Premier kolkestein

‘VANNACHT OM HALF zeven waren we met de laatste opnamen bezig, die met het lijk op straat’, vertelt Frans Weisz, regisseur van Het jaar van de opvolging. ‘Het regende ook nog. Ik ben helemaal leeg nu. En kaal, want toen de scène erop stond heb ik me onmiddellijk door onze set-kapper laten knippen.

Ik heb vijf maanden met lang haar rondgelopen. Het is bekend: mijn bijgeloof dat je ongeluk over je afroept als je naar de kapper gaat tijdens het draaien. Een bijgeloof dat zijn wortels heeft in de Berlijnse cinema van de jaren twintig ofzo. Er werd op werkdagen gefilmd, en als je vrij had, waren ook de kappers vrij. Dus als er iemand van de crew geknipt rondliep, duidde dat op onheil: de hoofdrolspeler was dan ziek geworden, of de regisseur ontslagen. Of de filmopnamen waren af.’
Rituelen die de boze werkelijkheid moeten bezweren, zodat ze niet binnendringt in het domein van de kunst?
‘Ik was des duivels toen ik op de set kwam en zag dat iemand zijn haren had laten knippen. Prompt ging het die dag echt fout. Om zeven uur ’s ochtends stonden we op een locatie in Rotterdam, en toen bleek de toestemming ingetrokken om daar te draaien. Dat kòn geen toeval zijn.
En twee weken later gebeurde er weer zoiets. We draaiden in de Rai de benoeming van Gijs van Dorp tot lijsttrekker, zeg maar het Els Borst-moment, een scène met tweehonderd figuranten. En toen bleek dat het crewlid dat net zijn haar had laten knippen tegen honderdvijftig figuranten had gezegd dat ze naar huis konden - hij meende dat het klaar was. Ik dacht dat ik gek werd.’
Het regende vannacht, verzuchtte je. Je moest geen regen hebben?
'Nee! En als ik die had moeten hebben, had ik die liever zelf gemaakt. Al kost dat bergen extra geld.’
Jouw legendarische relatie tot de weerbarstige werkelijkheid. Voor je vorige film, 'Hoogste tijd’, had je Amsterdam het liefst helemaal in de studio nagebouwd.
'In principe probeer je de natuur te overwinnen, natuurlijk. Zo gauw ik in de realiteit terechtkom, leg ik het af. We draaiden een buitenscène bij het Torentje van Kok. Het was midden in de nacht, en waar normaal de Ford Scorpio van Kok staat, daar wilden wij nu onze Daimler uit de film neerzetten. Maar dan komt er zo'n bewaker aan en die zet zijn auto op de parkeerplaats, alleen om er voor te zorgen dat wij daar niet kunnen filmen!
We mochten zelfs het licht niet aandoen voor het aanzicht van het Torentje - het openingsshot van Het jaar van de opvolging, als premier Rahusen op oudejaarsavond zit te werken. Ik voelde me, vergeefs smekend om licht, als een bedelaar, een landloper die door de politie verwijderd moest worden. Terwijl iedereen die langs kwam, enthousiast deed. Wallage en Bolkestein. En Dijkstal zei: “O enig zeg, wat een goed idee.” Ik antwoordde hem: “Nou zegt het voort, want u bent volgens mij de enige hier die ons gedoogt.”
Pas op het laatst kregen we toestemming om de Ridderzaaldeur even open te doen, zodat de koningin naar binnen kon. Ik had gedreigd: als die deur dicht blijft, laat ik de koningin in de film gewoon aankloppen.
Voor de interieurscènes hebben we het Torentje in de studio helemaal nagebouwd, zoals we ook de hele Tweede Kamer hebben nagebouwd. Inderdaad, al hadden we er binnen mogen draaien, dan had ik het nog niet gedaan. Ik was heel blij met dat verbod. Nu konden we in onze Tweede Kamer fractiekamers bouwen op de plek waar in het echt de publieke tribunes zijn. Daardoor zien al die partijvergaderingen uit op het speelveld en is er altijd beweging op de achtergrond. De Kamer wordt gestofzuigd of iemand legt er stukken neer.
