Pratend het kerkhof betreden

Ivo Michiels, Mag ik spreken?, € 39,90

Op zijn 87ste reconstrueert Ivo Michiels zijn levenswerk in de bloemlezing Mag ik spreken? De avant-gardist van weleer wil niet in verbitterd zwijgen eindigen. Diepe buiging voor de oude meester.

Geen prozaschrijver van na de Tweede Wereldoorlog zo avontuurlijk als de Vlaming Ivo Michiels (1923), en toch kan een bespreking van twee nieuwe titels - een met gesprekken, een met verhalen - het zelfs voor de laatste resten lezend Nederland niet stellen zonder de nodige introducerende informatie. Want Michiels is hier, naar ik vrees, hoogstens voor de oudere lezer nog een naam, voor de jongere, merk ik, is hij volslagen onbekend. Tot halverwege de jaren zeventig lag dat anders. Zijn twee bekendste boeken - Het afscheid (1957) en Het boek alfa (1963) - haalden allebei ongeveer twintig drukken, wat vooral voor laatstgenoemde titel, een taalexperiment zonder weerga, vanuit het huidige perspectief welhaast onvoorstelbaar is.
Dat de belangstelling daarna snel taande zegt evenveel over de auteur als over het literaire klimaat, dat nu eenmaal steeds meer in de greep kwam van het tv-amusement en de bijpassende vlotte babbel. Michiels zou in geen enkel format passen. Bovendien had hij, sinds 1980 woonachtig in Zuid-Frankrijk, wel wat beters te doen. Hij liep tegen de zestig en begon unverfroren aan wat hij als zijn levenswerk beschouwde, zijn Journal brut, van meet af aan begroot op niet minder dan tien forse delen. Ik herinner me nog de meesmuilende scepsis, ook bij mezelf, toen hij dat project aankondigde - was Michiels niet de auteur van dunne, kale boeken, eens in de vier, vijf jaar? Zoveel was zeker: die tien delen journaal zou hij alleen in strenge afzondering kunnen schrijven.
Toch had Michiels er omstreeks die tijd al een heel schrijversleven op zitten. Zijn eerste dichtbundels en romans, kort na de oorlog geschreven, heeft hij later verworpen. Begrijpelijk. Het gaat om autobiografische boeken waarin de oorlogsverschrikkingen in schoolse, romantisch-idealistische taal worden bezworen, nog zonder literaire distantie. Hij vond ze al gauw naïef. Tegen herdrukken heeft hij zich altijd verzet, hoewel hij nu zegt dat eigenlijk onzinnig te vinden, die vroege boeken documenteren per slot van rekening een bepaalde ontwikkelingsfase, hoe onrijp dan ook.
Michiels was zestien - heette nog Henri Ceuppens - toen hij in 1940 als reservist van het Belgische leger het land moest verlaten om uiteindelijk in Zuid-Frankrijk terecht te komen. Van de politieke dimensies van de oorlog had hij, afkomstig uit een arm, dorps, katholiek en Vlaams-nationalistisch milieu, geen flauw vermoeden. Angst, verwarring, vertwijfeling en een knagend, nooit meer helemaal verdwenen schuldgevoel waren zijn deel. Op zijn negentiende werd hij tewerkgesteld in Duitsland; dat hij aan die oproep gevolg moest geven was vanzelfsprekend, gehoorzaamheid in alle omstandigheden gold thuis als eerste gebod. Hij kwam als assistent in de operatiezaal van het ziekenhuis in Lübeck terecht, waar met primitieve middelen werd geamputeerd en talloze slachtoffers van bombardementen het leven lieten. Om bij de geboorte van zijn zoon in het Vlaamse Mortsel te kunnen zijn, tekende hij voor het Oostfront, maar dook onder toen het zo ver was. Na de oorlog werd hij wegens collaboratie tot een jaar interneringskamp veroordeeld.
Hij vertelt er uitgebreid over, genuanceerd en nog altijd geëmotioneerd, in de gesprekken die Sigrid Bousset de afgelopen drie jaar met hem voerde. Het instructieve, vaak ook ontroerende boek dat zij daaruit samenstelde kan worden gelezen als de memoires die Michiels nooit kon of wilde schrijven. Want het centrale probleem van zijn schrijverschap was dat hij moest schrijven over de oorlog, allesbepalend als die was voor zijn leven, maar dat hij vooralsnog geen idee had hoe. Een strikt autobiografische aanpak kon hem begrijpelijkerwijs niet bevredigen, maar een meer essayerende stijl, die zijn persoonlijke belevenissen van een politieke en maatschappelijke context had kunnen voorzien en zodoende zijn foute keuzes, die nauwelijks keuzes waren, inzichtelijk had kunnen maken, behoorde niet tot zijn mogelijkheden. Daarvoor ontbrak het hem aan intellectuele vorming, net als bij Claus en menige andere generatiegenoot. Michiels zocht naar verteltechnieken die het bijzondere op een algemeen plan tilden.
