Prediker

Jonathan Meese drukt zich in zijn werk uit zonder blad voor de mond, en is even eerlijk als het gewone volk.

ER ZIJN VEEL raadselachtige spreuken van Joseph Beuys. Eigenlijk komt dat, denk ik wel eens, omdat hij in zijn werk niet zozeer bezig was met het maken van dingen maar met het in beweging brengen van creatieve processen. Dat gebeurde, onder meer, in sobere en ingetogen Aktionen waarvan de vloeibaarheid soms tot een hechte installatie kon stollen, zoals warm vet bij afkoeling langzaam hard wordt. Het grootste deel van zijn werk bestaat zo uit leerstukken, want Beuys was, behalve plastisch kunstenaar, ook leraar. Er werd ook veel gepraat. Als hij dan aan het praten was kon het gebeuren dat hij zei op zoek te zijn naar de domste. Of op een kaart staat geschreven, met zijn ontroerende lyriek: Gib mir Honig. Zijn meest geciteerde spreuk is echter die waarin hij verklaart dat elk mens een kunstenaar is, jeder Mensch ein Künstler.
Anders gezegd: ieder mens heeft, in wezen, de energie en de verbeeldingskracht om, zoals kunstenaars, zich de dingen anders voor te stellen dan ze altijd gezien zijn - en dus te gaan dromen en denken over verandering. Zelfs de domste zou in zulk dromen verzeild kunnen raken. Want dom ben je alleen maar, vond Beuys ook, in het traditionele kader van vaste lesprogramma’s in het gecanoniseerde onderwijs. Iemand honing geven betekende dat daardoor zijn creatieve energie op gang gebracht kon worden. Dan heb ik, mijmert Faust, filosofie, rechten, medicijnen vlijtig gestudeerd, en ook nog theologie, maar: da steh’ ich nun, ich armer Tor, und bin so klug als wie zuvor - niets opgeschoten en nog steeds een dwaas.
Ook in de kunst gaat bij tijd en wijle de idee rond dat je, als je maar niet gepolijst bent maar volkomen onbekommerd en naturel, veel dichter bij de ware waarheid komt. Het schilderij van de jonge Duitser Jonathan Meese, Meine Fratze ist harmloser als meine Katze is exuberant en woest, zo te zien: echt een werk van een nobele wilde, eerlijk en fris - maar helemaal verward is het niet. Het rumoer van kronkelende kleuren en sliertig, slordig geschilder vindt plaats rondom een figuur in het midden: dat is een grimassensmoel (Fratze) dat zich in het masker van een kat verbergt. De scheve, spitse ogen en de bek met scherpe tanden maken dat het gelaat er zo vervaarlijk uitziet als een sinistere schurk uit een game. Onderin, midden en rechts, zien we een soort fries van foto’s van Meese zelf. De meeste zijn van dichtbij en van voren opgenomen, in verschillende situaties. Uiterst rechtsonder zien we hem nog net in profiel naast een bekend zelfportret van Van Gogh - een bewonderde collega die, in zelfportretten, zichzelf ook in zijn kunst in scène zette. De landschappen en plekken die Van Gogh schilderde zijn die waar zijn leven zich afspeelde - met in zijn omgeving ook nog de gewone mensen uit het volk die hij portretteerde. Omdat Vincent met zijn moeilijke leven zo lijdzaam overal in zijn schilderijen aanwezig is, vindt het moderne kunstpubliek, dagelijks op de televisie ook nog met reality-programma’s overvoerd, hem de bij uitstek waarachtige schilder die inzicht geeft in het echte leven. Nog maar dertig jaar geleden was Cézanne de veel beroemdere kunstenaar, maar die is nu veel te streng en gesloten voor onze cultuur van totaal medeleven met elk denkbaar leed.
In het schilderij van Meese is het smoel van de kat (gedeeltelijk geel en getekend als een tijger) ook een zelfportret. Dat is wat de foto’s onderstrepen. Rond die woeste kop is de ruimte vol geschilderd met slierten en krabbels: grillige gedrochten van verf waartussen teksten opduiken. Er staat, behalve vaak zijn naam, ook ICH en ECHTZEIT = TRAUMZEIT, ook nog totale Wahrheit en DAS TIER IST AUF SEINEM WEG. Daar, bij die woorden van een prediker, is van alles bij te denken. Maar wat we in wezen zien is een schilder die, in de vrijzinnige traditie van Beuys, de persoon van de kunstenaar (met zijn zogenaamd unieke inzicht) hier op de spits drijft. Het beeld is wild, impulsief, snel en hectisch geschilderd. In die uitdrukkingswijze onttrekt het zich, nog veel heviger dan ooit Van Gogh, aan de beheerste orde van een geregelde stijl. De suggestie is daarom dat Meese zich uitdrukt zonder blad voor de mond en daarom dus eerlijk is - zoals ook, in de theorie, het gewone volk met zijn gezonde verstand de waarheid spreekt als het plompverloren van zijn gevoelens getuigt en zich niet in de luren laat leggen door de linkse kerk. Een grote verwarring dus.


PS Jonathan Meese: Totalzelbstportrait, nog tot 15 januari in het GEM. Over Beuys: Beuys: Die Revolution sinds wir, van Eugen Blume en Catherine Nichols, 2008, Steidl Verlag