CLAZINA DINGEMANSE
RAP VAN TONG, SCHERP VAN PEN: LITERAIRE DISCUSSIECULTUUR IN NEDERLANDSE PRAATJESPAMFLETTEN (CIRCA 1600-1750)
Verloren, 399 blz., € 39,-

Het is heel goed mogelijk dat in 2508 een neerlandicus promoveert op een tekstsoort die in het relatief bescheiden corpus Nederlandse teksten dat de Vierde Wereldoorlog heeft overleefd goed vertegenwoordigd was: de aan het eind van de twintigste, begin eenentwintigste eeuw zeer populaire column. Behalve dat onze onderzoeker veel werk heeft aan het identificeren van veel voorkomende namen als Geert Wilders, Mohammed B. en Gregorius Nekschot zal de lectuur van deze teksten vanzelf een aantal vragen genereren: waarom hanteerden de meeste columnisten zo weinig argumenten en speelden ze vaak ‘op de man’, waarom vonden ze het nodig de lezer uitvoerig op de hoogte te stellen van hun particuliere besognes en waarom schreven ze bij voorkeur over andere columnisten?
Hoe arbeidsintensief en ingewikkeld een dergelijk promotieonderzoek zal zijn, wordt duidelijk uit de dissertatie van Clazina Dingemanse over de in de zeventiende en achttiende eeuw populaire pamfletten in dialoogvorm, de zogeheten ‘praatjes’. Deze vormden zogenaamd het verslag van een gesprek tussen twee of hooguit een handvol mensen over een actueel onderwerp. Vaak worden ze gezien als typisch voorbeeld van de relatief open discussiecultuur die kenmerkend zou zijn voor de Republiek, en waarin de zinvolle afweging van redelijke argumenten een grote rol speelde. Het zou hier niet gaan om zogenaamde Platoonse leergesprekken, waarin een leraar reageert op vragen van leerlingen, maar om Ciceroniaanse dialogen, waarbij de gesprekspartners min of meer gelijkwaardig waren.
In haar bijzonder systematische en methodologisch zeer verantwoorde dissertatie laat Dingemanse zien dat het ‘open karakter’ van de praatjes nogal betrekkelijk was. De auteurs hadden altijd een duidelijk doel voor ogen en probeerden de lezer die kant op te sturen. Wel valt er een onderscheid te maken tussen verschillende functies die de praatjes konden hebben: het mobiliseren van het publiek ten behoeve van een bepaald standpunt, het bieden van informatie of het leveren van kritiek.
Uit het onderzoek blijk dat in de loop van anderhalve eeuw verschuivingen optraden in de functie die het meest dominant was. Stond aanvankelijk vooral het leveren van kritiek centraal, tijdens het Tweede Stadhouderloze tijdperk hadden de praatjes vaak een mobiliserende functie, terwijl daarna kritiek en informatie dominant waren. Na het open debat en de felle meningsverschillen uit de jaren 1650-1672 kreeg het discours een steeds meer gesloten karakter. Er ontstond meer behoefte aan gedeelde opvattingen, idealen en waarheden. Aan dit streven naar gematigdheid en consensus zou in het laatste kwart van de achttiende eeuw snel een einde komen.