Gustaaf Peek vindt de gespierde taal opnieuw uit © Patrick Post / ANP

Je moet het een schrijver gunnen om te groeien. Aan de narratieven te rommelen, zoals de schrijver hier in kwestie het zou zeggen. Gustaaf Peek (1975) is van het vertellen, maar ook weer niet. Zijn recentste roman, A.D., stelt de lezer voor een fikse uitdaging. De woorden vloeien, de zinnen rijgen zich aaneen, ernstig en onontkoombaar, maar geven weinig houvast in de zin van chronologie, personages, verhaallijnen. A.D. heeft wat dat betreft wel wat weg van een abstract kunstwerk, dat meer op het gevoel dan op het verstand werkt. Als ik even opkeek van de bladzijden had ik de nagalm van fluitende kanonskogels in de oren, hoorde ik een schip kraken, maar had ik moeite me te oriënteren. Tegelijkertijd lijkt een impressionistische lezing het boek geen recht te doen, gezien het schrijverschap van Peek, het oeuvre dat hij aan het bouwen is. Daarvoor kennen we hem inmiddels te zeer als een – om het afgekloven woord maar eens van stal te halen – geëngageerd schrijver. Waarschijnlijk de enige literator in het land die een paar jaar geleden zonder ironie een pamflet publiceerde waarin hij een herwaardering van het communistische gedachtegoed bepleitte. In zijn literaire werk is hij er evenzeer op uit iets te vertellen dat aanhaakt aan iets waarlijks, een ten onrechte in de geschiedenis onderbelicht gegeven, om te komen tot een nieuw verhaal dat ingrijpt, aangrijpt.

‘Elk nieuw leven begon met een verhaal’, luidde de openingszin van Armin, de roman waarmee hij in 2006 debuteerde. In Armin lag de oorsprong van de geschiedenis die Peek vertelde in Hitler-Duitsland waar in speciale klinieken experimenten werden gedaan om raszuiver nageslacht te bevorderen. De roman Dover, die in 2008 verscheen, had als vertrekpunt de vondst die in juni 2000 werd gedaan in de haven van Dover. De Engelse douane opende een Nederlandse vrachtwagen en vond in de laadruimte 58 dode Chinezen, slachtoffer van mensensmokkel. Nog weer twee jaar later verscheen Ik was Amerika, gebouwd op het gegeven dat tijdens de Tweede Wereldoorlog Duitse soldaten in krijgsgevangenschap werden genomen door de Amerikanen. In de roman staat een ongewone vriendschap centraal tussen een witte gevangene en een zwarte landarbeider, allebei in de oorlogsjaren werkzaam op een boerderij als katoenplukker; na lange tijd, en een lange speurtocht, vinden ze elkaar terug.

Iedereen is elkaars vijand in A.D., ze eten elkaars kloten

Waagstukken van vertelkunst zijn het; een ten hemel schreiende toestand wordt tot leven gewekt op een niet-sociaal-realistische manier, geen buitenissig talig middel wordt geschuwd. Kenmerkend voor Peeks werk is de onmiskenbare j’accuse-ondertoon, zonder dat er klinkklaar sentiment wordt ingezet. De outcasts van deze wereld krijgen bij hem een naam en een geschiedenis, maar worden geen zielige slachtoffers. Het zijn actoren die zich verhouden tot hun situatie. Zijn schrijfstijl is zijn handelsmerk: dichterlijk zou je die kunnen noemen, vrij, zonder tranerige clichés, een beetje gezwollen soms. Zijn helden hebben ‘ogen als krimpende kieren’, ‘gezichten als gebroken klokken’, komen uit ‘wrede windstreken zonder geschiedenis’ en roken hun sigaret ‘tot de vonken vlammen op hun tong’. Staccato zinnen wisselt hij af met pure poëzie, niet altijd even duidelijk maar wel maximaal sfeervol en binnen de context geloofwaardig.

Niet alleen in de ideeën achter de roman, in het verhaal, maar ook in de constructie, die stijl, op iedere pagina, in iedere zin, voel je de ambitie van de schrijver vlammen en vonken. Op een onverwacht fysieke manier was dat ook het geval in de roman waarmee Peek doordrong tot een groot lezerspubliek, Godin, held (2014). Door het universele verhaal van een hartstochtelijke, levenslange ‘affaire’ in retrospectief te vertellen, benadrukte hij de intrinsieke tragiek van een liefde die van meet af aan eindig is, en alleen bestaat voor de twee betrokkenen. Het welslagen van zoiets geheimzinnigs, schreef ik destijds, het laveren tussen wél en niet vertellen wat er aan de hand is, staat of valt met een zelfverzekerde, volwassen hand van doseren. Met zijn stevige, zinnelijke penvoering kreeg Peek het in mijn ogen voor elkaar om met Godin, held een roman te schrijven die zowel opwindend als ontroerend was. De menselijke maat zegevierde, zonder dat het ook maar in de verste verte een bekend verhaal werd.

In A.D. zegeviert de onmenselijke maat, zou je kunnen zeggen. Alleen al omdat er niet twee vertellers aan het woord zijn, en ook niet eentje die het allemaal weet, het zijn er tientallen. Al die vertelstemmen vormen een legioen, we bevinden ons in een tijdperk dat de ene volksstam er op uit gaat om de andere volksstam te ontdekken, en dan zeg ik het neutraal. Zonder bijsluiter lees je in A.D. het universele verhaal van de kolonisator die ergens aanmeert en pakt wat hij pakken kan. Mét bijsluiter is het de opmaat naar de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie, er is een schip onderweg naar de Oost en die tocht is gevaarlijk, de mensen aan boord staan elkaar naar het leven, het geweld komt van binnen en van buiten, en eenmaal in het aangezicht van de ander vallen de grenzen weg. In de ogen van de ander kan de westerling ook zomaar transformeren naar de vreemdeling, de ‘rode’, de woesteling. ‘Iemand roept dat ze hun kinderen doden wanneer ze met te veel zijn, maar iemand anders roept dat ze helemaal niet kunnen tellen.’ Iedereen is elkaars vijand, in A.D., ze eten elkaars kloten, dromen over nauwe kutjes, Peek vindt de gespierde taal opnieuw uit, daar aan de reling ‘waar de luide wind alles uit je losse muil naar de dove zee voert, te makkelijk om de schipper dan als een ezel op te voeren, als een blinde die al jaren de navel van z’n vrouw neukt omdat hij zo ver zuid z’n weg niet kan vinden’.

Peek schrijft weergaloze scènes, roept krankzinnige taferelen op, veel en los en alles tegelijk. Is er sprake van een ommekeer, na tweehonderd bladzijden? Het schip is ontploft, en het vertelperspectief verschuift naar een enkele jongen die de drenkelingen aan land ziet komen. Drenkelingen die zich verschansen in een fort, en de lokale bevolking beschouwen als dieren dan wel slaven. Peek vangt het drama als een bezetene, als een taaldronkene, het zou niet moeilijk zijn om te citeren, alleen de citaten zeggen niet zo veel meer dan dat Peek op de toppen van zijn beschrijfkunst is. De schrijver raast over de bladzijden maar lijkt soms te vergeten dat er ook nog een lezer in zijn nek hijgt. Waar ben je, waar heb je het over, piept die. Het is proza en je kijkt ernaar, je bent geneigd ervoor te buigen, al kan dat ook komen doordat je gaandeweg murw raakt door al dat schrijfgeweld.