Praktijken van een biograaf

De biografie van de Poolse schrijver Ryszard Kapuscinski, door Artur Domoslawski, gaat meer over de auteur zelf dan over zijn object. De integriteit van deze ‘vriend en pupil’ valt te betwijfelen.

Artur Domoslawski, Kapuscinski: Non-fictie, € 34,95 e-book, € 27,

Medium cover

Artur Domoslawski’s Kapuscinski: Non-fictie werd gepresenteerd als een omvangrijke en onthullende biografie van de Poolse schrijver-reporter Ryszard Kapuscinski (1932-2007). Domoslawski beweerde dat hij ‘een risico had genomen om de waarheid op te schrijven’. Hij wilde de schrijver, die in Polen een onaantastbare status genoot, ‘vermenselijken’. Sensatie alom, enkele buitenlandse uitgeverijen hapten snel toe. Daar zat echter geen enkele uitgeverij bij die Kapuscinski’s werk uitbracht; zijn vertalers wilden niet meewerken aan het vertalen van Domoslawski’s boek.

Volgens Kapuscinski’s echtgenote zou Domo­slawski een boek schrijven over de perceptie van het oeuvre van haar man in het buitenland. Vol vertrouwen verleende ze hem de toegang tot het privé-archief en hielp hem aan een lijst waarde­volle buitenlandse contacten. Oorspronkelijk zou het boek verschijnen bij Znak, de uitgever van Kapuscinski’s laatste boeken. Maar ondertussen onderging Domoslawski’s boek een gedaantewisseling en verbrak Znak in 2009 de overeenkomst met de auteur. Het project werd overgenomen door de uitgeverij Swiat Ksiazki die het publiceren over allerlei voor Kapuscinski’s weduwe gevoelige zaken uit de privé-sfeer niet schuwde. De weduwe spande een rechtszaak tegen Domoslawski aan. De rechter hield de publicatie weliswaar niet tegen, maar de rechtszaak loopt nog steeds.

Door de hevige discussies die op allerlei fora losbarstten, raakte de journalistieke wereld verdeeld. De alom gerespecteerde oud-minister van Buitenlandse Zaken Wladyslaw Bartoszewski nam stante pede afscheid van Swiat Ksiazki, tevens zijn uitgever. De buitenlandse media buitelden over elkaar heen met berichten over de Poolse sterreporter die ‘verscholen achter faam en legendes’ sterke verhalen verkocht. Deze informatie stoelde echter niet op een gedegen analyse van het boek, maar vooral op het promotiemateriaal van de uitgever, de eerste berichten in de Poolse pers en de uitlatingen van Domoslawski zelf, die volhield een integer boek met empathie voor zijn mentor en vriend te hebben geschreven. Dat klinkt door in de omslagtekst van de onlangs verschenen Nederlandse vertaling: ‘Vriend en pupil Artur Domoslawski schrijft met integriteit en bewondering over de man die werd uitgeroepen tot Journalist van de Twintigste Eeuw.’ Maar of dat klopt valt te bezien. Wat zeker niet klopt is de informatie over de auteur op de binnenflap: hij werkt al lang niet meer voor de belangrijkste krant van Polen, Gazeta Wyborcza. Het was nota bene de chef Opinie van deze krant die een stevige kritiek op Domoslawski’s boek uitte.

Het door Domoslawski verzamelde materiaal is al te vaak afkomstig van anonieme personen en mensen die zichzelf tot Kapuscinski’s vrienden hebben gebombardeerd. Waar zijn de buitenlandse schrijvers, vrienden en kennissen van Kapuscinski? Hun verhalen zouden Domo­slawski’s intentie om zijn meester te ‘vermenselijken’ – lees: van zijn voetstuk te stoten – ernstig hebben ondermijnd. Domoslawski’s werkwijze stoelt op tendentieuze verdacht­makingen, suggestieve vragen en onaangename insinuaties. Uit zijn boek doemt een beeld op van Kapuscinski als een carrièrejager, meester in fabuleren, macho, rokkenjager, gefrustreerde man, angstige conformist. De mentor en vriend van Domoslawski?

