De genante vertoning rond literatuurprijzen

Prijzenslag

De vorming van jury’s en de uitreiking van literatuurprijzen in het Nederlandse taalgebied leiden telkens weer tot een gênante vertoning.

Zomerdag van Bram Hulzebos, dat vond Karen de Boer dus helemaal niks. Een vernietigende recensie schreef ze erover. «Het valt me op», zegt ze aan de telefoon, «dat als je een extreem standpunt hebt, je makkelijker een recensie schrijft dan wanneer het niet duidelijk is of een boek goed of slecht is.» Karen de Boer was tot voor kort werkzaam bij de Algemene Rekenkamer. Toen Saskia Stuiveling, president van de betreffende instantie, het juryvoorzitterschap van de Libris Literatuur Prijs 2000 aanvaardde en aan haar ondergeschikten de opzienbarende oproep deed met haar mee te lezen, aarzelde De Boer geen moment. «Ik lees veel en graag. Er werden grote vrachten boeken Stuivelings kamer binnengedragen. Dat kan ze nooit allemaal lezen, dacht ik.» Of Stuiveling op momenten dat ze binnen de jury haar macht kon laten gelden, gebruik heeft gemaakt van de leesverslagen die de medewerkers haar per e-mail deden toekomen, kan de oud-medewerkster niet met zekerheid zeggen. «Het was wel zo dat als wij een aantal boeken negatief bespraken Stuiveling wel wist dat ze er verder geen aandacht aan hoefde te besteden.» Dat haar voormalige baas het voorzitterschap aanwendde om het gewone volk ook invloed te laten uitoefenen op zoiets heiligs als de literatuur, juicht De Boer alleen maar toe. «Ik vind het juist verfrissend dat ook mensen van buiten, mits redelijk opgeleid, de kans krijgen op deze manier de richting van zo'n prijs te bepalen. Uiteindelijk zijn wij toch de lezers.» De criticus en publicist Ed van Eeden, die met bescheiden regelmaat zitting neemt in jury’s van meer prestigieuze literaire prijzen, is verbijsterd over de manoeuvre van Stuiveling. «De voorzitter is er om cachet te geven aan een jury, om de boel fatsoenlijk te leiden. Hij of zij leest ook pas mee als de rest van de jury de longlist heeft bepaald. Dat Stuiveling vervolgens ongekwalificeerde medewerkers laat meelezen is merkwaardig. Wie garandeert mij dat Stuiveling op een moment van onenigheid niet met het rapportje van Sjaak van de postkamer heeft zitten zwaaien? Bovendien kan haar mening gebaseerd zijn op die verslagen, wat onacceptabel is.» Hoewel de nominaties van de Libris-prijs (Kees ’t Hart, Helga Ruebsamen, Stephan Enter, Erwin Mortier en Peter Verhelst) en de uiteindelijke winnaar (Thomas Rosenboom) wel uitwijzen dat het zo'n vaart niet heeft gelopen, vindt Van Eeden toch dat inspraak van de gewone man te allen tijde voorkomen moet worden. «Ik word ervoor betaald om een mening te hebben over boeken, en die ook te formuleren. Dan is het toch logisch dat ik zitting neem in zo'n jury? » De jaarlijks te vergeven cpnb-publieksprijs, waarvan het winnaarshonorarium slechts een bescheiden vijftienduizend gulden bedraagt, wijst uit welke kant het op gaat als literaire waarde democratisch wordt bepaald. Het publiek bekroonde in voorgaande jaren onder anderen Connie Palmen, Anna Enquist, John Grisham en Tessa de Loo - niet bepaald auteurs die om goede verkoopresultaten verlegen zitten of wegens literatuurvernieuwing een steuntje in de rug verdienen. Het lijkt dus goed dat juryleden van de vier toonaangevende literaire prijzen in het Nederlandse taalgebied (de Libris Literatuur Prijs, de Ako Literatuurprijs, De Gouden Uil en de P.C. Hooftprijs voor Letterkunde, met prijzen rond de ton) worden geronseld in kringen van deskundigen, waartoe critici en collega-auteurs worden gerekend. Een steekproef