Hoofdcommentaar: Balkenende

Premier zonder gezag

De snuffelstage van Jan Peter Balkenende is mislukt. Het minst demissionaire demissionaire kabinet uit de geschiedenis regeert alsof het een lieve lust is, maar heeft geen missie meer. Het is zelfs niet in staat nog eenheid te veinzen.

Waar maken we ons druk om? Er is wel iets meer aan de hand. De nakende oorlog tegen Irak, het gespartel van de Verenigde Naties, de kloof in de Navo, de fladderende Europese Unie, de ethische ontmaskering van topmanagers, de bodem van de schatkist, de politieke coming out van islamistische jongeren, de chaos op het spoor en uiteraard het trio «onderwijs, zorg en veiligheid». Afgezet tegen dit zware rijtje is de kwestie-Auch vederlicht.

Maar zo simpel is het niet. De onmin in de koninklijke familie weerspiegelt wel degelijk een politiek probleem. De constitutionele monarchie blijkt nog steeds last te hebben van een dode hoek. Tussen formele onschendbaarheid en feitelijke macht vertoeft de vorst in een grijze zone, een gebied dat zo groot of klein is als de verantwoordelijke premier toestaat.

Een maand heeft premier Balkenende dit op zijn beloop gelaten. Pas toen er niet meer viel te ontkennen dat de BVD onder meer bij de Sociale Dienst in Amsterdam op onderzoek was uitgegaan, werd hij wakker. De spin doctors in Den Haag proberen pas een week de schade met bezweringsformules te beperken. Het onderzoek van de BVD was conform de wet. Dat daarover heisa is ontstaan, miskent volgens de spin doctors dat de koninklijke familie moet worden beschermd tegen legio gevaren. Altijd liggen er charlatans op de loer. Van elke nieuwkomer moet dus een profiel worden gemaakt waarin niet alleen de perspectieven op liefde, maar ook de veiligheidsrisico’s zoals fysiek gevaar en chantage worden geanalyseerd.

Laten we ter wille van de zuiverheid van de redenering aannemen dat hierop niets is af te dingen, dat het de normaalste zaak van de wereld is dat de BVD en de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging in voorkomende gevallen mogen opereren als speciaal keurkorps. Laten we aannemen dat het verstandig is de justitiële dossiers van jonge dieven, die vanwege hun leeftijd nooit zijn veroordeeld, toch te bewaren, omdat je niet weet of de puberboef ooit tegen een prinses aanloopt en je dat dan moet kunnen laten lekken naar De Telegraaf. Laten we aannemen dat het logisch is wel aan grootvader prins Bernhard te rapporteren en niet aan moeder prinses Irene. Zelfs als dat allemaal vanzelfsprekend is, dan nog (of beter, juist dan) is de toestand zorgelijk.

Sinds 22 juli 2002 leidt Balkenende het Koninkrijk der Nederlanden: eerst 87 dagen als echte regeringsleider en daarna als nachtportier. Die acht maanden zijn geen succes geweest. Hij heeft zijn kabinet onder zijn ogen zien barsten. Hij is er niet in geslaagd minister Nawijn te disciplineren. En tussen alle bedrijven door wisselt hij ook nog eens van pet. De ene keer gedraagt Balkenende zich als volwaardig premier, de andere keer als partijleider en dan weer als twijfelende campagneman.

Tot nu toe is hem de hand boven het hoofd gehouden, omdat hij het vak nog moest leren en daarvoor tijd nodig had. Sinds vorige week is er echter geen reden meer de stage van Balkenende met de mantel der liefde te bedekken. De wijze waarop hij de zaak-Margarita behandelt, illustreert dat hij geen greep heeft op Algemene Zaken.

Bijna een maand is hij met een grote boog om de dossierkast «Oranje» heengelopen. En toen hij vorige week het woord vroeg, heeft hij zich in luttele dagen laten overrompelen, nota bene door zijn partijgenoot en biechtvader Piet Hein Donner. Diens excuusbrief — geschreven met Johan Remkes van Binnenlandse Zaken — is politiek gezien een dolksteek geweest. Met zijn brief aan de Tweede Kamer heeft Balkenende dat beeld allerminst ongedaan gemaakt. Hij verdedigt het verleden, maar wil het in de toekomst toch anders gaan doen. Zijn formele en materiële ministeriële verantwoordelijkheid zijn hopeloos door elkaar gaan lopen.

Twee vragen dienen zich aan. Heeft Balkenende na de eerste publicaties in HP/De Tijd en Stern bij zijn secretaris-generaal Wim Kuijken aan de bel getrokken, een man die sowieso als een spin in het web zit omdat hij eerder ambtelijk chef was bij Binnenlandse Zaken en zijn echtgenote sinds vorig jaar adviseur is van prinses Máxima? En heeft Balkenende de moed opgebracht de zaak meteen aan te kaarten tijdens zijn wekelijkse overleg met Hare Majesteit? Kennelijk is het antwoord nee. De verhouding tussen premier en vorstin is daarmee bepaald. Zoals Milan Kundera ooit heeft aangetoond in De ondragelijke lichtheid van het bestaan: het karakter van een liefdesrelatie wordt in de eerste etmalen vastgelegd, daarna is er niets meer aan te doen. Met machtsrelaties is het amper anders.

Twee conclusies lijken onvermijdelijk. Ten eerste: Balkenende kan niet op meerdere borden tegelijkertijd schaken. Hij gedraagt zich als een wetenschapper die lijstjes afvinkt en niet als een politicus die ogen in zijn rug moet hebben. Ten tweede: Balkenende is gepreoccupeerd door zijn zwakke kanten (snel crisismanagement) en heeft geen greep op zijn eigen ambtenaren.

Rest er nog één probleem: hoe vaak kan een minister ontslag aanbieden? Slechts één keer. Zeker een premier kan geen voorbeeld nemen aan Heintje Davids.

Demissionair premier Balkenende is maar één gebaar gegeven: hij kan het premierschap van het CDA/PvdA-kabinet waaraan wordt getimmerd overlaten aan Donner. Dan slaat hij twee vliegen in één klap: opzij stappen doet recht aan de werkelijke machtsverhoudingen in het CDA en het verlost hem van zijn mislukte stage in het torentje.