Meteen in de proloog zet Domoslawski de aanval in. Zijn eerste doelwit is Kapuscinski’s glimlach: ‘Verontschuldigend, lichtjes gegeneerd. Een defensieve glimlach, die een vrije aftocht mogelijk maakte.’ Een anonieme oude vriendin van Kapuscinski voegt eraan toe dat die glimlach een masker was. Zijn bescheidenheid eveneens. Domoslawski denkt met haar mee: ‘Want als iemand voor iedereen dezelfde glimlach heeft, kan dat geen uitdrukking van uitsluitend welwillendheid zijn. Daar moet meer achter steken, denkt u ook niet, mevrouw?’ Een anonieme vriend vertelt: ‘Ik had altijd de indruk, dat hij in een wereld van geheimen leefde, dat hij veel geheime verborgen hield: voor zijn vrienden, naasten en zichzelf. Welke geheimen waren dat? Persoonlijke, politieke en literaire geheimen.’ Mocht Kapuscinski dan geen geheimen hebben? En wil Domoslawski ons doen geloven dat hij zelf geen geheimen heeft?

Sommige uitspraken van Domoslawski klinken ironisch of storend familiair. Jammer genoeg komt dit in de Nederlandse vertaling niet goed over. ‘Ja, de laatste negen jaar van zijn leven hebben we diepgaande gesprekken gevoerd’ betekent bijvoorbeeld iets anders dan in het origineel ‘zaten we uitgebreid te kletsen’, en de vraag ‘wordt het een biografie of een lofrede?’ klinkt in het Nederlands beslist anders dan het sarcastische ‘wordt het een biografie of een devotieprentje?’ in het Pools.

Erg bont wordt het wanneer de vermeende hoofdminnares van Kapuscinski ten tonele verschijnt. Over haar minnaar, met wie ze 33 jaar lang een liefdesaffaire zou hebben gehad, zegt ze in de Nederlandse vertaling: ‘Als hij niet zo’n kletskous was geweest, dan was jij het nooit te weten gekomen.’ Kletskous? In het origineel gebruikt de enigmatische minnares een platte uitdrukking die nog het meest lijkt op ‘als hij zijn snater niet had geroerd’, maar dan ordinairder. Het is moeilijk voor te stellen dat Kapuscinski’s grote liefde een dergelijke taal zou hebben gebezigd.

Een typisch voorbeeld van Domoslawski’s omgang met de materie is een fragment gewijd aan de speculaties rond de mogelijke toekenning aan Kapuscinski van de Nobelprijs voor de Literatuur in 2006. Aan de vooravond van de bekendmaking van de prijswinnaar werd Kapuscinski gebeld door zijn vriend Slawomir Popowski. Op de vraag of hij het spannend vond, antwoordde Kapuscinski: ‘Ja, natuurlijk. Maar, weet je, er waren zoveel anderen die deze prijs verdienden en niet kregen. Bijna niemand die met de Nobelprijs werd geëerd, schreef daarna nog iets opzienbarends. Ze hadden er geen tijd meer voor.’ Na de bekendmaking van de laureaat belde Popowski opnieuw. Kapuscinski haalde opgelucht adem: ‘Ik kan doorgaan met schrijven. Samen met mijn vrouw trokken we een fles champagne open en dronken op Orhan Pamuk’s gezondheid.’ In zijn aantekeningen is slechts één opmerking over de Nobelprijs te vinden: ‘13 oktober 2006. ’s Ochtends belde professor Nosz­czyk: “Ik ben teleurgesteld dat u de Nobelprijs niet hebt gekregen.”’

