CARLO EMILIO GADDA, DE LEERSCHOOL VAN HET LIJDEN

Praatjes van loslippigen

Carlo Emilio Gadda, De leerschool van het lijden, € 29,95

Wie de Italiaanse schrijver Gadda (1893-1973) een beetje kent - Denissen vertaalde van hem eerder de verhalenbundel Gepaard met verstand (1998) en de roman Die gore klerezooi in de Via Merulana (2000) - weet wat hem te wachten staat; en wie hem niet kent zal als hij deze zojuist opnieuw vertaalde roman uit 1963 gewoon begint te lezen niet zo gauw weten waar hij aan begonnen is. Pas op een kwart van het boek, op pagina 83 om precies te zijn, krijgt de lezer de hoofdpersoon te zien, ingenieur Gonzalo, de niet meer zo jonge Pirobuttiro jr. die samen met zijn moeder, voormalig lerares Frans, en de schim van zijn gestorven vader in een villa buiten woont. De lezer weet inmiddels wel precies wat voor vlees hij met deze onmogelijke kerel in huis heeft: een mensenhater, godloochenaar, een volksvijand, een aartsleugenaar, onbetrouwbaar, een gargantueske vreetzak, een man die zijn moeder mishandelt. Dat weten we dankzij praatgrage bedienden en dorpelingen, maar ook ons soort mensen, de plaatselijke bourgeoisie. De plattelandsdokter, die er prat op gaat dat hij soms professor genoemd wordt, is daar een dankbaar lid van. Lopend op weg naar de villa, waar hij ontboden is om de ziekelijke jongeheer te onderzoeken, neemt de dokter in gedachte nog eens alle geruchten over de hidalgo door.
Gadda heeft eens gezegd dat hij geen roman kon schrijven omdat hij de kunst van het roddelen niet verstond. De grap is dan dat zijn verhalen van geruchten aan elkaar hangen. Zoals het eerste deel van Leerschool van het lijden, dat in 1964 vertaald is onder de titel De ervaring van het verdriet, onvoltooid; kort erna doken er twee hoofdstukken en nog wat op, onmisbare fragmenten; daarmee is de roman nog niet af.
Praatjes, daar draait het ook om bij het schandaal dat in het begin ter sprake komt. Op zekere dag kwam uit dat Pedro Mahagones, de fietsende nachtwaker van die streek, eigenlijk anders heette en ook niet door de oorlog doof geworden was en dus ten onrechte een pensioen genoot. Pagina’s lang worden de praatjes door loslippigen - een passerende handelaar, dan de wasvrouw Peppa, de visvrouw Beppina, Pina, ook wel Pinina-met-de-bult genoemd, andere vrouwen, echtgenoten, priesters, kroegbazen, vrachtrijders en de postbode - aan elkaar doorgegeven zodat de knoeiboel nog onontwarbaarder wordt. Zo ziet Gadda het gedoe van mensen en zo ook ziet zijn proza eruit, zij het dat hij altijd de touwtjes in handen houdt terwijl de handeling van meet af aan een janboel is. Honderd pagina’s later wordt het mirakel van de dove nachtwaker alsnog uit de doeken gedaan.
Het lijkt wel alsof de schrijver wil zeggen dat hij met elk detail nog een heel ander verhaal achter de hand heeft, zo niet meer. Een smakelijke uitweiding over de affreuze architectuur van de rijke stinkerds kapt hij af met het zinnetje ‘maar basta met die opsomming van functionele strapatsen’ om vervolgens over te stappen op 'het wrede sadisme van de elementen’ toegespitst op een blikseminslag op 21 juli 1931 toen een wel zeer eigenzinnige bolbliksem zich een weg zocht van de ene afleider naar de andere en nog een paar pagina’s verderscharrelde.
Ondertussen komt de lezer wel van alles te weten over plaats en tijd van handeling: tussen 1925 en 1933, in een fictief land, Maradagal, in Zuid-Amerika, net na een oorlog met het buurland Parapagal. Gadda doet niet veel moeite te verbergen dat hier in vermomming een streek boven Milaan, ten tijde van Mussolini, bedoeld is. Wat de nachtveiligheidsdienst die zich aan de grootgrondbezitters opdringt en niet-betalenden hun weigering inpepert moet verbeelden is met de zwarthemden voor ogen niet moeilijk; met de maffia kom je ook een eind. Het is als met de autobiografische elementen: wie ze te letterlijk neemt mist meer dan de vertaling van verhaal naar historische werkelijkheid oplevert. Waar gaat het nu om? Die vraag heb ik naar verhouding even lang uitgesteld als de roman tot het moment dat de dokter de villa betreedt en de hypochondrische zoon onderzoekt.
Is dat de boeman: die hoffelijke oude jongere, die zich op bed door de kwakzalver laat bestasten? Al snel wordt duidelijk dat de pijn van binnen zit. Maar met dat binnenste is het oppassen. Wordt nu echt de eeuwige razernij die Gonzalo verteert door hemzelf van binnenuit verteld? Zo lijkt het, ja. Hij schijnt vooral in te zitten over zijn moeder die oud wordt en nog steeds niet terug is van haar tocht naar het kerkhof. Hij beklaagt zich over de naïeve naastenliefde van de moeder voor personeel en loslopende kinderen - precies het volkje dat hij haat.
Zijn mensenhaat begon al vroeg met afschuw van medeleerlingen, van de walgelijke stank; weerzin die na de oorlog minachting werd voor de algehele debiliteit, van letterlijk iedereen, hij zelf niet uitgesloten. Want wie is hij? De idioot die de praatjes van hem hebben gemaakt. Zijn woede gaat vooral uit naar de oorlogsprofiteurs - hij heeft in de oorlog zijn broer verloren. Maar niet minder walgt hij van het voetvolk én van zijn eigen milieu. Het ik dat vervolgens niet te stuiten aan het woord komt, zich wentelend in een delirium dat hem zijn gal doet spuwen over alles wat leeft en beweegt - of niet beweegt, zoals 'de Baarmoeder-Idee van de villa’ die zich de moeder heeft toegeëigend - is niet hijzelf maar zijn persoon en die is voor hem een ongewenst Fremdkörper. Waar hij aan lijdt is de ziekte van een hele klasse. Hij is het wormvormig aanhangsel van een ook zelf al overbodig geworden maatschappelijk corpus. Daarop verricht hij vivisectie; introspectie is dan meer een inkijkoperatie. De wrok wordt groter wordt naarmate hij hem verteert: de vivisectie is snijden in eigen vlees, sarcasme is daarvoor de geëigende toon. Wat Gonzalos (de lezer) leert is hoe inzicht in het lijden tot nog groter lijden leidt: het besef wordt de grootste pijn.
Deze zelfdestructie laat Gadda zien in een woekerende taal, en het is een wonder hoe Frans Denissen dit in een daverend Nederlands heeft omgezet, waarbij men moet weten dat er regelmatig Italiaans en Spaans verbasterd wordt vermengd met streektalen en jargon - wederom een krachttoer.

CARLO
EMILIO GADDA
DE LEERSCHOOL VAN HET LIJDEN
uit het Italiaans (1963 en verder) vertaald door Frans Denissen, met een voorwoord van
Ronald de Rooy
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 276 blz., € 29,95