leert dat bepaalde critici zich wel heel frequent bemoeien met de toekenning van een literaire bokaal, waarvoor zij per juryronde gemiddeld zo'n tienduizend gulden opstrijken. Zo had NRC-columniste Elsbeth Etty de afgelopen vijf jaar meer dan eens zitting in zowel de Libris-prijs en De Gouden Uil als de P.C. Hooftprijs (dit jaar doet ze er de Busken Huet-prijs en de VSB Poëzieprijs bij). Directeur Henk Pröpper van het Institut Néerlandais is niet weg te branden uit de jury van de Ako-prijs, die in 1996 overging in de Generale Bank Literatuurprijs maar vorige week weer het vertrouwde Ako-label kreeg. Pröpper was vanaf 1995 elk jaar van de partij. NRC-critica Janet Luis (tevens bestuurslid van de volop prijzen toekennende Jan Campert-stichting), Marcel van Nieuwenborgh van De Standaard en biograaf Willem Otterspeer beschikken eveneens over stevig Ako-zitvlees. Cicero-chef Aleid Truijens zat de afgelopen twee jaar een tijdlang zelfs gelijktijdig in De Gouden Uil- en de Ako-jury. Volkskrant-criticus Arjan Peters vindt het onverstandig wanneer een recensent opeenvolgende jaren in een of meer jury’s zit. «Je wekt dan toch de indruk dat je er in bent gaan zitten om een bevriende auteur aan een prijs te helpen. Te veel optrekken met collega-juryleden leidt ook alleen maar tot gezapigheid. Bovendien, als je het elk jaar doet, kun je een weerzin ontwikkelen tegen wat er in zo'n jaar allemaal te veel wordt geproduceerd. Je raakt afgestompt. Op het eerste gezicht slechte boeken laat je meteen maar helemaal zitten, geconcentreerd als je bent op je eigen voorkeur.» Omdat de grote prijzen kiezen voor een jury van deskundigen en het aanbod van die deskundigen gering is, ligt het gevaar van literatuurnepotisme permanent op de loer. Tegenstanders van dit jurysysteem wijzen graag op de Ako-bekroning in 1988 van Geerten Meijsings Veranderlijk en wisselvallig, waarbij zus Doeschka in de jury zat (later verklaarde zij zich bij de stemming te hebben teruggetrokken). Tevens wordt gerept van de dubbele agenda van Querido-redacteur Tom van Deel, die in 1996 vier boeken uit zijn eigen fonds tot de zes nominaties wist te laten doordringen. Uiteindelijk zou een ervan, Huldigingen van Kossmann, zelfs winnen. De laatste tijd doen juryleden er alles aan om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden. Zo kondigde Xandra Schutte aan terug te treden uit de Libris-jury van dit jaar indien De tweede man van levensgezellin Doeschka Meijsing genomineerd zou zijn. In dezelfde Libris-jury zat ook Jan Fontijn, wat zijn echtgenote Charlotte Mutsaers ertoe bracht haar Zeepijn niet in te sturen. Maar zelfs als van nepotisme geen sprake is, rest de vraag of de motieven van critici altijd even zuiver zijn. Van Eeden: «Als Mulisch wordt genomineerd, vindt menig jurylid, moet Mulisch ook winnen. En omdat ze nooit zeker weten of hij wint, nomineren ze maar iemand anders. Of ze zeggen: Van der Heijden doen we niet, want het is het vijfde boek in een cyclus, wat ook Voskuil is overkomen. Of ze zeggen: deze auteur mag niet winnen omdat hij al eens eerder heeft gewonnen. Dat zijn argumenten die ik hoor als ik in jury’s zit. Zo'n waanzin! Je zit daar goddomme toch om het beste boek te bekronen?» Wat daarbij helpt is principieel blijven. Een zichzelf respecterend criticus, meent Van Eeden, zal altijd vasthouden aan het oordeel dat hij in zijn medium eerder al over het betreffende boek of auteur heeft uitgesproken. «Als een jury waarin ik zitting heb een boek gaat bekronen dat ik eerder in een recensie heb neergesabeld, dan stap ik eruit. Ik ga Jan Siebelink of P.F. Thomése toch