Pragmatische oogkleppen

Alles draait om de actieve mens die bezig is de wereld te verbeteren. Dat is de boodschap van Richard Rorty. Voorwaarde is een praktische geest. Ook in de literatuur.

IN HET HEETST van de strijd rond Kosovo deden een paar Nederlandse journalisten een dringend beroep op schrijvers om zich uit te spreken, zich niet afzijdig te houden, partij te kiezen, zich te engageren. Meningen, standpunten, geïmproviseerde visies, hoogstpersoonlijke verzuchtingen, visionaire overpeinzingen - het maakte niet uit, als de woordkunstenaar zich er maar verbaal instortte en actief deelnam aan de geschiedenis. De historie voegde op de Balkan weer een hoofdstuk aan een eindeloos gruwelverhaal toe; een fragment dat achteraf, na herlezing, nadere bestudering en geobserveerde tegengestelde vluchtbewegingen, weer iets anders in elkaar stak dan menigeen met een snelle, kant-en-klare mening dacht.
Hoe de literatuur zélf zou kunnen reageren was natuurlijk van later zorg voor de alerte journalisten. Betrokkenheid ín een gedicht of roman? Dat vergt vaak een ingewikkelde uitleg. De schrijver dient hier en nu te reageren, anders is het te laat. Met dat ongeduld wordt de literatuur als langzamer fenomeen van onthulling en inzicht genegeerd of zelfs ontkend.
Het leek wel of de geest van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty vaardig was geworden over een deel van de Hollandse gidslandjournalisten, die zo graag poseren als bewogen wegwijzers naar een betere toekomst, als gevoelige seismografen gespitst op de Heilige Actualiteit. Vanaf zijn eerste boek Philosophy and the Mirror of Nature (1979), een afrekening met de filosofische fixatie op de kentheorieën van Descartes tot en met Dummett, betoont Rorty zich een aanhanger van de Amerikaanse denkschool die pragmatisme heet. Met name William James en John Dewey, twee voorgangers die een hoofdrol spelen in Rorty’s Achieving Our Country (1998, nu gedeeltelijk vertaald als De voltooiing van Amerika), verwierpen de allesomvattende waarheidstheorieën die de menselijke geest in de natuur weerspiegeld zag. De waarheid kun je toch niet vinden, die moet je zelf maken. Objectieve theorieën, inclusief het strenge determinisme, gaan voorbij aan de complexiteit van de werkelijkheid. Alles draait om de actieve mens die bezig is de wereld te veranderen en te verbeteren. Dat is Rorty’s boodschap in een notendop. Daarvoor is een praktische geest nodig, geen abstract ideeëngoed.
IN DE VOLTOOIING van Amerika rekent Rorty ook, niet voor het eerst, af met de metafysica. De blik dient niet omhoog gericht te zijn, zegt hij met Walt Whitman, maar vooruit. Bij Whitman en Dewey, ‘profeten van het geloof in burgerschap’, daalde de religie op aarde neer en werd een visioen van een experiment, te weten de Amerikaanse democratie. God werd een aardse utopie, en God’s Own Country moest klinken als een mooi gedicht. Het ging om het koesteren van een romantische hoop die eens werkelijkheid zou worden. Dat was Deweys pragmatisme, dat is de instelling van Rorty. Liever Lincolns hoop dan een verarmd marxistisch-religieus historicisme of de verstikkende sombermansgedachten over macht en maatschappij als die van Foucault. Toekomstige gebeurtenissen kunnen zulke denkkaders missen als kiespijn. (Schuift het pragmatisme dan niet algauw op naar opportunisme door gebrek aan historisch besef? Rorty gaat aan die vraag voorbij.) Pragmatisme voor Rorty is 'de weigering te geloven in het bestaan van Waarheid als iets wat niet door mensenhanden is gemaakt’. Wantrouwen in het humanisme en een vlucht uit de praktijk ziet Rorty als 'gebrek aan lef’. De strijd voor sociale rechtvaardigheid is essentieel voor de 'morele identiteit’ en de 'nationale trots’ van een land, van de Verenigde Staten. Rorty betreurt de teloorgang van reformistisch links en de opkomst van een 'cultureel links’ - in de jaren zestig toen de Vietnam-oorlog woedde en de studenten zich in de strijd wierpen - dat zich niet werkelijk in de dagelijkse politieke actie stort maar zich op de universiteiten verschanst. Rorty wil een Partij van de Hoop, een pragmatisch-politiek poldermodel voor Amerika. De banden met de bonden dienen te worden aangehaald, en oud links moet worden verzoend met nieuw links, dat wil zeggen: het verschil 'tussen mensen die handelen en mensen die toekijken’.
