Commentaar

Praten met de halve wereld

MET 72 LANDEN en zestien organisaties op de gastenlijst – inclusief afgevaardigden van internationale key players, zoals Malta, Albanië, Luxemburg en Brunei – mag gerust worden gesteld dat er in Den Haag niet in te kleine kring is gesproken over de oorlog in Afghanistan. De vele daadkrachtige woorden en eensgezindheid ten spijt is het een heel andere vraag of er wel met de juiste partijen is gepraat. Een artikel uit The New York Times van vorige week, waarvoor de krant zes Amerikaanse en Pakistaanse geheime-dienstmedewerkers sprak, laat weinig twijfel over het antwoord. De Taliban komen volgens het artikel aan hun geld via drugshandel en donaties van rijke Arabieren uit de Golfstaten. Voor de andere benodigdheden voor hun oorlog keren de Taliban zich tot de ongrijpbare ‘S-Afdeling’ van Pakistans geheime dienst, de machtige ISI.
Dat betekent in de eerste plaats de levering van brandstof en munitie, maar daar houdt het bepaald niet op. ‘Als [de Taliban en andere extremistische groepen] hun rangen willen versterken, zijn het S-Afdeling-leden die op radicale madrassa’s door heel Pakistan rekruten optrommelen’, zeggen de bronnen van The New York Times. Ook voor geld, militaire planning en strategisch advies staat de ISI klaar. ‘Er is zelfs bewijs dat ISI-leden geregeld Talibancommandanten ontmoeten om te overleggen over het opschroeven of temperen van geweld in de aanloop naar de Afghaanse verkiezingen’, schrijft de NYT.
Dit is geen nieuw of onbekend probleem. De ISI hielp, samen met de CIA, radicale Afghaanse strijders in de jaren tachtig en vormde de Taliban in de jaren negentig om stabiliteit te brengen in Afghanistan. Sinds de Verenigde Staten in 2001 de oorlog openden tegen de Taliban, kaarten zij de onverbroken banden tussen de ISI en de Taliban aan bij de Pakistaanse regering en strijdkrachten. Al die tijd zonder succes, en wat misschien het meest verontrustend is: de VS weten niet precies waarom zonder succes. Zaken die meespelen zijn de machteloosheid van de burgerregering ten opzichte van het leger, angst bij leger en regering dat India zijn invloed uitbreidt in Afghanistan, en de autonome, pro-extremistische koers van ISI-kaderleden op middenniveau. De VS weten nog steeds niet wie hun werkelijke vrienden en vijanden in Pakistan zijn en welke allianties er in de complexe en veranderlijke regio bestaan. ‘Amerikaanse regeringsfunctionarissen geven toe dat ze deze allianties niet goed doorzien’, schrijft The New York Times.
En dus vliegen Amerikaanse functionarissen heen en weer om tegenhangers in Pakistan ferm toe te spreken en te dreigen om de anderhalf miljard dollar militaire en civiele hulp aan Pakistan te schrappen. Waar de boodschap strandt, is niet duidelijk. Wel duidelijk is dat het weinig zin heeft een ‘brede dialoog’ over de oorlog in Afghanistan op te zetten als IJsland en Estland wel meepraten en de Arabische donateurs van de Taliban en hun Pakistaanse spionnenmeesters niet.