niet zo'n prijs geven? Ik zou vo lstrekt ongeloofwaardig zijn.» Van Eeden tekent aan dat eruit stappen vaak niet nodig is omdat bij de grote prijzen het jurylid het boek een zwaar negatief oordeel kan geven waardoor het de laatste selectie niet eens haalt. Van Eeden: «Bij Ako gaat het tot d maar ik heb zelfs wel eens een e uitgedeeld. En dan is het weg.» Dit systeem kan ook tegen je werken. «Ik vind boeken van Brusselmans goed. Die halen het nooit omdat er altijd wel een Brusselmans-hater bij zit. Tegenover mijn a staat dan een d. Dan kan Brusselmans het vergeten.» Daarom ook zijn de grote literaire prijzen altijd compromissen. «Aan de besprekingen kunnen we vaak al zien wat het eindoordeel gaat worden. Van der Heijden heeft gezegd: ‘O, daar zit Hans Warren, dus win ik niet.’ » Ook Arjan Peters geeft toe dat vaak van tevoren, op grond van reeds afgedrukte besprekingen, al na is te gaan welk boek als winnaar uit de bus zal komen. «Door de sterke meningen binnen de jury en de patstellingen die dat onherroepelijk tot gevolg heeft, komen er vaak compromisboeken uit naar voren. De passievrucht van Karel Glastra van Loon, die vorig jaar de Generale Bank-prijs won, is daar een typisch voorbeeld van.» Kenners wijzen erop dat de herinlijving, vorige week, van de Generale Bank-prijs door Ako mede ingegeven moet zijn door de keuze van vorig jaar voor Glastra van Loon. Toen Ako in 1996 afstand deed van de prijs, was dat omdat nominaties vaak te literair waren om in de kioskenketen verkoopbaar te zijn. Niet zelden moest er een apart plankje worden ingericht om de boeken überhaupt de winkel in te krijgen. Kennelijk meent de keten dat met de keuze voor Glastra van Loon een hoopgevend vulgariseringsproces is ingezet, waardoor winnaars en nominaties zelfs in de Ako-kiosk over de toonbank zullen gaan. Ondanks alle klefheid en voorspelbaarheid prefereert Arjan Peters een jury van deskundigen. «Gewone mensen laten jureren is nooit heilzaam. Ik zit het hele jaar boeken te lezen en te beoordelen. Dan ga ik toch niet zeggen: laat dat volk maar kiezen. » Peters’ aversie tegen een democratisch prijzenfestijn werd vergroot toen hij in 1994 in de Ako-jury zitting nam. Die jury had de opdracht de zes beste boeken te selecteren waarop het publiek in een live-uitzending van Sonja met omhooggestoken bordjes moest beslissen wie de winnaar werd. «Het was verschrikkelijk», herinnert Peters zich. Ook Ed van Eeden heeft de uitzending als een schrikbeeld voor ogen staan. «Een slager uit Zundert gaf een boek een één omdat hij het niet zo goed vond!» Het drama was compleet toen bleek dat het volk Nicolaas Matsier en Gerard Durlacher evenveel punten had toebedeeld. De auteurs waren reeds met elkaar overeengekomen dat ze het prijzengeld dan maar zouden splitsen toen de mededeling kwam dat reglementen uitwezen dat Durlacher winna ar moest zijn omdat hij meer «tienen» in de wacht had weten te slepen. Matsier hebben we nooit meer bij Sonja gezien. Een andere auteur die dankzij een prijs meer gehavend dan gelauwerd raakte, was A.F.Th. van der Heijden, die in 1997 door de Libris-jury met twee boeken werd genomineerd. Enkele spannende uren lang zat hij als gedoodverfde winnaar voor de camera’s te kijk om toch met lege handen huiswaarts te gaan. Toen hij vervolgens genomineerd werd voor de Generale Bank-prijs weigerde Van der Heijden aan tafel bij Hanneke Groenteman zijn lot af te wachten. Ze moesten hem maar komen halen bij een café om de hoek, hetgeen ook geschiedde, want Onder het plaveisel het moeras kreeg de hoofdprijs. Het recente initiatief van Stuiveling is volgens de critici