President vladimir iljitsj zjoeganov

Rusland maakt zich op voor de presidentsverkiezingen van 16 juni. Oude communisten, nieuwe communisten, roodbruine nationalisten en democraten - ze zijn allemaal van de partij. Gennadi Zjoeganov lijkt de beste papieren te hebben. Wordt dat chaos of marcheren? Een special over de Rode Tsaren.
HIJ IS EEN HOMO SOVIETICUS, het nieuwe type mens dat vooral in de sovjetbureaucratie kon opbloeien. Hij houdt van sport en van klassieke literatuur, hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Als telg van een familie van leraren werkte hij als leraar op lagere en middelbare scholen. Zijn vakgebied - de marxistisch-leninistische filosofie - stuwde hem omhoog naar het sovjetwalhalla: de partijpropaganda-afdeling van het Centraal Comite. Toen in 1990 in een nationalistische opwelling een aparte Russische communistische partij (KPRF) werd opgericht - de overige republieken hadden er reeds een - sloot Gennadi Zjoeganov zich daarbij aan. In september van datzelfde jaar werd hij gekozen in het Politburo en in het secretariaat van de nieuwe partij - en daar wierp hij zich al snel op als partij-ideoloog.

Mede door zijn toedoen ontpopte de KPRF zich als fel tegenstander van de perestrojka. Zjoeganov zelf profileerde zich met een open brief aan Gorbatsjovs naaste adviseur, Aleksandr Jakovlev. Daarin zegde hij het vertrouwen op in de sovjetleiding en kraakte hij de pogingen tot vernieuwing: ‘Wat we nu zien in de samenleving is vergelijkbaar met de Burgeroorlog of Hitlers invasie van fascisten. Maar zelfs het fascisme was niet in staat rivaliteit te veroorzaken tussen generaties, vaders en kinderen, stedelingen en dorpelingen, terwijl dat nu een bitter en tragisch feit in onze realiteit is geworden.’
Zijn kritiek verwoordt Zjoeganov bij voorkeur op patriottische wijze. In juli 1991 zette hij zijn naam onder een nationalistische oproep om het land te redden. Twee van de mede-ondertekenaars poogden een maand later Gorbatsjov af te zetten; Zjoeganov hield zich afzijdig. Na de coup en het daaropvolgende verbod op de communistische partij riep Zjoeganov eigen nationalistisch-communistische organisaties in het leven en zocht hij contact met andere Jeltsin- oppositionelen. Hij werd medevoorzitter van het resulterende roodbruine Front van Nationale Redding. Bij het conflict dat ontstond na Jeltsins verbod van ook deze organisatie en de daaropvolgende confrontatie tussen parlement en president in 1993, bleef Zjoeganov echter opnieuw aan de zijlijn staan.
Zo niet in februari 1993 - Zjoeganov werd gekozen tot partijleider van de inmiddels weer toegestane communistische partij. In de parlementsverkiezingen die volgden op Jeltsins ontruiming van het parlement deed de partij het boven verwachting goed, al vergaarden Zjirinovski’s nationalisten de meeste stemmen. In de verkiezingen van 1995 draaiden de rollen zich om: de herrezen communisten wonnen.
NA DE VERKIEZINGEN van 1995 wijzigde Zjoeganov zijn houding jegens Zjirinovski en ontzegde hij hem - met een schuin oog op diens roodbruinige achterban - het lidmaatschap van het anti-Jeltsin front. Hij stelde dat de partij de 'echte patriotten’ reeds van Zjirinovski had losgeweekt. De rest zou volgen: 'Onze taak is om deze mensen te helpen een juist begrip te krijgen van wat er plaatsvindt en ze los te weken uit de tang van verfijnde demagogie.’
