Nederlands crisismanagement

Premier in oorlogstijd

Het is maar goed dat Nederland geen supermacht is. Crisismanagement in oorlogstijd blijkt niet het sterkste punt. Zelfs Wim Kok houdt het hoofd niet meer koel en rijgt de ene strategische blunder aan de andere.

De kracht van Wim Kok is altijd geweest zijn talent om zich op strategische tijdstippen onzichtbaar te maken. Kok is een kame leon, neemt in momenten van gevaar de schutkleuren aan van zijn omgeving, en is pas weer zichtbaar wanneer de dreiging geweken is. Anderen vangen intussen de klappen op.

Het is een beproefde methode waarmee Kok heeft kunnen uitgroeien tot een internationale superster, de gelijke van grootheden als Bill Clinton en Tony Blair, zij het dat zijn naam in het buitenland pleegt te worden geschreven als «Kim Wok», zodat half Amerika nog steeds in de hardnekkige veronderstelling verkeert dat hij de president is van Noord-Korea.

Sinds 11 september 2001 heeft de methode-Kok echter zijn glans verloren. De grote verdwijntruc functioneert niet meer. Wat eens Koks grote kracht was, is nu zijn zwakste plek.

Aanvankelijk leek alles goed te gaan. Terwijl zijn minister van Defensie direct na het bekend worden van de aanslagen op het WTC en het Pentagon als een paranoïde kangoeroe door het Binnenhof stuiterde en onmiddellijk «een nieuwe Koude Oorlog» uitriep, hield Kok het hoofd koel en kwam hij met enkele adequate gemeenplaatsen. Het was de premier vooral te doen om een «waardige reactie»; de kalmte bewaren stond voorop.

Tot zover was er geen wolkje aan de lucht. Met alle emoties verbonden aan de oudtestamentische gruwelbeelden van de brandende torens in New York, was Koks koele reactie niet de meest empathische, maar tegelijkertijd deed zijn distantie weldadig aan. Als het aan de meeste Nederlandse commentatoren had gelegen, had het Midden-Oosten vorige week al met een nucleaire winter gekampt.

Het ging echter mis toen de Amerikanen artikel 5 van het Navo-verdrag operatief verklaarden. De VS interpreteerden de terreuraanslagen als een oorlogsdaad en president Bush trok alle Navo-lidstaten — inclusief Nederland — zonder nader consult mee in wat hij al snel «een kruistocht» ging noemen. De boodschap uit het Witte Huis stond volkomen haaks op de woorden van Kok, en de vraag was dan ook hoe de premier zich uit deze onmogelijke spagaatstand zou bevrijden.

Enige dagen bleef het doodstil in Den Haag. Naar vertrouwd recept werd er vooral gewerkt aan de interne pacificatie, die van Koks PvdA in de eerste plaats. Net als in 1999 tijdens de Navo-bombardementen op Belgrado en Kosovo slaagde de PvdA-fractie erin de gelederen geluiddicht gesloten te houden, zij het dat de afgevaardigde Bert Koenders zich ontpopte als een dissident en aandrong op een kamerdebat over de ontstane schemertoestand. Kok draaide zich in alle bochten om onder zo'n debat uit te komen en achter de schermen kreeg Koenders er flink van langs van zijn fractieleider Melkert. Ondertussen kwam Prinsjesdag eraan — D-Day voor Kok, want dan werd het staatshoofd geacht de troonrede uit te spreken. Als Nederland dan inderdaad in oorlog was, kon ze daar toch moeilijk aan voorbijgaan.

Wat volgde was zonder twijfel het absolute dieptepunt uit Koks carrière als vader des vaderlands. Alles wat fout kon gaan, ging fout. Het grote probleem was de troonrede. De ultieme deadline naderde, en Kok bleef puzzelen op de formuleringen die hij moest wijden aan het ontstane mobilisatiegevoel. Weer koos hij instinctmatig voor het meest gedempte effect. De wereldbrand kreeg welgeteld één alinea in het herschreven stuk, al was het dan wel meteen de aanhef. De gekozen bewoordingen waren weer uiterst neutraal: «Deze aanslagen tegen de menselijkheid doen ons beseffen hoe kwetsbaar ons aller bestaan is», liet Kok Beatrix zeggen. «Nauwe internationale samenwerking is noodzakelijker dan ooit om de fundamentele waarden van vrijheid, democratie en rechtvaardigheid te verdedigen.» Opnieuw bleef in het midden of Nederland in oorlog was of niet.

De druk op de premier nam echter hand over hand toe. Gefluisterd werd dat Colin Powell de premier hoogstpersoonlijk had opgebeld met een dringend beroep meer zijn tanden te laten zien. De neutraliserende vaagheid van de troonrede zou in Amerikaanse ogen zeker niet volstaan. Nederland moest kleur bekennen.

En zo verloor Kok zijn politieke cool. Een dag voor Prinsjesdag gaf de premier een persconferentie waarin hij een toelichting zou geven op de troonrede. Het ging om een informele sessie, waaruit de media niet letterlijk zouden mogen citeren, zo had de Rijsvoorlichtingsdienst vooraf verordonneerd. De premier, duidelijk geagiteerd, schoot bij deze gelegenheid gierend uit de slof. In fel contrast met de bewoordingen die hij in de nog uit te spreken troonrede had geformuleerd, kwam hij nu opeens met een dramatische oproep tot algehele mobilisatie in wat nu toch weer luid en duidelijk een «oorlog tegen de terreur» heette. Al het pathos dat uit de troonrede was gebannen, kwam nu in een lang aanhoudende donderpreek voor het voetlicht.

