Praatziekte taalcorpus in de snijzaal

De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Xandra Schutte, Jacques Vogelaar - koos ditmaal tot boek van de maand Fernando del Paso’s Palinurus van Mexico, uit het Spaans vertaald door Ton Ceelen en Margriet Muris, uitgeverij Ambo, twee delen, respectievelijk 342 en 339 pagina’s, f35,- elk.: De overige mededingers waren: Henk Propper, Een intiem slagveld (Prometheus, 223 blz., f29,90): Als de inzet groot is, kom je er niet zonder kleerscheuren vanaf in de literatuur. Propper legt in zijn essays over onder anderen Montaigne, Michaux, Yourcenar en Pavese prikkelende verbanden tussen schrijven, lezen en intens leven.: Susan Sontag, De vulkaanminnaar (vertaling Heleen ten Holt, uitgeverij Anthos, 432 blz., f49,50): Het turbulente Europa van rond 1800 is het decor, Napels en de Vesuvius het met lust en hartstocht te associeren brandpunt in deze roman als een fresco over passie en rouw.: Torgny Lindgren, De weg van de slang (vertaling Rita Tornqvist-Verschuur, De Bezige Bij, 116 blz., f29,50): De korte roman bevat een deerniswekkende geschiedenis over Zweedse arme luyden aan het einde van de negentiende eeuw. De verteltrant is subtiel: de weinig ontwikkelde verteller richt zijn in onhandige zinnen gestoken verhaal rechtstreeks tot God. Het resultaat is geladen en ontroerend.
Alsof het in het Nederlands is geschreven - een groter compliment kun je de vertalers van deze kolossale Mexicaanse roman nauwelijks maken. Het moet werkelijk een heksentoer zijn geweest om voor alle taalgrappen en stilistische capriolen equivalenten te vinden en ook nog eens alle erudiete of pseudo-erudiete toespelingen op te sporen. De roman hoort tot die boeken die in zichzelf een hele bibliotheek verstouwen en in dit geval wordt niet alleen de hele wereldliteratuur aangehaald, tot getuige aangeroepen, geeerd of geplunderd, in de roman is ook nog eens een halve medische encyclopedie verwerkt.

Dat deel herbergt vooral obscure wetenswaardigheden met bijbehorende medische en paramedische dieventaal. De verbeeldingskracht en het verbaal genot van de schrijver hebben hun uitwerking op de vertalers niet gemist en dit heeft in het Nederlands een boek opgeleverd dat je gerust naast Gargantua en Pantagruel en Tristam Shandy kunt zetten. Je kunt het ook evengoed een Nederlandse roman noemen, terwijl zo'n roman in het Nederlands niet bestaat, al zou ik mij kunnen voorstellen dat Atte Jongstra en Hugo Claus samen een eind in deze richting zouden komen.
Wat is het voor een boek? Het begint als een familieroman in Hongarije met oom Estaban, een aankomend medicus, even oud als deze eeuw, die Europa verlaat en in Mexico terechtkomt, waar zich meerdere levens treffen, uit wier vereniging de hoofdpersoon Palinuro en zijn volmaakte nicht Estefana zullen ontspruiten. Het is ook de liefdesgeschiedenis van dit tweetal, die zich hoofdzakelijk in een kamer afspeelt, maar die neemt dan wel de allures van een complete microcosmos aan. Het is ook de roman van een vriendschap tussen drie medicijnenstudenten die aan hun studie vooral veel praats overhouden. Ze doen proeven, onder meer seksuele, op lijken en losse ledematen, zoals de drie pikken waarmee ze alle denkbare en bloederige grappen uithalen. Tegelijk is het een serieuze inwijding in het medicinaal universum, in de geheimen van het lichaam en in de taal ervan.
En het is ook een politieke roman, al wordt dat pas op het laatst expliciet duidelijk, wanneer de hoofdpersoon aan zijn eind komt bij de bloedige onderdrukking van de studentenopstand tijdens de Olympische Spelen in 1968 in Mexico - de roman is van 1977; in het voorlaatste hoofdstuk wordt dat drama als een farce opgevoerd, met alle bekende figuren van de commedia dell'arte. De taal varieert al naar de situatie: hooggestemd en lyrisch, maar ook scabreus, bijvoorbeeld bij de wetenschappelijke experimenten van vriend Molkas die zich om het uur aftrekt of bij de necrofiele mis in technicolor.
Een compositie is er in dit bonte geheel met enige moeite wel te ontdekken, maar de uitweiding en de omweg krijgen meer kans dan het rechtlijnige verhaal. Er is veel, en veel van alles, wat geen wonder is als er een generaal in voorkomt die honderd verschillende glazen ogen heeft voor alle mogelijke situaties, of een don Prospero die systematisch de hele encyclopedie doorneemt, en een oom Estaban die voor het blad Geschiedenis van de Geneeskunde schrijft.
Als ik nu eens, in plaats van moeizaam te omschrijven waarover de roman gaat, zeg dat het een roman van de praatlust is, of zo men wil van de praatziekte, logorrhoee. Er is geloof ik niet een figuur in het boek die van deze aandoening gevrijwaard is. Er kan niets gebeuren of het lokt een niet te stuiten woordenstroom uit, en de schrijver is niet te beroerd om er nog een schepje bovenop te doen.
Er zijn in de Latijnsamerikaanse literatuur nogal wat romans die om vriendschappen draaien - ik denk aan Rayuela en Het boek van Manuel van Cortazar, Paradiso van Lezama Lima en Tres tristes tigres van Cabrera Infante, om een oudere generatie dan die van Fernando del Paso (1935) te noemen - en het kan geen toeval zijn dat het daarbij steeds om volumineuze boeken gaat waarin eindeloos wordt gepraat: over en weer of in brede monologen, met een genot alsof men al redekavelend de schepping overdoet. Bescheidenheid is in die wereld van woorden ook allerminst een deugd.
