Premier jospe

Of de Franse regering na de komende verkiezingen nu geleid wordt door de gaullist Juppé of de socialist Jospin - het is om het even. De enigen die politiek bedrijven, zijn de nationalisten en de communisten. Gelukkig maar dat Frankrijk nog onafhankelijke intellectuelen kent.
‘HET EGOISTISCHE individualisme, het lompe kapitalisme en het simplistische superliberalisme van de jaren tachtig zijn achterhaald. We moeten het sociale en culturele bestel van Frankrijk vernieuwen.’

Nee, dit zijn niet de woorden van de Franse socialistenleider Lionel Jospin, maar van zijn directe tegenstander, de gaullist Alain Juppé. Als premier heeft Juppé de afgelopen twee jaar niets gedaan om het sociale en culturele bestel te vernieuwen - hij heeft het laten verkommeren. Het verschil tussen arm en rijk is toegenomen, de koopkracht is achtergebleven bij de inflatie en er zijn maar liefst 220.000 werklozen bijgekomen. Als Juppé de parlementsverkiezingen van 25 mei en 1 juni overleeft, dan geschiedt dat dus bij de gratie van een forse dosis cartesiaanse retorica.
Als verzachtende omstandigheid kan worden aangevoerd dat zijn voorbereidingstijd wel erg kort was. Toen president Jacques Chirac vorige maand de Nationale Assemblée ontbond, werd Juppé pas in een laat stadium in het besluit gekend. Hij schrok zich een hoedje omdat zijn populariteit net een historisch dieptepunt had bereikt: hij is de impopulairste premier sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat verklaart misschien waarom zijn publieke optreden welhaast delirische tegenstrijdigheden vertoont. Hoewel Juppé bij zijn aantreden in 1995 het beleid van zijn voorganger, de neoliberaal Edouard Balladur, als ‘catastrofaal’ kenschetste, opende hij zijn campagne met de verklaring dat rechts 'trots’ kan zijn op het beleid van de laatste vier jaar. In dezelfde redevoering pleitte hij echter voor een 'nieuw elan’, dat het verkokerde en ingesukkelde Frankrijk wakker moest schudden.
Hij riep onder meer op tot een 'bevrijding van de bedrijven’, alsof het Franse bedrijfsleven niet geniet van een ongekende bewegingsvrijheid op de gelijkgeschakelde Europese markt maar zucht onder een communistisch juk, opgelegd door de zieltogende Franse vakbonden. Als dat zo is, vraag je je af wat de rechtse meerderheid in de Assemblée (twee derde van de 577 zetels) de afgelopen vier jaar heeft uitgevoerd.
DE SOCIALIST Jospin doet in onwaarachtigheid niet voor Juppé onder. De PS-secretaris was jarenlang een trouwe volgeling van Mitterrand. Op het einde van Mitterrands presidentschap nam hij afstand van diens schandaalbeladen erfenis, om hem twee jaar geleden, in zijn hoedanigheid van presidentskandidaat, weer met verve te verdedigen.
Op verkiezingstournee spreekt Jospin tegenwoordig ernstige twijfels uit over het Verdrag van Maastricht, dat hij in 1991 enthousiast begroette. Hij is namelijk fel gekant tegen een neoliberaal Europa, zegt hij - maar hij wil zich niet uitspreken over de wenselijkheid van een hernieuwde regulering van de Franse economie. Voor het blok gezet door de nationale pers, antwoordde hij dat de socialisten 'privatisering noch nationalisering’ nastreven. Het is dezelfde magische formule waarmee Mitterrand in de presidentscampagne van 1988 lastige journalisten op afstand hield. Jospin, die de kunst van de meester goed heeft afgekeken, heet in de volksmond niet voor niets le roi ni-ni ('koning noch-noch’).
Het lijkt wel of de leiders van alle grote Franse partijen sinds de aanvaarding van het Verdrag van Maastricht de weg kwijt zijn. Ze nemen elkaars leuzen over, verwerpen hun eigen beleid van voorgaande jaren en slagen erin om allemaal op elkaar te lijken. De communisten slaan ferme taal uit tegen illegale migranten in een poging om de naar rechts uitgeweken arbeidersstemmen weer voor zich te winnen. Daarentegen roept de leider van het Front National, Jean-Marie Le Pen, zijn achterban op om links te stemmen, omdat een rechtse meerderheid onder leiding van Chirac en Juppé op de aanstaande Eurotop in Amsterdam de Franse soevereiniteit zal verkwanselen.
