Pretentie, graag!

Karel van het Reve had het eens over een gebrek aan, wat hij noemde, ‘culturele pretentie’.

Als iemand een belangrijke naam liet vallen uit de wereldliteratuur, dan moesten de studenten daar iets over weten, of althans doen alsof ze dat wisten. Wie dat niet wist, schaamde zich.

Hij vond – rond 1980 – dat het aan die culturele pretentie schortte.

Zo denk ik wel eens dat het bij de huidige generatie politici schort aan ‘politieke culturele pretentie’.

Men weet wel wie Den Uyl was, maar men weet het niet echt meer. Men weet wel ongeveer wie Thorbecke was en wat hij wilde, maar dat ‘ongeveer’ is weinig.

Nu speelt mee dat ik al wat ouder ben en, omdat ik bij een krant werkte, het een en ander heb meegemaakt. Ik heb Lubbers en Bolkestein in mijn functie als verslaggever nog wel eens wat vragen mogen stellen, en ik heb wel eens met Van Mierlo wat tijd in het café doorgebracht. De ontstaansgeschiedenis van ‘Paars’ bijvoorbeeld heb ik van dichtbij gevolgd.

Wat er vooral nuttig is aan die culturele politieke pretentie is dat je in een conversatie twee voordelen hebt: je hoeft niet alles uit te leggen, en je kunt laten zien (of suggereren) dat je iets van het verleden hebt geleerd.

Ik zal een voorbeeld geven. In de ontstaansgeschiedenis van Paars is een moment geweest dat Bolkestein opeens met nieuwe eisen kwam, waardoor de boel, de formatie die al in een afrondende fase was, knapte, tot groot chagrijn van Wim Kok. Niemand wist destijds waarom dat was, alhoewel – moet ik eerlijk zeggen – bij ons op de krant meteen werd gesuggereerd dat Bolkestein (VVD) hiermee Wiegel (VVD) wind uit de zeilen nam. Wiegel wilde Paars niet en dat schreef De Telegraaf graag op. Door de formatie te laten knappen, had Bolkestein bij een nieuwe ronde opeens ruimte om Paars te laten ontstaan. Tactisch meesterlijk.

Als er nu een formatie is en die knapt, hoef je alleen maar te zeggen: ‘Tja, Bolkestein bij Paars’, en dan weet iedereen wat er aan de hand is, of zou dat moeten weten.

Als er nu een formatie is en die ­knapt, hoef je alleen maar te ­zeggen: ‘Tja, Bolkestein bij Paars’

Wat we van die Bolkestein bij Paars hebben geleerd is dat je soms moet breken om ruimte te scheppen.

Die kennis is er wel bij politicologen, maar niet bij gewone Kamerleden.

Nu zou je dat kunnen betreuren – en dat doe ik ook – maar het heeft ook iets moois: in een democratie moet je juist geen politicologen in het parlement en op de ministeries hebben. Het is een misverstand om daar lieden met verstand van zaken (economen, politicologen, juristen et cetera) te detacheren. Hoe gewoner, hoe beter. Het zijn de ambtenaren die de specialisten moeten zijn, maar de ministers zelf moeten uit het volk komen, net als de leden van het parlement.

Onlangs hoorde ik twee ‘topeconomen’ (Ewald Engelen en Lex Hoogduijn) verkondigen dat economie geen harde wetenschap is. Dat wist ik al, maar vond ik ook prettig.

Beide economen stikten van de economische culturele pretentie. Nu eens werd de Weense School geciteerd, dan weer Keynes, dan weer Hayek, dat was mooi om te horen. En je weet ook: of nu straks Ewald of Lex minister wordt, het maakt niet uit. Ze zijn gedwongen hun eigen ideologie te volgen en kunnen niet door de wetenschap op hun ongelijk betrapt worden. Ze zouden, denk ik, ook goed met elkaar kunnen samenwerken, in de politiek dan, juist omdat de economie geen wetenschap is. Over wetenschap kun je geen compromissen sluiten, over economie wel.

In de huidige vluchtelingendiscussie merk je dat gebrek aan politieke culturele pretentie.

Men refereert aan de joden en de Tweede Wereldoorlog, maar niet aan de jaren negentig toen we ook met asielzoekersstromen te maken hadden. Terwijl dat veel dichterbij is en beter vergelijkbaar.

Aantoonbaar gebrek aan politieke culturele pretentie.

Pretentie, graag!