Wellicht voelde Kok zich veilig vanwege het afgekondigde citaatverbod, een vertrouwen dat volkomen ongefundeerd bleek toen het anders zo gezagstrouwe ANP onmiddellijk na het optreden een bericht op de telex zette met alle dramatische hoogtepunten van de apocalyptische tirade woordelijk op een rij. De rest van de pers volgde, zodat alle kranten op de ochtend van Prinsjesdag openden met de krijgshaftige bewoordingen van de premier. Die middag zat Beatrix er in de Ridderzaal maar een beetje voor spek en bonen bij. Voor het eerst in de parlementaire geschiedenis was de troonrede al verouderd voordat ze uitgesproken was. Het volk bleef in verwarring achter. Wie moest men nu geloven: ’s lands eerste minister of de majesteit?

Het was het eerste teken dat Kok de controle kwijt was. En de schade werd nog erger. In middels was duidelijk geworden dat de islamofobe stemming die direct na de aanslagen al in de VS manifest was geworden, ook een Nederlandse bewerking kreeg. Een school voor islamitische kinderen werd in brand gestoken, van alle kanten in het land werden verontrustende incidenten tegen de geest van de multiculturele samenleving gemeld. Tot in de opiniepagina’s van NRC Handelsblad klonk de roep om een grote kruistocht tegen de heidenen.

In zijn fixatie op de verhouding met de grote broer Amerika zag Kok die ontwikkelingen op het eigen erf echter geheel over het hoofd. Terwijl de Amerikaanse president zich naar de moskee van Washington spoedde voor een urgente oproep aan alle Amerikanen hun islamitische landgenoten met rust te laten, bleef Kok Oost-Indisch doof voor de SOS-geluiden die uit de Nederlandse samenleving kwamen. De troonrede was een bij uitstek geschikt instrument geweest om deze onrustgevoelens weg te nemen. Dat Kok die kans niet benutte, zou zich in de daaropvolgende dagen wreken en was er het meest overtuigende bewijs van dat het kabinet zijn feeling voor wat speelde in de samenleving totaal had verloren.

Nu gaf Kok alle ruimte aan politieke onderbuikgevoelens. Uiterst zorgwekkend was bijvoorbeeld de mededeling van de Amsterdamse officier van justitie De Wit, die op 20 september in een interview met de Volkskrant met de ontboezeming kwam dat er in de hoofdstad al een «oorlogsdraaiboek» klaar lag. Op verzoek van burgemeester Cohen zouden leger en marechaussee worden ingezet wanneer de Navo-vergeldingsacties zouden leiden tot onlusten in Amsterdam, zo vertelde De Wit. Het was olie op het vuur van de collectieve massahysterie die zich van Nederland meester dreigde te maken. En weer greep Kok niet in.

Vorige week donderdag, tijdens de Algemene Beschouwingen, debatteerde de Tweede Kamer dan eindelijk over de «oorlogsverklaring» van de premier. Wederom slaagde de premier er niet in de juiste toon te vinden. In plaats daarvan projecteerde hij al zijn onvrede op de persoon van Paul Rosenmöller, die hij nog net niet van «on-Amerikaanse activiteiten» beschuldigde toen deze — terecht overigens — wees op artikel 100 van de Grondwet, dat wil dat de Tweede Kamer vooraf toestemming moet geven voordat Nederland zich in een gewapend conflict stort. Dat artikel werd direct na de val van de Berlijnse Muur in 1989 in de Grondwet opgenomen en is er natuurlijk niet voor niets.

De uitleg van Kok over zijn motivatie om dit artikel niet van toepassing op de huidige toestand te verklaren, behoorde wederom niet tot de schoonste momenten uit het leven van de binnenkort scheidende staatsman. In plaats van met argumenten, kwam hij met drogredenen, en waar die niet volstonden, reageerde hij met de beruchte kokkiaanse gramstorigheid, die moet maken dat iedereen bevreesd zijn mond houdt. Hetgeen dan ook geschiedde.

Kok kreeg zijn carte blanche, hoewel die van hem weer niet zo mag worden genoemd. «De regering regeert, de kamer controleert», zo sprak hij afgemeten. Dat is 150 jaar na Thorbecke niet bepaald een vooruitgang. Een geknevelde kamer is nooit reclame voor de parlementaire democratie, maar helemaal niet in het huidige geval van een dreigende wereldbrand.

Twee weken na dato tast de wereld nog altijd in het duister over aard en wezen van de aanslagen van 11 september. In Amerika lijkt nog steeds een informatiestop te bestaan ten bate van de totale mobilisatie. Belangrijke gegevens — zoals die van de zwarte dozen van de gekaapte vliegtuigen, voor zover niet al vernietigd — ontbreken nog steeds. Zelfs is nog altijd onduidelijk wie de aanslagen precies heeft uitgevoerd. Reeds drie van de mannen die door de FBI werden gepresenteerd als de daders, blijken in werkelijkheid nog in hun Arabische vaderland te verblijven en zeggen van niets te weten. Ook andere essentiële stukjes van de puzzel ontbreken of roepen vraagtekens op. Je moet er niet aan denken wat iemand als Oliver Stone er voor scenario van zou kunnen bakken.

Elk overzicht ontbreekt en zo is een oorlogsverklaring in dit stadium wel heel prematuur. Juist voor de trouwste partners van Amerika is behoedzaamheid nu cruciaal, al was het maar bij wijze van tegenwicht voor de — alleszins invoelbare maar daarmee nog niet verstandige — wraakzucht van Washington.