In Palinurus van Mexico komt echter ook meermalen ter sprake tot wat voor ongemak het tegendeel, de mateloosheid, kan leiden. Zo kent de liefde tussen Palinurus en zijn mooie nicht geen grenzen, alle mogelijkheden worden beproefd en alle in- en uitgangen van de taal worden in het spel betrokken. Als de dingen van naam veranderen, wordt letterlijk alles gevaarlijk en verdacht. Tegenover alles - doorgaan tot ze op de sporen van de oneindigheid stuiten - staat echter niet niets, maar het halve, het halfslachtige. Als daarom Palinuro een mislukte medicijnenstudent en een mislukte schilder mag heten, dan alleen omdat hij faalt naar zijn eigen absolute maatstaf, en dat kun je dus niet zomaar mislukken noemen. Zijn dubbelzinnigheid heeft hij van zijn naamgenoot in Vergilius’ Aeneis, waar Palinurus de stuurman is die op kalme zee, wanneer alle anderen slapen, de verleiding van de slaap weerstaat maar dan door de boze God der slaap overboord wordt gegooid: Palinurus mislukt, maar het blijft in het ongewisse of hij het er zelf naar maakt, of hij deserteur is of slachtoffer, of zelfs niets anders wil dan op het laatste moment opgeven en zich isoleren. In de roman wordt evenmin voor een uitleg gekozen, integendeel, zoals blijkt uit de reeks associaties op de naam Palinurus, waarbij elk anagram, elke verbastering het begin van een andere reeks kan zijn, dus ook van een andere geschiedenis van de naamgever.
Uit het voorafgaande krijgt men misschien de indruk van een volstrekt chaotisch boek waar wildgroei het enige principe zou zijn. Inderdaad lijkt het minste of geringste de aanleiding tot een woeste associatieketen; iemand hoeft bij wijze van spreken maar vlinders in zijn buik te voelen en je krijgt alles over vlinders te horen, maar er zit wel degelijk systeem in - of liever een methode: de uitweiding is niet zomaar een zijpad dat in het wilde weg wordt ingeslagen, de schrijver of verteller dwaalt niet af, maar betrekt er alleen maar meer bij, hij vermenigvuldigt, en dat niet enkel om het genot van het zoveel mogelijk, maar vanuit het idee dat ‘alle dingen tegelijkertijd een en verscheiden zijn’.
Zo is de arts toneelspeler, architect of plastisch kunstenaar van het lichaam, detective (speurder van de rigor mortis), kapitein, demiurg, archeoloog, soldaat van het leven, priester, advocaat, loodgieter, dictator, postbode, astronoom - en elk van die aspecten krijgt de lezer te zien. Met het lichaam zelf is het al niet anders: een optelsom van verschillende delen met elk een eigen gebruiksaanwijzing en wil, zodat maar de vraag is wie of wat het tot een eenheid maakt en wie er de eigenaar van is. Zoals je ook de vraag kunt stellen, en die wordt in de roman uitvoerig gesteld, waar het leven iemands eigen leven kan worden genoemd en waar hij het kwijtraakt. En op de snijtafel ligt niet de mens, ook niet een mens die staat voor velen, maar het is die ene student van twintig, een concreet individu, wiens bestaan door alle dichters en filosofen is genegeerd en vergeten. Aldus de allesweter Walter, de neef van Palinuro, die in zijn hoofdstuk, waar hij en passant heel Londen en het Engelse leven onder de loep neemt, het ook voor de roman belangrijke verschil tussen de blik van bovenaf en van onderen uiteenzet. Hij doet dat aan de hand van het Wellcome-museum dat in werkelijkheid uit twee musea bestaat: boven is het Museum voor Medische Geschiedenis, dat is opengesteld voor publiek, en beneden het museum voor de geneeskunde zonder meer. Boven zie je de wonderen van de wetenschap, dus wat men graag wil zien, onder bevindt zich de wereld van de ziekte en wat je niet ziet maar eigenlijk zou moeten zien: de bedenkelijke verworvenheden van de beschaving. Ook Mexico-stad ziet er van bovenaf en in het nachtelijke donker uit als een zwartfluwelen doek met edelstenen, maar 'van benedenaf en bij daglicht is deze stad die ons door het lot als geboorte- en woonplaats werd toegewezen (…) een zieke, monsterachtige, grauwe en miserabele stad’.
Vermenigvuldiging is dus het tegendeel van opeenhoping en abstractie, het betekent aandacht voor verschillen, waarvoor vergelijking en vergelijkingen onontbeerlijk zijn, en daarvoor neemt Del Paso de ruimte. 'Ik beloofde mezelf dat het boek dat ik van plan was te schrijven even ziekelijk, kwetsbaar en onvolmaakt zou zijn als het menselijk organisme, maar tegelijkertijd, als dat mogelijk was (hoewel het onmogelijk is) even gecompliceerd en fantastisch (…) het zal geen boek zijn met een apollinische huid, die een esthetische sluier over de werkelijkheid heen legt, nee: het zal een meedogenloos boek zijn, een dionysisch boek, dat triomfantelijk het leven met al zijn schaduwzijden en verschrikkingen vastlegt’, aldus de verzamelaar Walter in het boek. Het geldt evenzeer voor deze roman zelf, zij het dat als Del Paso iets vastlegt dat dan toch vooral in parodistische en groteske vorm gebeurt. Maar evenzeer is waar dat hij een eigen mythische wereld in het klein heeft geschapen en het gaat uiteindelijk om de vergelijking tussen die wereld en de echte.