RICHARD RORTY’S pleidooi voor een links-liberale middenweg á la Drees/Kok; zijn kruistocht tegen de metafysica; zijn vasthoudende anticommunisme; zijn verheerlijking van academische slachtofferstudies ('de drang om iets te doen voor de vernederde bevolkingsgroepen’) en zijn nostalgische terugblik op de ouderwetse sociaal-democratische politiek - het is tot daaraan toe, en het klinkt als een weinig bevlogen redelijk alternatief voor bot kapitalisme. Maar als Rorty verkondigt dat de naties leunen op kunstenaars en intellectuelen die het 'nationale verleden verbeelden en vertellen’, groeit zijn betoog uit tot een ethisch-politiek reveil dat de schrijvers een specifieke houding wil voorschrijven, dan wordt zijn paarse poldermodel een literair koldermodel.
Rorty prijst 'socialistische romans’ als Upton Sinclairs The Jungle (1906, een jankerige roman over een immigrant in het Chicago van de corrupte vleesindustrie) omdat die een actieve en praktische bijdrage waren aan het debat over de verheffing van het volk. Zulke kritische boeken (The Jungle is in feite - ik heb het twintig jaar geleden mogen vertalen - een hutspot van simpel religieus-socialisme verpakt als sentimenteel liefdesverhaal in een erbarmelijke stijl) stimuleren sociale verdraagzaamheid en saamhorigheid, beweert Rorty. Wat wij aan het eind van de twintigste eeuw nodig hebben zijn inspirerende verhalen over episoden en figuren uit de nationale geschiedenis, verzucht hij.
Richard Rorty is politicus zonder partij geworden en alles dient aan zijn Partij van de Hoop ondergeschikt te worden gemaakt, vooral de literatuur als leverancier van mooie en ontroerende vertellingen die het lijden van De Ander invoelbaar maken. Lees 'socialistische romans’ als Steinbecks The Grapes of Wrath of Dreisers An American Tragedy!
Maar wat te doen als de literatuur haar eigen gang gaat en zich niets aantrekt van de anti-artistieke voorschriften van Rorty, als een roman die zogenaamde nationale trots juist op de proef stelt dankzij een verbeeldingrijke revisie van een verdrongen, troebel verleden? Dan gaan de al te kritische, al te beschouwende, zich aan de zijlijn van de samenleving ophoudende schrijvers in de ban, dan ontpopt Rorty zich als een kwaadaardige niet-lezer, als een soort Zjdanov of Lukács, die ook niets moesten hebben van 'cultuurpessimisme’ en 'decadentie’ (met instemming citeert Rorty William James’ omschrijving van Henry Adams’ traktaat The Virgin and the Dynamo als 'decadent en laf’). Het is akelig om Rorty op te zien treden als literaire politieagent, als inquisiteur die blind blijkt voor de werkelijke vorm en inhoud van grote Amerikaanse romans. Hoed u voor filosofen die voor literatuurbeschouwer spelen.
IN DE VOLTOOIING van Amerika moeten drie schrijvers, wellicht heel politiek correct uitgekozen op basis van 'pigment’ en geslacht, het ontgelden: Leslie Silko, Thomas Pynchon en James Baldwin, zonder dat Rorty onderscheid maakt tussen fictie en feit, verbeelding en authentieke autobiografie.
Baldwin krijgt strafpunten voor zijn autobiografische The Fire Next Time (1963) omdat hij zich niet vergevingsgezind uitlaat over, bijvoorbeeld, de slavernij, de systematische uitroeiing van de indianen en de leugenachtige verhalen over vrijheidslievende Amerikaanse helden. Hij zou vergiffenis hebben moeten schenken. Door zijn scherpe kritiek moeten we onze sociale hoop niet laten varen. Uiteindelijk krijgt Baldwin toch Rorty’s benefit of the doubt omdat hij zich niet, zoals de Nation of Islam van Elijah Muhammad, afkeert van 'het project het land te vervolmaken’. Geen separatisme maar samenwerking, hoe moeilijk dat ook is. Baldwin zegt dat de zwarten en de blanken elkaar hard nodig hebben om echt één natie te worden en geen twee afgescheiden naties. En dan volgt een kritische kanttekening: 'Maar blanke mannen met veel meer politieke macht dan die de Nation of Islam bezit, hebben precies hetzelfde gepropageerd, in feite al generaties lang.’ Deze zin van Baldwin citeert Rorty niet omdat die cynische gedachte niet past in zijn straatje van verzoening en zand over de misdadige geschiedenis.