Ik heb een hele draaiweek ingeleverd om die Tweede Kamer te kunnen bouwen, want dat was niet begroot. Zei iemand: je kunt toch de oude Tweede Kamer voor de film gebruiken? Nee! We zitten immers in het jaar 2010. Ook al is dat alleen maar een excuus, een truc om te vermijden dat mensen gaan zeggen: die acteur lijkt niet op Bolkestein, of die lijkt niet op Kok. Het jaar van de opvolging gaat over niet-bestaande mensen, maar ik noem de premier voor mezelf Kolkestein, zoals zijn Partij van de Vrijheid een samenvoeging is van de PvdA en de VVD - met een iets sterkere VVD-kant.’
IS DE AANKLEDING van de film ook van nu? De auto’s, om maar wat te noemen?
'Ja hoor, het enige wat we gedaan hebben is de nummerborden van de auto’s wit maken. En ik wilde geen jeansstof, maar dat is om esthetische redenen. En er wordt in de hele film niet gerookt. O ja, De Groene Amsterdammer bestaat niet meer, en Vrij Nederland heet hier De Lijn. En de Volkskrant en De Telegraaf verschijnen in tabloid-formaat. Dat zijn de enige twee kranten.
Het script van Jan Blokker refereert gevoelsmatig eigenlijk meer aan de jaren vijftig dan aan de jaren tien van de volgende eeuw. Bijvoorbeeld de rol die hij aan de vrouwen geeft, of niet geeft. Ik heb zijn Maarten Oudgeest, fractievoorzitter van D'99, veranderd in Martine Oudgeest, zodat er in ieder geval één vrouwelijke lijsttrekker is. En dat was heus voordat Els Borst werd benoemd - de mensen moeten niet denken dat we het scenario hebben zitten aanpassen aan de politieke ontwikkelingen.
Als beginnend filmmaker mocht ik stage lopen bij Fons Rademakers’ film Makkers staakt uw wild geraas, naar het scenario dat eind jaren vijftig door Blokker was geschreven. De sfeer van Het jaar van de opvolging doet me sterk aan die film denken. De manier waarop Blokker een woning beschrijft, het burgerdom beschouwt, hoge naast lage cultuur plaatst.’
Hoe heb je de koningin en de kroonprins ingevuld? In het scenario doen ze erg denken aan de echte personen.
'De koningin wordt gespeeld door Marjon Brandsma. Ik merkte op de eerste draaidag met haar dat ze soms ontzettend leek op de echte koningin, vooral in silhouet. Ik betrapte mezelf erop dat ik zei: die wangen moeten nog iets ronder, ietsje meer appelwangen. En probeer eens wat langer te glimlachen. Terwijl het onzin is. De koningin in de film heet geen Beatrix, ze heet gewoon “majesteit”, of “de koningin”. Willem Alexander wordt gespeeld door Porgy Franssen, en die lijkt niet, godzijdank.’
Maar die schitterende monoloog van de kroonprins, daar herken je toch in tekst en gebaar Willem Alexander in?
'Ik heb wat onenigheid gehad over die monoloog. Kun je iemand van zichzelf laten zeggen dat-ie dom is? Want dat zegt hij tegen de minister-president: ik ben dom, en u weet het, en u bent te beleefd om het te beamen.
Iedereen doet ontzettend paranoïde over deze serie. En dat is alleen maar omdat de koningin erin zit. Okee, alle kans op een lintje heb ik met Het jaar van de opvolging wel verspeeld, maar ik denk dat hij heel mooi wordt. Aan het einde, wanneer het volk de kroonprins tot koning applaudisseert, wil ik toch dat er een soort emotie ontstaat, iets van: “Blijf met je vuile poten van onze vuile rotprins af.” Dan begrijp je ook beter dat beoogd regeringsleider Gijs van Dorp struikelt over zijn contacten met de republikeinen. Dat is zijn cruciale fout, zoals het de cruciale fout van Brinkman was om… enfin.’
Je staat bekend als de Fellini van de polder: een regisseur die verliefd is op de theatrale kanten van het leven. Die vond je in dit gegeven?
'Ja, dat is het enige waar het om gaat. Hans van Mierlo zei zo'n vijftien jaar geleden eens: “Frans, waarom maak je niet eens wat moois dat zich helemaal in politiek Den Haag afspeelt?” Omdat het me gewoon niet interesseert. Nog steeds niet. Het spel achter de politiek is leuk, en zulk theater vind je eerder in politiek Italië, of desnoods Engeland, dan hier. Maar Blokker laat het in Nederland ook die kant uitgaan. De film heet over politiek te gaan, maar hij gaat natuurlijk gewoon over het menselijk gedrag achter de stropdas.