Hoe anders wordt dezelfde aantekening becommentarieerd door Domoslawski: ‘Maar geen enkel woord over zijn eigen reactie daarop, die dezelfde had kunnen zijn als het antwoord op mijn opmerking tijdens een telefonisch gesprek, maar dan een jaar eerder: “Gelukkig maar! Dat zou een nachtmerrie zijn geworden, ik zou geen leven meer hebben gehad.” De intonatie van zijn stem zei echter iets geheel anders.’ Domoslawski concludeert: ‘Het telkens terugkerende motief van gesprekken over de Nobelprijs: een van de obsessies van zijn laatste jaren.’

Domoslawski spoort de legendes op die Kapuscinski rond zijn persoon zou hebben gecreëerd. Een ervan betreft het lot van zijn vader in de Tweede Wereldoorlog, kort na de sovjetaanval op Polen in september 1939. Eind jaren tachtig zei Kapuscinski eens dat zijn vader, reserveofficier in het Poolse leger, uit een transport naar Katyn was ontsnapt. (Nabij het Russiche dorp Katyn hadden de Sovjets in april 1940 ruim vierenhalfduizend Poolse officieren in Stalins opdracht geëxecuteerd.)

In feite liet hij ook al in 1985 iets doorschemeren over zijn vader, in de vertelling Geheugen­oefeningen, waarin Kapuscinski zijn eigen oorlogs­herinneringen overpeinsde: ‘Vader was aan het front, werd gevangengenomen, ontsnapte uit gevangenschap en nu geeft hij les op een dorpsschool.’ Maar dat vermeldt Domo­slawski niet. Ook in Imperium (1993) vertelt Kapuscinski over zijn vader: ‘Uit wat hij tegen mijn moeder zegt, begrijp ik dat de Sovjets hem gevangen hebben genomen en hen naar het oosten hebben gedreven. Toen ze in een colonne door het bos liepen, was hij gevlucht. Zijn uniform had hij in een dorpje bij een boer voor een hemd en bastschoenen geruild.’

Maar Domoslawski gelooft de schrijver niet, want Kapuscinski’s jongere zus kon zich niets van dit voorval herinneren, al gaf ze toe dat haar herinneringen uit die tijd wel erg vaag waren. Volgens Domoslawski zou ook een brief van Kapuscinski’s oom de versie van zijn zus bevestigen. Maar deze brief sluit het verhaal uit Imperium allerminst uit, integendeel, alleen in het boek noemt Kapuscinski zijn oom ‘een boer’. De destijds gevangen genomen officieren werden snel op transport gezet naar verschillende krijgsgevangenenkampen, waaronder die in Kozielsk. Hiervandaan werden ze in 1940 naar Katyn afgevoerd. De massamoord in Katyn werd als eerste ontdekt en om die reden werden later alle toentertijd door de Sovjets gepleegde massa­moorden met het woord Katyn aan­geduid. In zijn ontboezeming maakte Kapuscinski simpelweg een gedachtesprong (via Kozielsk wachtte Katyn).

Omdat onderwerpen als de sovjet­aanval en Katyn-massamoord taboe waren in het communistische Polen, had Kapuscinski zijn vaders verhaal waarschijnlijk pas kort voor diens dood in 1977 gehoord. Kapuscinski’s zus emigreerde naar het Westen al begin jaren zestig en was daar hoogstwaarschijnlijk niet van op de hoogte. Ze vertelt ook niets over het Dapperheidkruis dat haar vader in 1977 voor zijn strijd tegen de Duitsers ontving. Ook Domoslawski zwijgt erover. Zijn stelling, dat de Katyn-legende Kapuscinski na de omwenteling van 1989 moest beschermen tegen de aanvallen van de anticommunisten, houdt geen stand. Kapuscinski hoefde niets te verzinnen, want zijn vader vocht in de oorlog in het anticommunistische Binnenlandse Leger.

