Elmore Leonard’s 10 Rules of Writing

Prikkeldraad en pikhouweel

In een nawoord in een paperback die je in 1985 voor drie dollar kon kopen, betuigt Elmore Leonard zijn liefde voor de western. ‘Als je zoals ik in Detroit woont, dan is dat misschien niet bevorderlijk voor het schrijven van westerns; er zijn hier geen stapels boomstammen of droge rivierbeddingen. Maar als je intens genoeg kijkt, dan zie je waar je je ook bevindt de ruiters aankomen met hun Winchesters en Colts, en dan zie je ze hun epische rollen vertolken in een tijd die nooit voorbij zal gaan.’

Elmore Leonard’s 10 Rules of Writing, € 15,50paperback, € 11,95
Raylan, € 12,95
Djibouti, € 18,95
Get Shorty, € 8,50

Leonards westerns bieden een sleutel tot zijn gehele oeuvre. Vanaf het begin vermengde hij de conventies van dit genre met die van de _hardboiled-_literatuur waar hij later in zijn carrière zo om geroemd werd. Zijn mannen zijn hard en tragisch, maar ook gewoon en deerniswekkend. Zijn vrouwen zijn fataal en mysterieus, maar ook herkenbaar en vertederend. Beiden spreken in authentieke staccato-zinnen die een bepaald ritme hebben. Otto Penzler, de New Yorkse publicist en een goede vriend van Leonard, noemt het een cadans die je het best kunt vergelijken met jazz.

Leonard, westerns, noir, jazz – een typisch Amerikaanse combinatie. Maar ook een die ver buiten de grenzen van dat land tot de verbeelding spreekt. Salvaje, een spoorzoeker van het Mimbre-volk, mijmert in Escape from Five Shadows over een witte gedetineerde, Bowen, die wil ontsnappen, maar die niet over lijken wil gaan om dat te bereiken. ‘Watch this man’, zegt de indiaan, ‘perhaps one might learn something from him.’

Wat dan? Wat laat Leonard ons precies zien in zijn werk? Het kan niet anders of het antwoord op deze vraag moet gelegen zijn in iets even universeels als ongrijpbaars. Leonard kent ons maar al te goed. Zijn personages zijn net als wij sukkels en nietsnutten, sloebers die aanmodderen als blinden in de woestijn, in droge rivierbeddingen struikelend over boomstammen, inderdaad epische rollen spelend alsof alles afhangt van het hier en nu.

Ze zijn constant in beweging. Escape from Five Shadows, uit 1956, gaat over een man die ten onrechte, puur vanwege zijn eigen onhandigheid, in een strafkamp ergens in de dorre omgeving van Yuma in het zuidoosten van Arizona belandt. Daar valt hij ten prooi aan een gewelddadige gang die niet alleen de leiding over de gevangenis heeft, maar ook bezig is de federale regering op te lichten door geld bestemd voor de gevangenen in eigen zak te steken. Dit is vintage Leonard, een blauwdruk voor latere, meer bekende en vaak verfilmde misdaadromans als Get Shorty (1990), Rum Punch (1992), Out of Sight (1996), Be Cool (1999) en Mr. Paradise (2004). Net als in deze romans worden de personages in Leonards vroege westerns voor een dilemma gesteld, en hun reactie hierop zal hun verdere levensloop bepalen. In Escape from Five Shadows moet protagonist Bowen besluiten of hij het gebruik van dynamiet een verantwoorde manier vindt om te ontsnappen. Zo zou hij zijn vrijheid terugkrijgen, maar tezelfdertijd zou hij het leven van zijn medegevangenen in de waagschaal stellen. Dat niet alleen: de vrouw van de directeur vraagt hem haar man te vermoorden voordat hij ontsnapt. Bowen heeft haar hulp nodig. Maar ten koste van zijn eigen integriteit?

Om duidelijk te zijn: Leonard doet niet zoiets banaals als ons laten zien hoe personages met een dilemma worstelen. Eerder schetst hij de wijze waarop personages keuzes maken in de vaste overtuiging dat die de juiste zijn. En vaak pakt dat rampzalig uit. Dat geeft hen iets tragisch, maar ook iets humoristisch, grenzend aan het sardonische.

In het korte verhaal The Tonto Woman, dat begin jaren tachtig verscheen, introduceert de verteller veedief Ruben Vega. Ooit zal die aan het einde van zijn leven tegenover een priester rekenschap moeten of willen afleggen over zijn al dan niet zondige leven. Maar zelfs dan, zegt de verteller, zal Vega zéker van zichzelf zijn. Want: ‘Ruben Vega knew himself, when he was right, when he was wrong.’ Dan volgt het verhaal, waarin Vega verliefd lijkt te worden op een beeldschone vrouw van het Tonto-volk die getrouwd is met een rijke veeboer. Ze is doodongelukkig. Omdat ze ‘indiaan’ is met een getatoeëerd gezicht. Omdat haar man haar niet als gelijkwaardig ziet. Omdat de setting het Amerikaanse Westen rond 1880 is. Vega zelf is… wat? Mexicaan? In ieder geval een ‘bearded man in a cracked straw hat with the brim bent to his eyes’.

Vega lijkt een karikatuur. Maar dan brengt Leonard een verschuiving aan van oppervlakte naar diepte, van plot naar psychologie, en wel met deze zin: ‘But look at my eyes, Ruben Vega thought. Let me get close enough so you can see my eyes.’ Hier toont de meester zich, de schrijver die bovenal geïnteresseerd is in de moraliteit van mensen die op het oog geen moraliteit hebben, die van dag tot dag leven, laverend tussen humor en melancholie in het grijze gebied tussen goed en kwaad. Blijf bij je man, zegt Ruben tegen de Tonto-vrouw. Hij zorgt voor je. En weet in ieder geval dat er niemand op de wereld is zoals jij. Waarop de Tonto-vrouw riposteert: wat moet ik met m’n leven, soms mannen toegang laten betalen om naar mij te kijken zoals jij, Vega, had gedaan toen we elkaar voor het eerst hadden ontmoet, soms tien cent per keer? Nee, zegt Vega, veel meer kun je vragen. ‘He left her there in the dining room of the Charles Crooker Hotel in Benson, Arizona – maybe to see her again sometime, maybe not – and went out with a good conscience to take some of her husband’s cattle.’