opheffer

Praten en praten en…

Onze wederzijdse vrienden vinden het toch vreemd.

‘Was dat die Esther met wie ik je door de stad zag lopen?’

‘Ja.’

‘Je groette niet.’

Medium opheffer 50 2012 esther vi

‘We waren waarschijnlijk druk in gesprek.’

Want Esther en ik praten en praten. Althans, ik praat. Want ik vind eigenlijk dat ze van niks weet.

Ze zegt bijvoorbeeld dat ze ‘zuiver’ wil denken, dat ze ‘eerlijk’ wil zijn in haar kunst en dat ze ‘de waarheid’ wil laten zien.

Ik weet natuurlijk niet wat dat betekent, en leg haar uit waarom dat loze woorden zijn.

Soms zitten we in een café en praat ik over oorlog en geluk en tekent zij iets in haar schetsboekje. Meestal gezichten. Ik vind dat mooi om te zien en mooi om mee te maken.

‘Vertel over vroeger’, zegt ze vaak.

En dan begin ik meestal zomaar ergens.

‘Ik heb je wel eens verteld over Pierre. Als we bij hem aan tafel gingen zitten, wilde hij eigenlijk dat je je kennis deelde. Dat deed hij ook. Je kreeg college, maar je gaf het ook. Dat waren mooie tijden. Ik vroeg hem iets over de economie, en hij mij iets over het schrijven van een stuk of over het presenteren op de radio. Heel vaak ging het over een boek dat ik aan het lezen was.’

Of ik vertelde over het feit dat ik een tijdje chauffeur was bij een bekende cabaretier. Dan reed ik in zijn auto naar Eindhoven of Groningen en hadden we grote lol. Ik zag dan hoe de cabaretier aan zijn nummers sleep, hoe hij mij gebruikte als publiek, hoe hij kwaad was als ik toch lachte om iets wat expres niet leuk was.

‘Hadden die mensen iets aan jou?’ wilde Esther weten.

‘Heb jij iets aan mij?’ vroeg ik.

Ze knikte.

‘Hou je echt niet van mij?’

‘Nee, ik hou echt niet van je’, zei ik, want ik weet dat als ik iets anders zei ze het contact zou verbreken. En ik hield ook niet echt van haar. Ze was alleen prettig om mee om te gaan. Was ze mijn muze? Nee. Ze was een vriend – meer dan een vriendin.

Ze had soms verrassende vragen, maar een vraag die bleef terugkomen was: ‘Waarom doe je het?’

‘Wat?’

‘Schrijven.’

‘Daar heb ik het al tien keer over gehad.’

‘Nee, ik bedoel, wat is je grote thema?’

Esther dacht namelijk dat iedere kunstenaar een groot thema had. Ik bestreed dat natuurlijk en zei dat je dat niet kon zeggen. Hoogstens kon je biograaf dat achteraf zien, maar wie krijgt er nu een biograaf?

‘Luister, Esther. Ik heb geen groot thema. Je maakt boeken of je schrijft artikelen omdat je iets boeiend vindt en omdat je denkt dat jij er iets over te melden hebt wat niemand nog heeft verteld.’

‘Maar waar gaan je boeken dan over behalve het verhaal?’

‘Dat weet ik niet. Ik zei vroeger altijd dat ze over de leugen gingen. Tegenwoordig zeg ik dat ze over de illusie gaan.’

‘De waarheid dus.’

‘Nee, de leugen.’

‘Dat is hetzelfde als de waarheid.’

‘Nee, dat is iets anders.’

‘Wat is het verschil dan?’

‘Iemand die liegt vertelt de waarheid niet. Iemand die de waarheid vertelt, liegt niet.’

‘Toch is het hetzelfde’, zegt ze dan.

En dan praten we daar weer over, terwijl we door de stad lopen, of door het museum of aan een tafel in het café zitten.

‘Ben ik je dochter?’ vraagt ze wel eens.

‘Nee, mijn dochter is heel anders dan jij.’

‘Wat is het verschil?’

‘Mijn dochter is minder gek.’

‘Zou je willen dat je dochter net zo gek was als ik?’

‘Het zou me niets kunnen schelen.’

En dan ontstaat er weer een gesprek over haar ouders die haar niet begrijpen en die het vreselijk vinden dat ze met mij omgaat en niet geloven dat we geen verhouding hebben.

‘Het leven is ingewikkeld, maar leuk’, zei ze gisteren.