Tussen de voornaamste rivalen, de Parti Socialiste en de huidige regering van gaullisten (RPR) en liberalen (UDF), bestaat nauwelijks verschil, concludeerde het dagblad Libération na een minutieuze vergelijking van de programma’s. 'Het “nieuwe elan” van de coalitie is alleen maar meer van hetzelfde, namelijk datgene wat Juppé nu al twee jaar doet en waar de publieke opinie zo ontevreden over is. De socialisten accepteren op hun beurt in alle opzichten de vrije-markteconomie. Ze overwegen geen nieuwe nationalisaties, noch een uitbreiding van de rechten van werknemers. Ze betwisten de vrijhandel noch de liberalisering van de geldmarkten (die ze zelf in gang hebben gezet)’, aldus politiek redacteur Laurent Joffrin.
De armoede van het politieke taalgebruik is navenant. Le Monde Diplomatique voorzag de lezers deze maand van een zakwoordenboekje voor de campagne. Bij het lemma 'toekomst’ geeft de krant de volgende definitie: 'Iets vaags waarvoor je “kiest”, ook al overkomt het je vanzelf.’
Het einde van de politiek, dat zich tijdens de presidentsverkiezingen van twee jaar geleden al aankondigde, lijkt nu werkelijk ophanden. De ideologische verkleedpartij loopt uit de hand, rechts is links en links is rechts geworden. Het Franse politieke debat mist iedere inhoud, niet alleen doordat de standpunten slechts tijdelijk, gradueel of schijnbaar van elkaar verschillen, maar ook doordat het publiek er nauwelijks warm voor loopt. Er is sprake van een politieke matheid zoals de Fransen nog nooit eerder hebben vertoond. Gedurende tweehonderd jaar is Frankrijk de bakermat geweest van talloze vurig beleden idealen: van republikanisme, gaullistische grandeur en proletarische anarchie tot en met het herstel van de monarchie en de wedergeboorte van het katholicisme onder de hoede van ultramontaanse kardinalen uit de Vendée.
Van al die idealen is weinig meer over. De gaullisten belijden hun gehechtheid aan bloed, bodem en traditie alleen nog op zondag, de rest van de week vergaderen ze over de opheffing van de franc en de uitverkoop van de laatste nationale industrieën. Het Franse socialisme is ten tijde van Mitterrands veel te lange bewind tenondergegaan aan machtsmisbruik, corruptie en twijfelachtige zelfmoorden. De radicalen van weleer hebben het universitaire pluche veroverd; de populaire verbeelding, sinds '68 nimmer echt aan de macht gekomen, verliest zich in Minitel-seks, ecologisch sektarisme en de roep om legalisering van drugs. Wat dat laatste betreft: Jospins suggestie voor een gedoogbeleid voor softdrugs naar Nederlands voorbeeld was de enige avontuurlijke oprisping in de campagne tot nog toe. 'Ik heb ooit een joint gerookt in Amerika, samen met een jonge vrouw, en ook een keer in Frankrijk’, voegde hij er ondeugend aan toe. Je zou wensen dat hij er nú een opstak, en Chirac ook - dan viel er tenminste nog wat te lachen.
OFFICIEEL is de Nationale Assemblée ontbonden met het oog op de aanstaande Europese besluitvorming, in het bijzonder de invoering van de euro. In zijn begeleidende redevoering zei Chirac: 'De aanvaarding van de eenheidsmunt is onontbeerlijk als we onszelf willen bewijzen als economische en politieke grootmacht, op één niveau met de dollar en de yen.’ De verkiezingen zijn dus bedoeld als een verkapt plebisciet over de euro. Maar in Frankrijk kunnen parlementaire verkiezingen niet dienen als plebisciet over enig onderdeel van het buitenlandbeleid, om de eenvoudige reden dat de president dat beleid bepaalt. Stel dat Jospin de meerderheid behaalt, dan zal hij met Chirac moeten samenwerken in een zogenaamde cohabitatieregering. In dat geval blijft Chirac het Europa-beleid voor zijn rekening nemen, terwijl Jospin de binnenlandse politiek bepaalt. Een fundamentele Europese koerswijziging is dus uitgesloten, ook al zou Jospin een overwinning à la Tony Blair behalen en vervolgens de euro willen blokkeren. Hij kan hooguit de onderhandelingen vertragen en hopen dat Duitsland de Emu-criteria niet haalt, zodat deze versoepeld moeten worden.