Het afscheid, vol symbolisch geladen existentiële situaties, is daarvan een eerste geslaagde proeve. Zelf beschouwt Michiels het als het eigenlijke begin van zijn schrijverschap. Het is ook het boek dat hem een Nederlands lezerspubliek bezorgde. Toen zijn Vlaamse uitgever niets zag in een tweede druk stuurde hij een exemplaar naar De Bezige Bij, waar het dankzij Bert Schierbeek werd uitgegeven. Zo toevallig is dat niet, Schierbeek was net als Michiels op zoek naar bevrijdende, experimentele vormen, bovendien behoorde hij, als Vijftiger en goede vriend van Lucebert, tot de vitaalste, het minst door frustratie, cynisme en ressentiment getekende afdeling van de Nederlandse literatuur. Michiels werd als (voormalig) katholiek met een rechts verleden in Amsterdam met wantrouwen bejegend, maar had het geluk dat behalve Schierbeek ook Geert Lubberhuizen, toenmalig directeur van de uitgeverij, het zonder reserve voor hem opnam.
Voor de lezer van zijn werk zijn de gesprekken met Bousset vooral zo interessant omdat ze inzicht geven in de evenzeer dramatische als avontuurlijke geschiedenissen die er het ruwe materiaal van vormen maar in dat werk doorgaans van alle data zijn ontdaan die ze wat betreft plaats, tijd en omstandigheden kunnen identificeren. Nu bestaan er van menig verhaal twee versies, de literair vervreemde en de herinnerde, en het is boeiend de verschillen na te gaan. Een eerste, bescheiden uitgave van het Journaal stamt trouwens al uit 1959. Michiels wist toen al dat hij er ooit zijn levenswerk van zou maken, maar eerst wilde hij een aantal autonome taalkunstwerken schrijven, de alfa-reeks, die uiteindelijk uit vijf delen zou bestaan. Ik verslond ze destijds als weinig andere boeken.
Steriel (het gebruikelijke adjectief in dit verband) zijn die experimenten allerminst. Het politiek en cultureel benauwende Vlaanderen moest zonder rancune op afstand worden geschreven, en wel met behulp van repeterende beelden van universele situaties en personages (het kruispunt, de lijdende Christus, de schildwacht). Dat leverde prozawerken op die misschien nog het best kunnen worden getypeerd als stemmenspelen, sterk ritmische, litanieachtige recitatieven van een geheimzinnige, haast bovenaardse schoonheid, ontstaan uit een combinatie van geometrische exactheid en idiomatische soberheid, het precieze tegendeel dus van de Verhalen uit Journal brut, waarin juist, naar analogie van Dubuffets art brut, volop ruimte moest zijn voor ruwe, ongepolijste vormen, voor improvisatie en toeval, spel en overdaad.
Als de alfa-cyclus een reinigingsoefening was, is het journaalproject een poging alles met alles te vermengen, veelkleurig en meerstemmig, ook voortkomend uit de overtuiging dat de mensheid alleen een toekomst heeft als ze tot niets uitsluitende mengvormen, tot ongelimiteerde wederkerigheid in staat is. Jaren geleden heb ik de alfa-cyclus wel eens als de proza-uitvoering betiteld van Paul van Ostaijens ‘organische poëzie’; de journaalreeks, uiteindelijk bijna drieduizend pagina’s in omvang, doet weer aan Van Ostaijen denken, nu niet aan de avant-gardedichter of de aan de weg timmerende poëzietheoreticus maar aan de auteur van de grotesken. Met zijn vindingrijkheid en zijn generositeit, zijn Antwerpse zwier en charme, zijn overdrijvingen en zijn taalverliefdheid, brengt Michiels Van Ostaijens principe van het 'heerlik zwansen’ met verve in praktijk.