Iedereen heeft het opeens tegen me over De mannetjesmaker. Ik vond dat een hele mooie film, waarin de treffende gelijkenis van een aantal acteurs met de verbeelde politici een ontzettend pluspunt was. Maar dat was een heel ander soort film, een echte case history uit het verleden, terwijl mijn film make-believe is, een sprookje met een boze stiefvader en een eerlijke prins en een lieve vrouw die het slachtoffer dreigt te worden.
Felix Rottenberg is mijn leidsman geweest bij dit project. Hij heeft de acteurs een ochtend helemaal begeistert met zijn verhalen over politici. Hij heeft voorbeelden van hun gedrag laten zien, ook tics en manieren waarop ze naar de microfoon lopen om nog even te scoren tijdens het vragenuurtje - al die non-verbale dingen. En misschien was het meest essentiële van wat Felix demonstreerde wel hoe een politicus door de media als een ballon kan worden opgeblazen en zichzelf kwijtraakt - zie Heerma, zie Brinkman.
Ik sta op het punt naar Italië te vertrekken, voor de opnamen van Aan den weg der vreugde - de bizarre realiteit is dat ik na tweeëneenhalf jaar wachten opeens twee projecten pal achter elkaar heb. Aan den weg der vreugde is Couperus’ kleine zusje van Langs lijnen van geleidelijkheid, een film die ik nooit van de grond heb gekregen. Ik ga nu voor het eerst een film maken over enkel passie, over wat zich achter het decor kan afspelen aan hartstocht en magnetisme tussen twee mensen.’
JE HEBT VOSKUILS 'Bij nader inzien’ verfilmd. Zou je ook 'Het bureau’ willen doen?
'Wie weet, maar dan zou ik er wel een dagelijks terugkerende soap van willen maken. Toen ik Voskuil voor het eerst ontmoette, raakte ik ontzettend op hem gesteld. Zoals hij in die kamer zat, met zijn vrouw en de poezen en alles, het had een kwaliteit waarvan ik dacht: dit wil ik zien in Bij nader inzien. Als ik dit mis, heb ik niks.
We moeten dat karakter van het boek en dus van hem met de grootst mogelijke egards en omzichtigheid behandelen. Dat had ik bij Harry Mulisch’ Hoogste tijd en bij Vestdijks Op afbetaling ook wel, en nu bij Couperus, maar bij Voskuil had ik dat sterker. Omdat er in het boek iets zat… nee, er zat iets in de màn. Er zijn door Blokker en De Winter nieuwe scènes voor Bij nader inzien geschreven die veertig jaar later spelen, aanvankelijk tot grote woede van Voskuil. Daarom wilde ik niet rommelen met dat verleden, zijn studententijd. Geen nieuwe dialogen dus, en verder zei ik tegen de acteurs: léés hoe hij een pijp laat stoppen, een sigaret laat opsteken. Daarnaast heb je Leon de Winter en Jan Blokker, en die mogen de hoofdpersoon best zelfmoord laten plegen, dat is allemaal de afdeling Modern, maar Voskuil is Voskuil.
Mijn angst is dat ik dingen te mooi maak in mijn films. Ik ben bang voor mijn esthetiserende kanten. Ik kan geen slordigheid verdragen in mijn films. Het is er altijd zo proper, zo verantwoord. Zelfs als ik met een kleine amateurcamera een privé-kerstetentje draai, merk ik dat ik toch maar weer eerst naar de kaars ga, en dan door de vlammen heen een gezicht opneem.
Toen ik in Rome op de filmschool zat, kwam ik op weg naar Cinecittà altijd door een achterbuurt. Zo'n buurt waar je het liefst met oogkleppen langs zou willen rijden, met van die lelijke jaren-vijftigbouw. Totdat ik Accattone zag, de eerste film van Pasolini, die daar was opgenomen. Ik was zo ontroerd door hoe mooi die buurt was in die film.
Er zijn een paar dingen die ik op mijn verlanglijstje voor een volgend leven zet: ten eerste wil ik zelf kunnen schrijven, en ten tweede wil ik zo met de werkelijkheid kunnen omgaan dat mensen na het zien van mijn films met heel andere ogen kijken naar plekken die ze kennen. Dat bewerkstelligen is de kracht van kunst.
