Praathonden

DE PAARDESPRONG heet een verzameling literatuurstudies die Viktor Sjklovski in de eerste decennia van deze eeuw schreef. In een van die stukken, ‘De kunst als priom’, spreekt Sjklovski over een verhaal van Tolstoj, ‘Linnenmeter’, dat van uit een paard wordt verteld. Het is een perspectief dat tot bevreemding en vervreemding leidt.

Het begrip ‘bezit’ beziet Tolstojs paard anders dan de mens. Het bezittelijk voornaamwoord 'mijn’ verbaast het hogelijk, vooral als mensen het over 'mijn paard’ hebben maar er zelf nooit op rijden en het verzorgen aan anderen overlaten: mensen laten zich in het leven niet door daden maar door woorden leiden. Ze houden niet zozeer van de mogelijkheid iets te doen of te laten maar van de mogelijkheid om over verschillende onderwerpen te praten in woorden die ze onderling afgesproken hebben. In sprookjes, fabels en kinder verhalen is het doodnormaal dat dieren het hoogste woord voeren, maar in romans voor 'volwassenen’ doen ze er steeds vaker het zwijgen toe (uitzonderingen als Anton Koolhaas daargelaten). Daarom verraste het me des te meer dat twee auteurs van naam en faam, Paul Auster en John Berger, bijna tegelijkertijd een roman publiceerden verteld vanuit een hond: Timbuktu en King: A Street Story. Maar daar houdt de vergelijking op. Auster schreef een mislukt boek dat veelbelovend begint, Berger presenteert een prachtig, poëtisch- filosofische vertelling over het leven op de puinhopen van de beschaving. Waar Austers verhaal leegloopt in anekdotische taferelen over het hondebestaan in een burgerlijk Amerikaans gezinnetje, eindigt Berger met een bulldozer van apocalyptisch formaat. Zijn roman is een feest van en voor de zintuigen, een dichterlijke overpeinzing over dierlijke trouw en beestachtig gedrag in de marge van de maatschappij. MR. BONES in Austers Tim buktu is een hond merk vuilnisbakkenras die met zijn licht geschifte baasje William Gurevitch, alias Willy C. Christmas, langs de straten zwerft. Willy heeft het licht gezien in de gedaante van de kerstman die hem eind december 1969 vanuit de televisie toesprak en hem een houding van goedheid, gulheid en zelfopoffering voorhield. Deze mystieke ervaring (Santa versus Satan) drijft hem ertoe nog meer dag boeken vol te schrijven dan hij al deed en een symfonie van geuren samen te stellen. Maar niemand herkent zijn genialiteit. Daarom gaat hij op zoek naar zijn vroegere lerares Bea Swanson die in Baltimore woont. Daar heeft Mr. Bones een voorspellende droom die uitkomt. Tenslotte komt Willy in Timboektoe terecht, dat wil zeggen: de hemel waar honden met mensen kunnen praten. Tot zover vertelt Auster een boeiend verhaal omdat de gedachtenwereld van de hond en die van zijn baasje op een spannende manier om elkaar heencirkelen. De woorden zijn dan nog oorden van gekte en verlangen. Het baasje praat en raaskalt, de hond hoort alles en heeft zo zijn eigen gedachten en dromen. Na Willy’s dood doolt de hond van hot naar her, krijgt nieuwe baasjes - een jongen wiens vader een Chinees restaurant heeft, een meisje uit het middenklasse gezin -, wordt gecastreerd en verkiest uiteindelijk de dood. Het verhaal wordt steeds sentimenteler, trivialer en minder 'honds’. De hond blijft wel vertellen maar hij heeft minder te melden en wordt meer een door geefluik van verhalen over menselijke gedragingen. Austers stijl wordt zelfs slap en tuttig. Hij had het bij het eerste deel over Willy en Mr. Bones, dat hij in Granta publiceerde, kunnen laten. KING HEET de hond in