Prehistorisch erfgoed

St. Ives is het Engelse Domburg of St. Tropez, zo u wilt. Ruwweg een eeuw geleden trokken de eerste schilders naar dit badplaatsje aan de noordkust van Cornwall, omdat de speciale lichtval daar de kleuren een ongewone helderheid verschaft. Pas in de jaren dertig trok de roem van de schilderskolonie ook kunstenaars aan van internationale allure. Het echtpaar Barbara Hepworth en Ben Nicholson vestigde zich er permanent, en de uitgeweken Russische beeldhouwer Naum Gabo bracht er de oorlogsjaren door.

Al sinds 1980 is het atelier van Hepworth een aan haar werk gewijd museum, beheerd door de Tate Gallery in Londen. Een jaar geleden opende de Tate er vlakbij een dependance, geheel gewijd aan de artistieke geschiedenis van St. Ives. De ‘Tate St. Ives’ is gevestigd in een prachtig, krachtig, fabelachtig mooi gebouw met een imposante ronde ingangspartij, een reminiscentie aan de gasfabriek die er ooit stond. Maar meer doet het toch denken aan de traditionele museumsarchitectuur, waar het ronde midden de eeuwigheid van de klassieke kunst symboliseert. Recente musea tonen vaak verwijzingen naar de negentiende-eeuwse kunsttempels, en de witgekalkte muren en eerbiedwaardige zalenrij doen de Tate van architecten Eldred Evans en David Shalev goed passen in het postmoderne museumoeuvre. Maar hoeveel musea staan er aan het strand?
Helaas steekt de collectie wat magertjes af tegen het ruim bemeten vaart-der-volkerenbouwwerk. Van Gabo stond Londen slechts twee kleine studies in celluloid af en voor Hepworth moet je om de hoek in haar eigen museum zijn. De wanden worden dus voornamelijk in beslag worden genomen door mindere goden, naast een redelijke keuze uit het werk van Nicholson. De Tate St. Ives zal het moeten hebben van wisseltentoonstellingen, die er nog te weinig zijn, terwijl goede ideeen kennelijk worden weggegooid, zoals op dit moment blijkt. Wat een aansprekende tentoonstelling had kunnen zijn met een forse reikwijdte, wordt bescheiden aangeboden als een study display met een reeks lezingen.
'Equivalents for the Megaliths’ gaat in op het belang van de prehistorische stenenrijen: cirkels en menhirs voor de moderne Engelse kunst. De voor een tentoonstelling niet zo flitsende titel is die van een schilderij van Paul Nash uit 1935, dat reusachtige stereometrische vormen toont in een Cornwalls landschap. Eenmaal aangetrokken door het magische licht, leerden Gabo, Hepworth en Nicholson al snel de megalieten kennen, die in Cornwall en Devon bij honderden op de hei staan. De study display toont aan, met talloze schetsen en foto’s die de kunstenaars maakten van de standing stones, dat de prehistorische invloed veel directer en diepgaander was dan algemeen wordt verondersteld. Vooral het werk van Hepworth, van wie doorgaans de schatplicht aan Brancusi en Arp wordt benadrukt, is een bewerking van specifieke, door haar gefotografeerde megalieten in haar eigen gepolijste, gesloten vormen. De beroemde landscaped figures, hele landschappen verinnerlijkt in een enkel beeld (zij het enkel- of meervoudig), geven deels Cornwalls ruige kustlijn weer, deels het menhirlandschap.
Ook kunstenaars buiten St. Ives leenden vrijelijk van het voorwereldlijk erfgoed. Op de Britse eilanden staan niet eens de meeste monumenten uit de bronstijd (in Frankrijk zijn er nog zo'n zesduizend over), maar er is wel de grootste varieteit. Graham Sutherland, Paul Nash, Henry Moore en Richard Long hebben zich blijkens het geexposeerde materiaal uitgebreid gedocumenteerd met henges, cists, cairns en quoits. En dat allemaal in het kleinste zaaltje van het museum. Iets voor het Drents Museum misschien? Het is tenslotte al weer elf jaar geleden dat de tentoonstelling Van kei tot kunst de 53 Nederlandse hunebedden als inspiratiebron voor eigentijdse kunstenaars onder de loep nam. Megalieten vragen natuurlijk om een grootschaliger aanpak.