Kijk om je heen, in dit restaurant: we zitten hier een beetje Edward Hopper te eten, vind je niet? Hopper heeft me geleerd het tafereel dat we zien mooi te vinden: die twee ruggen aan de bar, de manier waarop ze met die stokjes manoeuvreren in hun kommetjes. Hij heeft zo'n soort beeld met het perfecte licht en de perfecte vorm geschilderd.’
Maar ik zie jou nog niet filmen in een Romeinse achterbuurt, of in een gewone Nederlandse straat, waar de mensen met hun boodschappen door het beeld wandelen.
'De Admiraal De Ruijterweg, zeg maar. Nee, zo werk ik niet. Maar als ik word uitgedaagd door een script, heb je kans dat ik iets in die Admiraal De Ruijterweg ga ontdekken waar ik opgewonden van raak. Net zoals ik nu bij de Tweede Kamer het gevoel heb gekregen: ah, wat mooi! Op het moment dat onze camera achter de stoel van de voorzitter stond en begon te rijden langs de stenografen en de spreker, raakte ik ontzettend opgewonden. Want ineens doe je wat met die ruimte.
Als ik nu de Tweede Kamer op de televisie zie, denk ik: hé, dat is mijn set! Dan is het mijn Admiraal De Ruijterweg geworden, de straat waar je nooit doorheen wilde rijden - met excuses aan alle mensen die op de Admiraal De Ruijterweg wonen. Dan heb ik van de werkelijkheid een kunstwerk gemaakt door net dat eruit te lichten waardoor het de mooiste straat van de hele wereld is geworden. Wat ik ook verfilm, uit welke bron ik ook put: uiteindelijk wordt het allemaal mijn wereld.’
Een politiek koningsdrama
ah 'Elke overeenkomst met de werkelijkheid berust op toeval.’ Als deze clausule opduikt in de credits van een Nederlandse speelfilm, staan we te juichen. Het tegendeel wordt dan namelijk bedoeld: deze film raakt bewust aan de werkelijkheid. Hier worden gebeurtenissen en personages opgevoerd die ontleend zijn aan bestaande en vaak ook bekende situaties van recente datum. De al dan niet onder hun eigen naam verbeelde mensen leven mogelijk nog en met de aangehaalde formule moeten schadeclaims worden bezworen.
De naoorlogse Nederlandse geschiedenis is bepaald niet vaak het expliciete onderwerp van een fictiefilm, en de politiek nog minder. Ter vergelijking: in de Verenigde Staten kun je zelfs spreken van het genre 'eigentijdse presidentenfilm’, zoveel zijn er de laatste paar jaren gemaakt.
'Dat elke gelijkenis tussen deze personages en nu bestaande figuren op toeval berust, wil niet zeggen dat ook het politiek mechanisme dat in de serie zichtbaar wordt gemaakt geen analogie zou vertonen met enigerlei werkelijkheid.’
Zo wordt Het jaar van de opvolging aangekondigd, de nieuwe televisieserie van Frans Weisz. Scenarioschrijver Jan Blokker speelt in deze formulering met de overbodigheid van de clausule: vertoont immers niet elke speelfilm mechanismen die aan de werkelijkheid zijn ontleend?
Het jaar van de opvolging dramatiseert in vier delen een jaar uit het leven van twee 'kroonprinsen’, het jaar 2010. De arts-politicus Gijs van Dorp (volgens het scenario: 'familie al liberaal sinds Thorbecke’) wordt klaargestoomd om de PvdV, de Partij van de Vrijheid, te gaan leiden en vervolgens het land. En kroonprins Aernout ('een ietwat pafferige veertiger’) moet eindelijk zijn moeder gaan opvolgen. Maar de beide heren staan niet in de startblokken. Er zijn tegenkrachten: een vrouw, een gewetensconflict van letterlijk epidemische omvang. Maar ook worden ze gepusht: door een vrouw, door moderne sekten met connecties in het Koreaanse bedrijfsleven. Dan is er het gewijzigde politieke spectrum, met D'99 die de PvdV rechts heeft ingehaald, en met de ouderenpartij Kracht van Nederland, die een enorme winst dreigt te maken door de blunders van de traditionele partijen. En er is de cynische - en bejaarde - zittende premier Rahusen: 'Ouderen zouden moeten worden afgeschaft.’
Het hoeft niet te verbazen dat Blokker in dit dubbele koningsdrama meer dan een lijk uit de kast laat vallen.