Hoe worden Pynchon en Silko behandeld door Rorty? Dat gaat zo. Pynchons roman Vineland (1990) en Silko’s roman Almanac of the Dead (1991) zijn vervuld van cultuurpessimisme. Silko’s epos is dan wel 'indrukwekkend’, aldus de loze lippendienst van Rorty, maar waarom dat zo is, blijft onuitgesproken. Silko’s en Pynchons geloof 'dat de macht in handen is van grote corporaties en van een regering die achter de schermen voor deze bedrijven bemiddelt’, en hun opvatting dat de regering een schijnvertoning is, vindt Rorty te ver gaan. Zeker, politici zijn te koop, en de Amerikaanse middenklasse is niet solidair met de armen. Toch is Pynchons Vineland 'geen sociale aanklacht’ maar meer 'medelijdende berusting in het einde van Amerika’s hoopvolle verwachtingen’. En Silko’s roman 'wordt beheerst door zelfhaat’ in plaats van zelfspot. Volgens Rorty eindigt Almanac of the Dead met een visioen waarin nazaten van Europese immigranten terug moeten naar hun vroegere continent. De voorspelling van de indianen komt uit: blanken zijn een voorbijgaande plaag. Amerika wordt 'doelwit van een uitzonderlijke goddelijke toorn’. Silko zou volgens Rorty 'een hartgrondige walging van blank Amerika’ hebben en in wezen - hij zegt het niet met zoveel woorden maar de suggestie is oorverdovend - een scheiding der geesten willen propageren die de voltooiing van Amerika als één harmonieuze natie danig in de weg staat.
Richard Rorty verzint maar wat als hij over Pynchon en Silko schrijft. Hij heeft hoogstens een blik geworpen op een landkaart in Almanac of the Dead, maar de roman zelf niet of zeer slordig gelezen. Daar waar Silko, zelf van gemengd bloed, allerlei mengvormen ziet, staart Rorty zich blind op vermeend separatisme. En wat Pynchons Vineland te zeggen heeft over de jaren zestig, de episode waarin de Vietnam-oorlog alle oude vormen en gedachten omverkegelde, daar gaat Rorty met geen woord op in, omdat hij ook die roman heeft bekeken met pragmatische oogkleppen op.
Wat ik hierna over Pynchon en Silko zeg, is dan ook een verdediging van de literatuur tegen al die propagandisten, Rorty voorop en een handvol zogenaamd geëngageerde journalisten erachteraan, die romans willen lezen als direct strijdmiddel, tegen de pleitbezorgers van een literatuur als leverancier van pasklare, hoopvolle antwoorden op de Actualiteit, tegen hen die niet weten dat een verhaal uit Vorm en Taal bestaat.
