Prehistorie of science fiction?

Goed muziektheater is de uitkomst van een geheimzinnig en gecompliceerd chemisch proces, waarin ongelijksoortige elementen met elkaar in een verband worden ondergebracht. Helaas leidt dat er in de praktijk meestal toe dat de discipline waar de maker zelf uit afkomstig is, het best uit de verf komt. Een geslaagd voorbeeld daarentegen was Noach van Guus Janssen (of van Pierre Audi?). In Noach vond er in feite een krachtmeting plaats tussen verschillende artistieke zwaargewichten (componist Guus Janssen, beeldend kunstenaar Karel Appel en choreograaf Min Tanaka), met regisseur Pierre Audi als de onverbiddelijke scheidsrechter.

Ook van de voorstelling The Bush of Gosts, die de Japanse muziektheatergroep Pappa Tarahumara (van regisseur Hiroshi Koike) vorige week in het Muziektheater bracht, zou je kunnen zeggen dat er sprake was van een verregaande synthese van dans, muziek, zang, beeldende kunst en belichting. Het geheim van dit succes is echter helemaal tegengesteld aan dat van Noach: in plaats van uiteenlopende visies op elkaar te laten botsen, was deze voorstelling juist vanuit een gedachte gemaakt. Een zelfde idee - de abstracte verbeelding van het leven in een bos - werd met verschillende middelen ingevuld.
In The Bush of Ghosts werd dan ook op de eerste plaats een sfeer neergezet: een wat duistere, broeierige wereld van materie, kracht, adem, leven en dood. Heel primaire beelden die op een organische{ manier tot uitdrukking werden gebracht. Van de vlekkerig geschilderde panelen in pasteltinten die als achterwand dienst deden tot de schelpvormige objecten die werden rondgedragen; van de uit lange lijnen opgebouwde melodieen van de zangers tot aan de lichaamstaal die, hoe nerveus soms ook, nooit zijn innerlijke harmonie verloor. Verschillende middelen van expressie als loten aan een stam.
Maar toch ging de functie van de muziek een stapje verder. Juist door het non-narratieve karakter was de muziek nogal dominant in het invullen van beelden. Of er nu harde, machinale, ritmische patronen klonken, een dromerige sfeermuziek, een hobo-achtig instrument dat (off-stage) vanuit de verte langzaam dichterbij kwam, een zware beat die met elektronische kriebels en blieps was ingevuld, of een melancholische vocalise - de muziek stuurde de inhoud van de voorstelling. Daar konden geen tien dansers, geen vogel op wieltjes, geen zwiepend metaalobject, geen parade van houten blokken tegen op. Hoewel gezegd moet worden dat juist de momenten van totale stilte het meest indringend waren.
Ondanks de eenheid van idee en symboliek, was er wel degelijk sprake van fricties. Zo riep de setting heel tegenstrijdige associaties op: moest deze in zichzelf gekeerde, mystieke leefgemeenschap in een prehistorische periode geplaatst worden? Of juist in een science-fictionachtig na-de-bom-tijdperk? De personages leken in een buitenwereldse context tot elkaar veroordeeld, zodat vervreemding en intimiteit elkaar troffen in rituele bewegingspatronen.
Nog dwingender was de tegenstelling tussen symbolen, ideeen en sferen die aan een sterk oergevoel appelleerden en de vormgeving die vaak een hoog kitschgehalte had. Dat gold niet alleen voor de piepschuimen objecten en zilver blinkende kostuums, maar vooral ook voor de rottige kwaliteit van de tape. De ene keer klonk er zoetige pulp, dan weer een goedkoop synthesizergeluid dat was dichtgeplempt tot dikke orgelklanken, of een haast overstuurde bas - de intrigerende vraag of dit opzet was of amateurisme (haast ondenkbaar in een high tech- land als Japan) bleef onbeantwoord.
Ook de vraag of het nu eigenlijk een mooie produktie was, is niet eenduidig te beantwoorden. Afgezien van de soms goede, sterke beelden bleef het een uitermate vage voorstelling over - zoals het programmaboek meldt - geesten, animisme, rituelen, herinneringen en het heelal. Toegegeven, consequent was The Bush of Ghosts wel: ook binnen het artistiek concept hing alles met alles samen.