John Bergers 'straatverhaal’, en die naam figureert ook op het omslag, terwijl die van de schrijver ontbreekt. We schrijven eind twintigste eeuw, ergens in Europa, vlak bij de zee, een rivier, een verkeersweg en een stad. De vuilstortplaats waar King woont, bij Vico en Vica, heet Saint Valéry en bestaat uit provisorische hutjes. Vico en Vica vormen het zwerverspaar dat de Pizza Hut bewoont en in leven probeert te blijven door radijs, madeliefjes of kastanjes te verkopen. King: A Street Story wordt consequent vanuit King verteld: 'Ik, bijvoorbeeld, geloof dat ik een hond ben. Hier kent niemand de waarheid.’ Berger vertelt via zijn hond de laatste dag van het leven op de vuilnisbelt, in zeven stadia die lopen van zes uur ’s ochtends tot de nacht waarin de bulldozer van de voor uitgang mens, dier en hut weg vaagt. King vermoedt: 'Vandaag lijkt alles te verdwijnen maar er is geen dief in zicht.’ King was vroeger waakhond op een vliegveld en verbaast zich erover, net als Tolstojs paard, dat de helft van de dingen een verkeerde naam heeft: 'De mensen zijn niet sterk in het benoemen.’ In een gesprek met Vico en Vica zegt King dat als de mensenwereld zo walgelijk is en de rest zo goed gemaakt, er een duistere macht bestaat. 'Anders is alles zinloos.’ Kings reukorgaan staat voor niets, zijn blik doorboort het donker, zijn waarnemingen zijn verrassend. De mens bijvoorbeeld heeft zeven huiden en het water vijf 'en ik kan die met mijn tong onderscheiden’. De zon lijkt op een steen die Vico heeft opgegooid zodat zijn hond hem kan vangen, denkt King: 'Ik heb een vreemde manier van uitdrukken want ik weet niet goed wie ik ben.’ Met zulke afwijkende beschrijvingen staat Bergers roman vol; Sjklovski zou tevreden zijn geweest. Het apocalyptische verhaal krijgt een filosofische context omdat Vico vernoemd is naar Giambattista Vico (1668-1744). In diens Principi di una scienza nuova (1725) staat dat de mens de geschiedenis beter kan kennen dan de materiële natuur om dat de mens immers de geschiedenis maakt. Hij formuleerde de cyclische wet van de opkomst en ondergang van culturen en onderscheidde drie cycli die eeuwig zouden terugkeren: de heilige, de heroïsche en de humane, ofte wel de tijdperken van de goden, de helden en de mensen. In die laatste era ontstaan steden, wetten en een volksregering. Dat alles wordt onherroepelijk kapot gemaakt (Il ricorso), waarna alles opnieuw begint en de phoenix uit de as herrijst: 'The Phoenican wakes’, schrijft Vico-lezer James Joyce in Finnegans Wake. John Berger voegt nog een cyclus toe: de hondse. Die toevoeging is veel meer dan een grap. 'Zowel de geschiedenis als de geografie zijn mijn onderwerp’, zegt King, en waarom zou je dat niet ook over de schrijver van de prachtige historische roman G mogen zeggen? ALS DE literatuur een wereld vol stupide wedijver was, zou ik zeggen dat Berger met King: A Street Story Austers Timbuktu met een straatlengte verslaat. Dat slaat natuurlijk nergens op. Ik wil alleen maar zeggen dat Berger met zijn hondeverhaal een andere richting inslaat dan Auster en dat hij indirect iets wil zeggen over het laatste Vico-stadium: het humane dat bedolven en begraven dreigt te worden, terwijl humanitas van het werk woord humare komt, begraven. De menselijkheid begint voor Vico met het respect voor de do den. Maar 'vico’ betekent ook straatje of donker steegje. Tussen al die betekenissen laveert Bergers wonderschone, alarmerende verhaal op de vuilnisbelt ergens in Europa aan het einde van een millennium.