Vineland gaat over kijken, verkeerd kijken en het subtiel becommentariëren van leugenachtige beelden van de geschiedenis. Pynchons roman is heel goed te lezen als een razendsnelle, hilarische montage van fragmenten uit honderden Hollywood-films, van liefdesidylle tot horror, waarbij de muziek wordt verzorgd door een surfpunk-huisband. Het is of je constant kijkt naar MTV-clips, slapstick en soapseries. Maar de bizarre verhalen over achtervolgingen, schijndoden, kidnappings en andere verdwijningen hebben een serieuze ondertoon, want Pynchon wil uiteindelijk geen vrijblijvend amusementsspel spelen met leven en dood. Zijn literaire kunst is kritiek op de geschiedenis van Amerika, een historie die steeds meer bestaat uit filmscripts en projecties (Rorty 'bewijst’ dat zwarten en blanken zij aan zij in Vietnam vochten door te verwijzen naar de film Platoon, waarna hij zwijgt over het feit dat er daar verhoudingsgewijs meer zwarten sneuvelden dan blanken). De televisie is treurbuis en dwangbuis, de camera wordt een geweer en alle verbanden met een persoonlijk leven zijn doorgeknipt. De politieke activisten van de jaren zestig portretteert Pynchon als verwende televisiejunkies die geen zicht op de prozaïsche realiteit van het Amerikaanse bestaan meer hadden. Het is Rorty, verdediger van het jaren-vijftig-anticommunisme ondanks alle paranoïde gevolgen vandien, ontgaan dat Pynchon uiteindelijk meer sympathie koestert voor de ideologie-vaste slachtoffers van het anticommunisme in de jaren vijftig dan voor hun opportunistische zonen en dochters van een decennium later. Alles moest anders, maar hoe? Een van de Pynchon-personages in Vineland ziet die kinderen als activisten tegen een maatschappelijke orde die ze in wezen willen omhelzen, hij ziet de 'behoefte om altijd maar kind te blijven, beschermd in een gezin van nationale afmetingen. De intuïtie waar hij op vertrouwde was dat die opstandige kinderen, wier kostje al bijna gekocht was, gemakkelijk omgepraat en goedkoop ingezet konden worden. Ze hadden slechts naar de verkeerde muziek geluisterd, de verkeerde rook geïnhaleerd en de verkeerde beroemdheden bewonderd. Een beetje heropvoeding kon geen kwaad.’
LESLIE SILKO doet in haar romans Ceremony (1977) en Almanac of the Dead een poging om via haar personages de Amerikaanse geschiedenis zo te herschrijven dat er een tapijt van vertellingen ontstaat waarin iedereen (blank, rood en zwart, halfbloeden en mestiezen, zwarte indianen en anderen van gemengd bloed) betrekkingen met elkaar onderhoudt waar de historie een stempel op drukt. De doden en de levenden leven door elkaar heen, de geesten van vroeger zwerven nog steeds over de aarde, de 'vijfde wereld’ die in de war is geraakt door de komst, een half millennium geleden, van de blanken naar Amerika. Wat er daarna gebeurde, noemt Silko in Almanac of the Dead een holocaust. Alles had opeens twee namen, een blanke en een indiaanse. In Ceremony krijgt de Tweede-Wereldoorlogveteraan Tayo, een halfbloed, tenslotte rust door te luisteren naar de oude, rituele gezangen. Die verhalen konden alles wat verknoopt was misschien weer tot de oorspring ontwarren. Het is die poging tot 'ontknopen’ die de kern van Almanac of the Dead uitmaakt. Silko introduceert tientallen personages die zich bewegen van Alaska tot diep in Mexico. Het is, onder andere, een indrukwekkende generatieroman waarin verleden en heden vervloeien, en de tijd niet een lineaire maar een circulaire gedaante aanneemt. Is een almanak niet een verzameling voorspellingen die pas profetisch wordt als die put uit de ervaring die het verleden biedt? In de indiaanse mythen speelt een tweeling een cruciale rol, zo ook in Almanac of the Dead, een grote roman vol dubbelspel, overspel, paranoia, moord, seksueel sadisme, corruptie, wapen- en cocaïnesmokkel. Seese, de aan coke en drank verslaafde moeder van een gekidnapt zoontje Monte, treedt in dienst van Lecha, de helft van een vrouwelijke tweeling op leeftijd. Lecha heeft de gave doden te kunnen lokaliseren. En die gave is meteen het thema van Almanac of the Dead: de poging alle zestig miljoen indiaanse doden te lokaliseren die tussen 1500 en 1600 zijn gevallen, na de komst van de blanken.
Die literaire inventarisatie, vanuit de meest uiteenlopende perspectieven, heeft Leslie Silko niet bedoeld om zich uiteindelijk onverzoenlijk op te stellen tegenover de Verenigde Staten of om een banvloek uit te spreken. Haar lappendeken van vertellingen dient als hardhandige geheugensteun, als indrukwekkende poging de geschiedenis bewust te laten meespreken, zodat iedereen ervan doordrongen raakt wat Amerika was, is en kan worden. Dat land is nog lang niet af, en iedereen mag meepraten in zijn eigen stijl en op zijn eigen toon, zonder meteen voor decadent of laf uitgemaakt te worden.
Want het is niet alleen Richard Rorty die bepaalt wie mag meespreken over verleden, heden en toekomst van Amerika. Als ik hem was zou ik Baldwin, Pynchon en Silko eens écht gaan lezen en geen onzin meer debiteren over wat literatuur wel of niet mag en vermag.