Ger Groot

Preek

Niet vaak ontvouwt zich op de televisie in luttele minuten een literair meesterwerk. Vorige week gebeurde dat tijdens de begrafenisplechtigheid van prins Claus. Het waren nauwelijks duizend woorden die Huub Oosterhuis sprak, maar daarin werd zo ongeveer alles gezegd wat menselijkerwijs mogelijk was. Even pregnant als voorzichtig, want met de koninklijke familie zijn er altijd veel klippen te vermijden.

Oosterhuis wees ze aan met naam en toenaam, de aanstoot niet vermijdend, maar met een moreel gezag dat geen tegenstribbeling verdroeg. Het ging over «het verschrikkelijkste dat hem overkomen was»: Claus’ depressies, opgeroepen in de beelden van Prediker, het meest illusieloze boek van het Oude Testament. En daartegenover de solidariteit, het bijna irritant onmodieuze woord uit de boedel van de jaren zeventig waarvoor hij — net als Claus — niet schroomde. «Jaag hem niet op, jaag haar niet weg, zo staat geschreven.»

Dat zoiets ademloos werd aanhoord in een land waarin een regering, gekozen uit argwaan jegens elke vreemdeling, op het punt van vallen stond, had niet zoveel met ontzag voor het bijbelwoord te maken. Het lag zelfs niet alleen aan de retorische dictie van Oosterhuis, die zich in zijn preek niet — zoals werd gezegd — een mysticus toonde, maar zich onder de profeten schaarde.

Ieder woord onverbiddelijk uitgesproken, met het soms bijna logge ritme van zware klinkers, aanschurkend tegen de onwelluidendheid van een niet geheel vlekkeloos ABN: die toon was de profetenmantel. Maar het retorisch effect hoefde het vernuft van de tekst niet te vervangen. Lees het citaat, twee alinea’s hierboven, opnieuw. Het ritme van herhaling, variatie en, zelfs in een geschreven tekst hoorbaar een half octaaf lager, het afrondend vonnis: daar is geen ontsnappen meer aan, in geen enkele stem of toonsoort — zelfs niet in de stilte waarin wij sinds de late Oudheid lezen.

In begrijpelijkheid balanceert de toespraak van Oosterhuis op de rand. De bondigheid die haar zo’n hoog soortelijk gewicht geeft, dankt zij aan ellipsen en sprongen die nog net te volgen zijn. Woordrijmen en leidmotieven vangen de vrije val op en trekken hem omhoog, tot op de richel waar de tenen weer houvast vinden: de verschrikkelijke ziekte, de Duitse afkomst, het joodse boek, de naam God, die in deze preek maar drie keer valt, en dan nog twee keer alleen als woord: «het woord ‹God›».

Veel agnostischer kan een kerkelijke preek niet worden, op de richel van het geloof van een man die kennelijk «niet zo’n kerkganger» was. Zelfs de taal begint in gestamel, wanneer Oosterhuis Claus in zijn openingswoorden evoceert: «Deze geboren vreemdeling … deze blanke zwarte blanke.» Dat is, als introductie, van een onverstaanbaarheid die tegenover een miljoenen publiek bijna alles waagt. En het wordt erger: «Op vijandelijke bodem geboren … toont hij zijn wonden.» Dan is de blasfemie al niet ver meer weg en achteraf gezien was dat misschien zelfs iets te veel, al heeft geen theoloog ertegen geprotesteerd.

Uit die onbegrijpelijke taal ontstaat Oosterhuis’ preek — zoals bij de schepping de wereld uit chaos ontstaat. Schepping en licht — ze doortrokken de hele plechtigheid — dragen en omlijsten die bijna duizend woorden. Eén ervan, overkomen, verbindt ze. In het begin «het ergste» dat hem overkwam, en aan het einde, nu in hoop, het «neem mijn handen» — genomen uit een in verzoenend Duits gezongen lied — waarvan «Claus hoopte dat ook dat hem overkomen zou».

Schepping is er altijd en ze is steeds opnieuw van node: meer «in beginsel» dan «in den beginne». Met die boodschap worden die duizend woorden toch nog een preek en dat is geen populair genre in de hedendaagse literatuur. De negentiende eeuw heeft het verkorven, de twintigste heeft het genre obsoleet gemaakt, maar de zeventiende wist daarin nog meesterwerken te schrijven.

De preken van de Portugese jezuïet António Vieira, kort geleden vertaald, zijn mateloos in lengte en taalvirtuositeit. Ze staan haaks op Oosterhuis’ overdenking en toch verbindt hen — ondanks diens elliptische beknoptheid — eenzelfde barokke jezuïetentraditie. Morsdood, dacht men, net zoals de literaire preek. Maar meesterwerken komen altijd onverwacht en op onvermoede plaatsen. Literatuur is, wil ze iets te zeggen hebben, nooit alleen maar literair.