Europese Literatuurprijs

Praten als afweermechanisme

Zeldzame aarden vertelt een verhaal in de categorie erg, erger, ergst: binnen 24 uur verliest hoofdpersonage Pietro Paladini, een gevestigde autohandelaar van in de vijftig, alle regie over zijn bestaan.

Medium gettyimages 129375064

Zonder dat hij het door had blijkt hij al tijden te handelen in illegale auto’s; de collega die hiervoor verantwoordelijk is, vertrekt onder valse voorwendselen en laat Paladini met de puinhoop achter. En die puinhoop blijkt vervolgens, hoe kan het ook anders, almaar groter te zijn dan gedacht. Er zijn stapels valse bankbiljetten, Roemeense criminelen en talloze onvoorziene intriges: Paladini heeft de ene tegenslag nog niet verwerkt of de volgende dient zich al weer aan. Intussen strandt zijn relatie ook nog (door eigen toedoen) en loopt zijn dochter van huis weg. Zo veel leed, is dat wel goed voor een personage?

Of eigenlijk: is dat wel goed voor een lezer, is het niet veel te veel voor een roman, wordt een verhaal niet vanzelf flets door zo’n ongedoseerde opeenstapeling van tegenspoed?

Paladini speelde ook de hoofdrol in Kalme chaos (2006), de internationale doorbraakroman van Sandro Veronesi (1959). De auteur verklaarde de laatste jaren dat hij het idee had dat hij zijn personage ‘kwijt was geraakt’ nadat Kalme chaos verfilmd was. Dat hij Paladini met nieuwe fictie wilde terugveroveren. Zeldzame aarden is daar het resultaat van, maar met zijn voorloper heeft deze roman opvallend weinig te maken: waar Kalme chaos het ingetogen relaas was van een zoekende vader, die zich door het overlijden van zijn echtgenote plots geconfronteerd zag met existentiële vraagstukken, is deze roman juist nogal springerig en soms ook gehaast van toon. Bijna alsof Veronesi een afvinklijstje van tegenslagen en ingewikkelde familieverbanden had die hij binnen vierhonderd bladzijden stuk voor stuk wilde behandelen.

‘Als u begrijpt wat ik bedoel. En als u het niet begrijpt, even goede vrienden’

Daardoor valt er compositorisch genoeg op Zeldzame aarden aan te merken: ondanks het korte tijdsbestek waarin alles misgaat voor Paladini slaat de roman allerlei kanten uit, van stad naar stad, van plan naar plan, van herinnering naar herinnering. Personages verschijnen uit het niets en verdwijnen net zo plotseling, Paladini’s gedrag en gedachtegang zijn grillig – en hij heeft de neiging zijn voortrazende monoloog te onderbreken met zeldzame oubolligheden. Dan staat er midden in een hoofdstuk ineens: ‘Pff.’ Of: ‘Als u begrijpt wat ik bedoel. En als u het niet begrijpt, even goede vrienden.’ Of, nog zo’n zinnetje dat vrijwel iedere redacteur doorgestreept zou hebben, midden in een verder fraaie omschrijving van een nieuwe tegenvaller: ‘O jee…’

En toch, ondanks alle vreemde wendingen en losse eindjes, ondanks de gemakzuchtige of soms gewoon kromme zinnen – de vertaling staat vol slordigheden – kreeg Veronesi me meer en meer waar hij me hebben wilde. Ik zag de tekortkomingen van zijn roman, maar hoe langer ik las, hoe minder die ertoe deden. Ik werd meegenomen door de stem van Paladini, die weliswaar steeds achter de feiten aan hobbelt maar toch geen eenduidige schlemiel is. Zijn taal is intelligent, bij vlagen zelfs humoristisch, al is het maar door de uitgebreidheid ervan: Paladini reflecteert op alles wat er gebeurt, niet alleen op het moment zelf, maar ook van tevoren en na afloop. De zinnen meanderen maar door, bladzijden achtereen zonder enige adempauze of alinea-afbakening – nee, er zijn talloze onvoorziene herinneringen, scherpzinnige nuanceringen en uitweidingen (bijvoorbeeld over een ontraceerbare, van al-Qaeda afgekeken communicatiewijze: berichten opslaan in de conceptenmap van Gmail; niets wordt verstuurd, niemand is aansprakelijk).

Paladini praat en praat, en gaandeweg drong tot me door dat dat geen gemakzuchtigheid was van Veronesi, geen teken van een schrijver die zijn verhaal niet van tevoren uitdenkt, maar juist een scherpe karaktertekening van de hoofdfiguur. Paladini blijft vertellen, honderden pagina’s aaneen, juist omdat hij niet al te diepgaand met zichzelf bezig wil zijn, om de zoveelste teleurstelling of oplichting te overstemmen. Taal is hier geen middel om een verhaal te vertellen, het is ook een afweermechanisme, en daardoor werkt dat springerige op den duur ook zo goed, en blijft de stortvloed van leed hanteerbaar: Paladini, iemand die alles over zich heen laat komen, wordt gedurende de roman meer en meer de verpersoonlijking van een dier in het nauw. Zijn tegenspoed verdwijnt daarmee niet, maar komt nooit al te lang echt op de voorgrond te staan.

Dat maakt Zeldzame aarden niet ineens foutloos, zeker niet, en mensen die verlangen naar een boek in het verlengde van Kalme chaos zullen met dit werk bedrogen uitkomen. De roman is minder uitgebalanceerd dan zijn voorganger, minder ontroerend ook – sommige scènes werken goed, andere minder; er zijn personages die meteen overtuigen, andere roepen louter onverschilligheid op. Er duiken her en der plots goedkope thrillerelementen op of langdurige uitweidingen die geen duidelijke functie hebben. Maar in alles zit de charme van de taal, die bruist en ongrijpbaar uitwaaiert, net als het hoofdpersonage. In het eerste deel merkt Paladini op: ‘En dit is weer een bewijs – het zoveelste vandaag – van hoe dingen, van de ene seconde op de andere, kunnen veranderen, in deze absurde wereld.’ Hij heeft het dan over de zoveelste tegenslag met een onwillige klant, maar met ‘dit’ zou hij ook op deze hele vertelling kunnen doelen. Een roman als een rookgordijn.


Beeld: Wordt een verhaal niet vanzelf flets door zo’n ongedoseerde opeenstapeling van tegenspoed? (Getty Images)