Domoslawski beschuldigt Kapuscinski ervan dat zijn boeken allerlei leugens bevatten. Maar al bij het verschijnen van Kapuscinski’s eerste reportagebundel Busz po polsku in 1962 was het duidelijk dat hij geen gewone reportages schreef. Het toepassen van journalistieke criteria bij de bespreking van de bestseller De Keizer, literatuur van de bovenste plank, is dan ook misplaatst. Kapuscinski legde zelf meermaals uit dat het geen boek was over de Ethiopische keizer Hajle Selassie, maar over de mechanismen achter totalitaire machtsystemen.

Het is Domoslawski zelf die zich schuldig maakt aan verzinsels, namelijk in het fragment gewijd aan het boek De sjah aller sjahs (1982). Dankzij een opmerking van ‘een goede vriend van Kapuscinski’ beweert hij te hebben ontdekt dat sommige passages uit de Amerikaanse editie waren verdwenen. Deze betroffen de betrokkenheid van de cia bij de omverwerping van de Iraanse democratische regering en de Amerikaanse steun aan de sjah Reza Pahlavi. Was er soms sprake van Amerikaanse censuur? Domo­slawski legt dit raadsel voor aan Agata Orzeszek, de vertaalster van Kapuscinski’s werk in het Spaans. Volgens Orzeszek bevatte de Spaanse vertaling de volledige tekst. Ze zegt Kapuscinski onmiddellijk te hebben gevraagd naar de ingekorte Amerikaanse uitgave. Hij antwoordde dat het autocorrecties waren. Orzeszek vroeg door, omdat het om bijzondere autocorrecties ging: ‘Daarom heb ik hem erop gewezen, en nogal kordaat. Hij antwoordde dat hij de tekst op verzoek van de Amerikaanse uitgever had ingekort. “En jij vond dat goed?” vroeg ik hem. “Ik wilde dat het boek verscheen.”’

Welnu, Domoslawski kwam niet op het spoor van dit raadsel, noch had Orzeszek ooit dit gesprek met Kapuscinski gevoerd. Ik was namelijk degene die de ontbrekende regels in mei 2009 had ontdekt bij het vergelijken van de Poolse, Nederlandse en Amerikaanse edities. Ik nam contact op met onder anderen Agata Orzeszek, van mij kreeg ze de lijst ontbrekende tekstfragmenten. Op mijn verzoek keek Orzeszek ook de Engelse editie na, die gelijk bleek te zijn aan de Amerikaanse. Zij was dus die ‘goede vriend’ van Kapuscinski die een seintje aan Domoslawski had gegeven. Haar ‘kordate gesprek’ met Kapuscinski over deze kwestie was echter onmogelijk: de schrijver was in januari 2007 al overleden.

Waarom sommige passages door Kapuscinski verwijderd werden, blijft onopgehelderd. Domoslawski kiest overigens voor de minst plausibele stelling, namelijk zelfcensuur, wegens Kapuscinski’s vrees dat als de Amerikanen achter zijn vroegere contacten met de Poolse geheime dienst zouden komen, zijn literaire succes in de Verenigde Staten terstond zou worden getorpedeerd. Een waarschijnlijkere verklaring zie ik in Kapuscinski’s intentie de Amerikanen niet al te hard te willen bekritiseren wegens de substantiële steun die ze destijds aan de Solidarnosc-beweging gaven.

Kapuscinski: Non-fictie is meer een boek over Artur Domoslawski zelf dan over Ryszard Kapuscinski. Het heeft ondertussen schade berokkend aan het imago van Kapuscinski, met name in het buitenland. De evidente fouten in oppervlakkige recensies mondden uit in een Babylonische spraakverwarring. Ironisch genoeg was het juist Kapuscinski die al jaren geleden voor de tanende conditie van de moderne media waarschuwde.

De auteur is vertaalster van Reizen met Herodotus en De Ander van Ryszard Kapuscinski, uitgegeven bij De Arbeiderspers

Artur

domoslawski

Kapuscinski:

Non-fictie. Biografie van een legendarische journalist

Vertaald uit het Pools door Greet Pauwelijn. De Geus, € 34,90