Zjoeganovs interesse in Zjirinovski’s kiezers heeft alles te maken met de aanstaande presidentsverkiezingen. De winst van de KPRF van december 1995 kwam niet van de democraten - die wonnen zelfs een beetje - maar van ex-Zjirinovksi-sympathisanten, plus teleurgestelden in de linkse agrarische partij en Russen die in 1993 niet hadden gestemd. De doelgroep van beide leiders is dan ook vrijwel identiek. In hun beider achterban vormen stemmers met weinig scholing het zwaartepunt: 51 procent van de kiezers stemden in 1995 op Zjirinovski, en vijftig procent van de kiezers op Zjoeganov. Dat impliceerde ook dat meer dan de helft van hun kiezers een laag inkomen hebben, waarbij Zjirinovski de allerarmsten aan zich wist te binden. Beide leiders trokken weinig stemmen van Moskovieten, ondernemers en specialisten - driekwart van hun aanhang was arbeider of gepensioneerd.
Zjoeganov zou met alleen de KPRF-aanhang uit 1995 slechts tot de helft van het aantal stemmen komen dat nodig is om president te worden: vijftien van de dertig miljoen. Zelfs als hij de ruim zeven miljoen stemmen die de overige communisten vergaarden voor zich zou winnen, zou hij te kort komen. De ontbrekende miljoenen zal Zjoeganov echt van Zjirinovski af moeten snoepen - een harde kern van zes tot acht miljoen Russen. Als co-vertegenwoordiger van het provinciale kamp lijkt hij daarop te mogen rekenen, zeker wanneer Zjirinovski reeds na de eerste ronde zou worden uitgeschakeld en Zjoeganov moet uitkomen tegen Jeltsin, die van oudsher geldt als de exponent van het Moskouse kamp.
Jeltsin richt zich in zijn campagne echter plotseling ook op de provincie: hij neemt ferme sociale besluiten en slaat nationalistische taal uit. Indien hij die imago-verandering geloofwaardig weet te maken, zal Zjoeganov het nog moeilijk krijgen. Zjoeganov toont zich echter niet ongerust.
WAT INDIEN Zjoeganov inderdaad president wordt? Volgt er dan 'een enorm bloedbad’, zoals hervormer Anatoli Tsoebais meent? Of 'gevaarlijke nieuwe experimenten’ en 'een radicale en erg gevaarlijke’ communistische golf, zoals hervormer Jegor Gajdar voorspelt? Volgens Zjoeganov niet natuurlijk: 'De communisten zijn niet van plan om terug te gaan naar het socialisme, maar om vooruit te gaan naar het socialisme.’
En die weg mag niet gewelddadig zijn, maar democratisch. Zjoeganov lijkt te flirten met een soort sociaal-democratie en vertelt hier en daar gecharmeerd te zijn van het Zweedse socialisme.
Zjoeganov hamert erop dat zijn partij geleerd heeft van de fouten uit het verleden. Om te beginnen is er nu ruimte voor nationalisme en religie. Zjoeganov hecht grote waarde aan wat hij 'de Russische idee’ noemt: Russische spiritualiteit en Ruslands status als grootmacht. En het zijn de communisten die volgens hem die Russische spiritualiteit belichamen, evenals overigens de Russisch-orthodoxe kerk.
Dat Rusland op dit moment geen grootmacht is, schrijft Zjoeganov geheel op rekening van het Westen. Misbruik makend van Ruslands goedgelovigheid en het verraad van leidende politici, reduceert het Westen het land tot een grondstoffenkolonie. Zjoeganov mag IMF-bestuurders graag vergelijken met Gauleiters. Niettemin verzekerde Zjoeganov recent in de New York Times dat onder zijn bewind de voorwaarden voor Amerikaanse investeringen beter zullen worden.
Er is nog een groot verschil met de oude communistische partij: prive-bezit en markteconomie worden niet meer zonder meer afgewezen - Zjoeganov is slechts voor regulering ervan. Inderdaad, het weer nationaliseren van alle geprivatiseerde bedrijven, appartementen en stukken grond zou uitlopen op een burgeroorlog. Zjoeganov wenst dan ook - naast een toetsing van de wettigheid van de privatisering van losse bedrijven - een gemengde economie met staatsbezit van enkele 'sleutelsectoren’ als de defensie-industrie, de energievoorziening, het transport, het Hoge Noorden, maar ook 'de investering in de mens’: de opvoeding.