niets minder dan een populistische toegift. «Laten we in godsnaam hopen dat dit geen trend gaat worden », zegt Peters. Maar hoe erg was het nu in werkelijkheid? Vrij Nederland-critica Xandra Schutte, die in de betreffende jury zat, geeft uitsluitsel. «Van populisme heb ik niks gemerkt. Stuiveling gaf juist blijk van een ontwikkelde smaak, wat toch anders was geweest als ze de meningen van al die medewerkers de boventoon had laten voeren. » Kwalijker vond Schutte het overijverige voorzitterschap van Jan Terlouw, in 1994 bij de Libris-prijs. «Hij heeft toen een boek doorgedrukt van Inez van Dullemen over indianen in Mexico.» Voorzitters die al te actief naar consensus streven - juryleden moeten er niets van hebben. Ruud Lubbers maakte zich twee jaar geleden bijzonder impopulair door met druk getelefoneer te pogen de jury eensgezind te krijgen. Hoewel Arjan Peters, destijds jurylid, dit niet kan bevestigen, moet hij een belangrijk doelwit van Lubbers zijn geweest. Peters had in de Volkskrant immers een keihard oordeel geveld over de De procedure van Mulisch. En hoewel deze de prijs uiteindelijk won, volhardde Peters ondanks alle politieke druk in zijn afwijzing. PvdA-senator Erik Jurgens toonde zich in 1989 een actieve voorzitter van de Ako Literatuurprijs. «Ik had graag Hélène Nolthenius bekroond voor Een man uit het dal van Spoleto. Dat stuitte op bezwaar van twee juryleden. Die zeiden dat het geen roman was. Ik vond het voldoende fictie en heb bezwaar tegen hun oordeel gemaakt. Daarop zijn ook de statuten veranderd.» Met juryleden als Jacq Vogelaar, Hannemieke Stamperius en Hans Warren had Jurgens niet het idee met een literair old boys network van doen te hebben. «Dit was overduidelijk geen kliek. Mijn inmengingen werden volkomen geaccepteerd.» Jurgens herinnert zich telkens gevraagd te hebben of iedereen voldoende onbevangen was. «Als dat niet zo was, zei iemand: 'Ik doe even niet mee want ik heb iets met die figuur.» Volgens Jurgens komt het de literatuur ten goede wanneer meer ongebonden intellectuelen van buiten in de jury’s zouden worden toegelaten. «Natuurlijk moeten er een paar experts in zitten die kunnen wijzen op tekorten waar wij als niet-kenners overheen zouden lezen. Maar als ik het voor het zeggen zou hebben, zou ik er meer erudiete mensen van buiten in zetten. Niet alleen schrijvers en recensenten.» De grote vier meegeteld en inclusief provinciale onderscheidingen als de Stellingwerfse Oolde Pook-pries, bestaan in Nederland meer dan honderd literaire prijzen met een totaal te verdelen bedrag van ver voorbij de twee miljoen. Hoe meer geld en aandacht voor literatuur, des te beter, lijkt alom het devies. De tegengeluiden die volop hoorbaar waren bij de introductie van de Ako-prijs in 1987 («Help, een commerciële literaire prijs in Nederland!») zijn geheel verstomd. Zelfs Willem Kuipers die in Bzzlletin van december 1995 nog tekeerging tegen al die «weerzinwekkende toptienen», verloochende zijn principes door in 1998 toe te treden tot de jury van de Libris Literatuur Prijs, een lichting overigens waarbij collega-jurylid Hermine de Graaf ondanks smartelijke huilbuien niet wist te voorkomen dat Voskuil de hoofdprijs in de wacht sleepte. Omdat uit vrees voor populisme een toeloop van leken wordt vermeden, zal het altijd wel een driftig vissen blijven in het toch al kleine vijvertje van deskundigen. Tenzij de nominatie-ervaringen in een roman worden verwerkt, zoals Joost Zwagerman, Geerten Meijsing en Arie Storm wijselijk deden, is het nog maar zeer de vraag of de literatuur gediend is bij telkens weer die gênante vertoning.