Michiels was noodgedwongen autodidact, wat ook zo z'n voordelen heeft. Niet belast door academische hiërarchieën of sturende canons wierp hij zich op alles wat zich aandiende. Als criticus voor het Antwerpse Handelsblad schreef hij tussen 1948 en 1958 wekelijks over literatuur en/of beeldende kunst uit binnen- en buitenland, later ook over film, en gaandeweg liefst over het allermodernste en minst geapprecieerde werk. Dat deed hij zonder jargon en met ongekende gretigheid. Niet alleen liep hij alle tentoonstellingen af waarop iets nieuws te zien was, hij bezocht (latere) coryfeeën als Lucio Fontana en Piero Manzoni, Jef Verheyen en Yves Klein, Asger Jorn en Günther Uecker ook thuis, in hun atelier, raakte met hen bevriend, schreef catalogusteksten, organiseerde tentoonstellingen en kocht of kreeg werk van hen.
Uit een verhaal over Christo’s parapluproject dat Californië met Japan moest verbinden, blijkt dat hij zich al in 1963 een bescheiden Christo had verworven, een maagdelijk witte doos door de meester zelf ingepakt met een exemplaar van Der Spiegel. Een paar keer per maand reed hij met zijn deux-chevauxtje naar zijn kunstenaarsvrienden in Milaan. Op een dag wilde Manzoni (van de befaamde Merda d'artista) hem de inhoud van zijn hele atelier schenken, wat hij op één wit doekje na beleefd weigerde. Ook werd hij een keer bij de grens aangehouden met de kofferbak vol Fontana’s, die hij in België wilde verhandelen. Toen de douanier al die ingescheurde doeken zag, dacht hij vermoedelijk met afval te doen te hebben, in elk geval mocht Michiels doorrijden. In die jaren moet hij voor verhoudingsgewijs weinig geld een indrukwekkende collectie eigentijdse avant-garde hebben aangelegd. Een deel daarvan heeft hij moeten verkopen om zijn huis in Frankrijk te kunnen bekostigen. Had hij dat een paar jaar kunnen uitstellen, dan had hij ook het kasteel kunnen kopen waar hij nu vanuit zijn werkkamer tegenop kijkt.
Het belang van deze kunstenaarscontacten voor zijn eigen werk kan niet worden overschat. Zelf zegt Michiels alles te hebben 'geleerd, gekregen, gevoeld en ervaren via de plastische kunsten’, niet via de literatuur. De meest vergaande reducties in de alfa-cyclus - Orchis Militaris, Exit en Samuel, O Samuel - zijn de enige hoogwaardige literaire equivalenten van de minimalistische Zero-beweging. In de verhaallaag van die boeken, voorzover je daar nog van kunt spreken, spelen die kunstenaars geen rol, wat wel het geval is in vroege verhalen als Albisola Mare, Savona en Babyblauw en suikergoedroze; later werden die opgenomen in Daar komen scherven van, deel zeven van Journal brut, dat geheel is gewijd aan beeldende kunst.
Het tiende en laatste deel van de reeks verscheen in 2001, geen Nederlandse criticus die het is opgevallen. Het boek eindigt curieus genoeg met de woorden ’(wordt vervolgd)’, zelfs dit einde is voor de schrijver kennelijk ook weer een begin. En ja, niet veel later was er sprake van plannen voor een nieuwe 'bescheiden’ cyclus, vier delen moesten het worden. Verder dan wat aanzetten zou het niet komen. Levensbedreigende ziektes en zware operaties maakten Michiels het werken onmogelijk. Wel verschijnt er nu, op zijn 87ste, een door hemzelf samengestelde bloemlezing onder de naar Beckett verwijzende titel Mag ik spreken? Niet in verbitterd zwijgen eindigen, 'pratend het kerkhof betreden’ is zijn levensmotto. Ik heb, naarmate het journaalproject vorderde, wel vaker kritiek geuit op de experimenten van Michiels, op zijn gekunsteldheden, zijn pathos, zijn 'naïviteit’, nu ik al een paar dagen ben ondergedoken in deze 'reconstructie’ verbleken mijn kanttekeningen tot pietluttigheden. Ooit, nog maar kort geleden, was dit dus allemaal mogelijk. Ik maak een diepe buiging voor de oude meester, een diepe, dankbare buiging.

SIGRID BOUSSET
MEER DAN IK MIJ HERINNER: GESPREKKEN MET IVO MICHIELS
De Bezige Bij, 269 blz., € 27,50
IVO MICHIELS
MAG IK SPREKEN? JOURNAL BRUT, EEN RECONSTRUCTIE
De Bezige Bij, 682 blz., € 39,90