Daar komt bij dat de voornaamste besluiten over invoering van de Emu al in 1991 zijn genomen. Ze liggen vast in het Verdrag van Maastricht. Elke Franse politicus staat voor de keuze om zich daarbij neer te leggen of een Europese crisis te forceren. Chiracs werkelijke reden voor het uitschrijven van de verkiezingen is dan ook een andere. Om aan de criteria voor de euro te voldoen zal de Franse overheid dit jaar drastisch moeten bezuinigen. Zoniet, dan wordt het Maastricht-criterium voor het begrotingstekort - ten hoogste drie procent van het bruto nationaal produkt - niet gehaald. De verwachte begrotingstekorten voor dit jaar en volgend jaar zijn respectievelijk 3,8 en 4,5 procent. Verdere privatiseringen en bezuinigingen op de sociale voorzieningen, de pensioenen en het ambtenarenapparaat zijn dus nodig als Frankrijk wil meedoen met de munt.
Indien het huidige parlement de wettelijk toegestane periode zou volmaken - dat wil zeggen tot maart 1998 - zou rechts dank zij die bezuinigingsronde ongetwijfeld zijn meerderheid kwijt zijn. Chirac gokt erop dat hij, door nu verkiezingen uit te schrijven, die meerderheid kan veiligstellen tot het jaar 2002. De laatste opiniepeilingen wijzen uit dat dit inderdaad het geval is, ook al zal het een kleinere meerderheid zijn dan de huidige. En ook als links de overwinning behaalt, zal Chirac daar zijn voordeel mee doen. De aansluiting bij de Emu zal een linkse regering immers dwingen tot gelijksoortige bezuinigingen. Op die manier zullen zijn tegenstanders, althans in de ogen van het grote publiek, medeverantwoordelijk zijn voor de invoering van de euro, inclusief de daaruit voortvloeiende werkloosheid. En als Chirac het handig speelt, kan hij zelfs een eventuele mislukking van de eenheidsmunt aan de onwil van de socialisten toeschrijven.
DE FRANSE parlementsverkiezingen zijn dus de eerste anti-verkiezingen in de naoorlogse geschiedenis van Europa. Over de wezenlijke vragen kan de bevolking niet beslissen omdat ze buiten de orde zijn geplaatst. Het politieke debat verstomt echter niet, het duikt onder in de politieke illegaliteit. De anti-verkiezingen van Chirac versterken de anti-politiek van het Front National, dat zich opwerpt als de kampioen van het gezond verstand. Bij de presidentsverkiezingen van 1995 haalde Le Pen vijftien procent van de stemmen, ditmaal hoopt hij ten minste tien zetels te veroveren. In een districtenstelsel is dat geen geringe prestatie, maar de partij put moed uit de verkiezing van FN-burgemeesters in de steden Toulon, Marseille, Marignane en Orange. De peilingen voorspellen in elk geval electorale winst voor het Front. Paradoxaal genoeg veroorzaakt de populariteit van extreem-rechts een bewustwording van de huidige politieke impasse onder Franse intellectuelen. In kringen van les intellos ontspint zich een fascinerend debat over de verdiensten van extreem-rechts.
Geen land is zo versmaad om zijn intellectuele inteelt als Frankrijk. Toch is er alle reden om jaloers te zijn, juist omdat zijn opiniemakers, geheel conform het gebruikelijke verwijt, een eenzelvige kaste vormen. Ze zijn niet, zoals de Nederlandse commentatoren, verkleefd met het establishment en kunnen het politieke gewoel van enige afstand becommentariëren. Het gevolg van deze intellectuele vrijstelling is dat het failliet van de laat-twintigste-eeuwse politiek nergens zo grondig wordt geanalyseerd als in Frankrijk.
