar vertrouwde omgeving en ruw in deze collage geprikt, ondergeschikt aan Fabres strenge ordening. Ineens zie je met hoeveel liefde Fabre voor dit romantische sprookjeswezen een cocon heeft gesponnen waarin zij zich thuisvoelt. En hoe voorzichtig Fabre is geweest in het bekrassen van haar spiegel: het doorzichtige jurkje van Valentine is dan ook maar voor de helft blauw gebict.