Een en ander is overigens niet zo nieuw meer. De KPRF heeft er toch moeite mee werkelijk afstand van het verleden te nemen. De KPRF-conferentie van april 1994 eiste 'een einde aan het zwart maken van de sovjetgeschiedenis en de herinnering aan en de leerstukken van V. I. Lenin’. De hamer en de sikkel blijven het partijlogo opsieren, maar hebben gezelschap gekregen van een boek als symbool voor de intellectuelen in de aanhang. Zjoeganov ziet ook continuiteit: 'De oude Communistische Partij had enorme hulpbronnen, en ideeen, de beste ideeen van de wereld - humanisme, broederschap, rechtvaardigheid. Wij nemen de beste ideeen uit de boedel over.’
Bij de overgenomen ideeen behoort ook de gevreesde partijdiscipline die vanaf het eind van de jaren twintig elk debat in de partij onmogelijk maakte: Zjoeganov staat op geen enkele manier kritiek vanuit de eigen gelederen toe. De druk op de redacteuren van Pravda is zo groot dat een enkeling hun ongenoegen in andere kranten uitten. Redacteur Aleksandr Golovenko onthulde dat reeds een journaliste ontslagen is wegens haar anti-Zjoeganov-houding en dat het moeilijker werken is onder Zjoeganov dan onder Gorbatsjov of onder Jeltsin. Golovenko is bang voor nieuwe zuiveringen: 'Als Zjoeganov aan de macht komt, zijn wij communisten de eersten die eronder lijden.’
OOK DE DEMOCRATEN hebben reeds een voorproefje gekregen wat er kan gebeuren onder president Zjoeganov. In de onderhandelingen in de Doema na de parlementsverkiezingen van december over de toewijzing van parlementaire commissies liet Zjoeganov aan de fractie van premier Tsjernomyrdin weten dat zij geen eisen te stellen had.
Over het algemeen verhardt zich de handelwijze van Zjoeganov en de zijnen tegenover niet-communisten. Lag tot de verkiezingen van december 1995 de nadruk op continuiteit en samenwerking, na de verkiezingsoverwinnig rept men steeds vaker van een naderende burgeroorlog. Zjoeganov interpreteert de winst van zijn partij ook als een versterkte polarisatie van de samenleving. De communisten kunnen de machtsstrijd nu nog niet in hun voordeel beslissen. De aanhang van de partij is nog te beperkt en Zjoeganov redeneert te veel in communistische schema’s: de KPRF steunt op conservatieve klassen en nog niet op vooruitstrevende krachten. Om te winnen zal zij de progressieven, technici en sociale wetenschappers warm moeten krijgen voor het communisme.
Als Zjoeganov president wordt, zal hij een begin maken met het drie-stappenplan uit het partijprogram van 1995. De eerste stap bestaat uit het vormen van een coalitieregering en het werken aan Ruslands veiligheid en onafhankelijkheid. Radio en televisie onder staatstoezicht, zelfbestuur door arbeiderscollectieven, betere kansen voor Russische ondernemers en enkele nationalisaties. De burgers krijgen sociale rechten en werkenden ontvangen een aandeel in de rijkdom van het land. De tweede stap zal bestaan uit de overgang naar het socialisme door de herinvoering van de volksmacht in sovjets. De derde stap moet uitmonden in puur socialisme, in de klassieke zin des woords.
Het is kortom een weg die bijzonder veel lijkt op de oude sovjetideologie. Vladimir Iljitsj Lenin heeft het allemaal reeds voorgeschreven. Zelfs het gebruiken van verkiezingen als vreedzame weg tot het socialisme is geheel conform Lenins aanbeveling uit 1918: 'Wij zeggen: bij elke terugslag zullen wij, zonder af te zien van het gebruik maken van het burgerlijk parlementarisme wanneer de vijandige klassenkrachten ons op deze oude positie zouden terugwerpen - dat nastreven, wat door de ervaring gewonnen is - de sovjetmacht, het sovjetstaatstype.’