H.J.A. Hofland

Praten met Osama?

Officieel laten we de oorlog tegen het internationale terrorisme op 11 september 2001 beginnen. Als het een gewone ouderwetse oorlog was geweest, zou het einde nu in zicht moeten zijn, de zege van de enige supermacht met de rest van het Westen. Dat dit niet het geval is, wordt alleen nog door president George W. Bush en zijn slinkend aantal trouwe vrienden niet begrepen. De inventarisaties van de afgelopen vier jaar zijn niet eenvoudigweg somber. In sommige valt een toon van kalme wanhoop te bespeuren, in andere een machteloze woede over het wanbeleid van de grote oorlogsleider. Ik heb het hier alleen over Amerikaanse beschouwingen. Europese kritiek op Bush wordt door zijn adepten meteen als anti-Amerikanisme afgedaan.

Op 9/11 opende de International Herald Tribune met een artikel van Mark Danner: «Amerika vecht de oorlog die al-Qaeda heeft gekozen». Danner is een onbetwijfelbaar deskundige. Hij somt op waar sinds 9/11 de terreur grootscheeps heeft toegeslagen: van Bali en Sharm-el-Sheikh tot Madrid en Londen, met duizenden slachtoffers. In 2004 registreerde het State Department 651 «significante aanslagen», drie maal zoveel als in 2003. In Irak waren het er 198, negen maal zoveel. Aan het einde van dezelfde periode verklaarde Bush dat al-Qaeda zwaar was getroffen, tweederde van de leiding gevangen genomen of gedood.

Hoe valt dit te rijmen? Al-Qaeda is tot al-Qaedisme geworden, zegt Danner. Wat begon als een kleine samenzwering heeft zich ontwikkeld tot een mondiale beweging met duizenden volgelingen die bereid zijn de methoden van de terreur te gebruiken om de doelen te bereiken. Er is een nieuwe generatie aan getreden, met internet als trainingskamp. Het tijdperk van de amateurs is begonnen. Die hoeven geen directe verbindingen met een of ander hoofdkwartier te hebben om hun instructies te ontvangen. Het soort doel is bekend – een plaats waar veel mensen bij elkaar zijn – en wat je moet doen om jezelf op te blazen, lees je tot in detail op internet.

De oorlog in Afghanistan was een succes. De Taliban werd verslagen en de organisatie van Osama bin Laden zwaar beschadigd. Maar al-Qaeda heeft zich aangepast. In Irak kreeg de terreur de gelegenheid zich te herstellen. Het resultaat van alle aanslagen bij elkaar bestaat nu uit een sluipende en wezenlijke verandering van de westerse samenleving, met een alzijdig georganiseerde achterdocht in plaats van openheid. Aan Amerika en zijn bondgenoten wordt gedemonstreerd dat ook een hypermacht zijn grenzen heeft. En wat Carl von Clausewitz de opperbevelhebber het zwaarst zou aanrekenen: terwijl hij zich in een uitzichtloze oorlog liet verstrikken, heeft hij het initiatief verloren laten gaan. De chaos van Irak is zowel voor Amerika’s bondgenoten als voor het niet-westers publiek het dagelijks bewijs van het Amerikaans tekort.

Wat willen de terroristen? Het stichten van een nieuw kalifaat? De hele wereld tot de islam bekeren? Misschien later. Misschien heeft de generatie van de amateurs haar eigen doelen. Voor Bin Laden is het er in ieder geval van het begin af, lang voor 9/11, in de eerste plaats om gegaan de dictaturen in Egypte, Saoedi- Arabië, Pakistan en Jordanië omver te werpen. En dat zijn juist de landen waarvan Amerika voor zijn aan wezigheid in het Midden-Oosten het meest afhankelijk is. De neoconservatieve strategie om Irak te maken tot het democratische voorbeeld, van waaruit de rest van de regio kon worden hervormd, valt op zichzelf wel te begrijpen. De manier waarop de onderneming is aangepakt, lang voor de eerste bom viel, is een schoolvoorbeeld van de onnozele nonchalance en zelfoverschatting waarvan de terreur nu profiteert.

Als in een oorlog een situatie is bereikt waarin de tegenstanders tot de conclusie komen dat er geen overwinning in het verschiet ligt, gaan ze met elkaar praten. Hoe groot ook de wederzijdse afschuw, in de Koude Oorlog heeft het instituut van de topconferentie zijn nut gehad. Misschien heeft de ontmoeting tussen Chroesjtsjov en Kennedy in Wenen een echte oorlog voorkomen. En dat Reagan en Gorbatsjov het goed met elkaar konden vinden, heeft het einde van de Koude Oorlog waarschijnlijk bespoedigd. Maar George W. Bush en Osama bin Laden aan één tafel? Zelfs de hoogst gestemde vredesidealist zal het zich niet in zijn hoofd halen zoiets te propageren.

Toch stelt een hoogleraar in conflictbeheersing aan de universiteit van Harvard deze vraag: is het tijd om met al-Qaeda te praten? In de International Herald Tribune van 16 september schrijft Mahammad-Mahmoud Ould Mohamedou dat het Westen zich vergist als het al-Qaeda beschouwt als een van haat vervuld gezelschap van fundamentalistische terroristen. Zoals Danner is hij van mening dat in ieder geval Bin Laden een rationeel doel heeft, gelijk aan dat van de nationalistische bewegingen in de periode van het antikolonialisme. De vreemdelingen moeten weg uit het Midden-Oosten, dat ze met behulp van hun collaborateurs nu lang genoeg hebben geëxploiteerd. In tegenstelling tot wat het Westen denkt, is dit geen oorlog tussen goed en kwaad. De inzet is de beheersing van een regio, door de eigen bevolking en niet door vreemde mogendheden. Dat al-Qaeda zijn toevlucht neemt tot terreur is in wezen niets anders dan de beste manier om het Westen tot het kiezen van andere leiders te dwingen.

Mohamedou citeert Bin Laden: «Als Amerika escaleert of de-escaleert, dan antwoorden wij op gelijke wijze.» Tot nu toe heeft het conflict zich ontwikkeld in een spiraal van wederzijdse haat. Als het waar is wat Danner zegt, dat het initiatief verschuift naar de generatie der amateurs, wordt het nog moeilijker. Praten, nu? Wie met wie? Welke bevelhebber heeft nog zeggenschap over welke strijdkrachten? Zelfs al zou in Washington de bereidheid bestaan, dan nog is de chaos voor een geloofwaardig gesprek te groot geworden.