Kenmerkend is het protest van de intellectuelen die zich tijdens de presidentsverkiezingen in 1995 achter Chirac schaarden. De belangrijkste is de historicus Immanuel Todd, die destijds opzien baarde met zijn ouderwets aandoende maar rake klassenanalyse van het Franse stemgedrag. In plaats van de gebruikelijke links-rechtsverdeling onderscheidde hij een maatschappelijke onderlaag van werknemers, boeren en kleine middenstanders enerzijds, en een industriële en bestuurlijke bovenlaag anderzijds. De elite identificeerde zich met het neoliberale project van Maastricht. De gewone Fransman besefte dat hij van dat project weinig te verwachten had. Todd voorspelde dat Chirac de verkiezing zou winnen als hij erin slaagde deze kloof te overbruggen, hetgeen inderdaad geschiedde.
De gaullistische campagneleiding belegde een conferentie om Todds theorie te bestuderen, waarna Chirac ogenblikkelijk op de populistische toer ging en zich opwierp als bondgenoot van de modale Fransman in de strijd tegen werkloosheid en sociale uitsluiting. Chiracs 'inkeer’ gaf veel Fransen het gevoel eindelijk door een lid van de bestuurlijke elite begrepen te worden. Tegelijk zette Chirac zich af tegen de neoliberale regering van zijn rechtse rivaal Balladur, die het sociale klimaat in zijn ogen liet 'verschralen’, terwijl hij in de persoon van zijn linkse concurrent Jospin het 'hardvochtige’ Europa van Maastricht aan de kaak stelde. Deze anti-elitaire strategie bezorgde hem een beslissende voorsprong.
Vijf maanden na zijn overwinning liet hij zijn euroscepticisme echter varen onder druk van de Franse multinationals en zijn eigen ambtelijke top. Het sociale project van de gaullisten werd een échec, de president bekeerde zich tot de euro. In het jongste nummer van L'Express constateert Todd dat de politieke verweesdheid van de Fransen dank zij Chirac totaal is, zodat extreem-rechts des te harder kan toeslaan: 'Jaren tachtig: verraad van de arbeiders door de socialisten. Jaren negentig: afschaffing van de natie door de gaullisten. Het is een val in een bodemloze put. We zijn getuige van de doodsstrijd van de Vijfde Republiek, van het Europese bouwwerk.’
IN EEN OPEN brief in Le Monde Diplomatique voorspelt de voormalige 'mitterrandist’ Régis Debray een verhevigd obscurantisme bij het grote publiek. Een terugtrekking van de staat heeft in Frankrijk altijd geleid tot versterking van andere autoriteiten, zoals benden, kerken en sekten. Hoe krachtiger het geld regeert, hoe meer bisschoppen, imams en goeroes naar voren treden en hoe meer de republiek uiteenvalt in gemeenschappen van religieuze en racistische aard. Politicoloog Etienne Schweisguth onderbouwt deze stelling zelfs met een kiezersonderzoek. Daaruit blijkt dat de links-rechtsverdeling van het electoraat heeft plaatsgemaakt voor een verdeling in universalisme en anti-universalisme, waarbij Jospin voor het eerste en Le Pen voor het tweede staat. In deze verdeling staan de Franse arbeiders, boeren en employés dichter bij Le Pen, terwijl de zelfstandige beroepen en het midden- en hoger kader neigen naar Jospin.
Le Pen maakt zich tot woordvoerder van de angsten en aspiraties van de onderlaag, hij ontmaskert de oppervlakkigheid en hypocrisie van de andere partijen door te zeggen 'waar het op staat’. De socioloog Bruno Latour schreef onlangs in Le Monde dat Le Pen de enige leider is die nog werkelijk politiek bedrijft. Zijn collega Jean Baudrillard sloot zich daarbij aan met de constatering dat Le Pen de oorspronkelijke functie van links heeft overgenomen: hij neemt het rechtstreeks op tegen de elite en maakt zich tot spreekbuis van al degenen die zich uitgesloten en bedrogen voelen, en dat worden er alleen maar meer zolang de elite anti-politiek bedrijft. Door extreem-rechts alleen op morele gronden te veroordelen en er geen politiek alternatief tegenover te stellen, aldus Baudrillard, graaft links zijn eigen graf.