Prikkeldraadkunst

Moet je mensen de wereld wel als een bedorven taart in het gezicht smijten? Humor en ‘onderprikkeling’ is het enige dat de geengageerde kunst kan redden.
EEN TIJDJE GELEDEN hingen op bus- en tramhokjes grote affiches van gezichten met angstwekkend weggedraaide ogen. Alleen het wit was nog zichtbaar, wat de geportretteerden op zombies deed lijken. Volgens de maakster, fotografe Desiree Dolron, reflecteerden deze werken de afstomping door al het visuele geweld waarmee mensen tegenwoordig steeds maar weer worden geconfronteerd. Dat zou ze dus letterlijk ziende blind maken, in haar opinie.

Misschien zou het ook wel een knal-idee zijn om op alle bushokjes affiches te hangen met de tekst ‘Oorlog is niet o.k.’, met een kunstzinnig uitgevoerd kinderskeletje erbij. Dat komt er namelijk van als je oorlog voert: dood en verderf en kinderskeletjes. Iets wat iedereen weet, maar de meeste mensen zouden na het zien van die affiches waarschijnlijk net zo rustig doorgaan met friet eten, masturberen en andere dagelijkse dingen als na het zien van Dolrons affiches. Afstomping verander je niet door het simpelweg te tonen, of door er belerend over te zijn.
Er zijn in de geschiedenis natuurlijk een aantal kunstwerken te vinden die lijken aan te tonen dat geengageerde kunst best kan samengaan met vakmanschap en talent. Goya’s beroemde gravures, los Desastres de la Guerra bijvoorbeeld, of zijn zwarte schilderijen, waarvan de afbeelding van Saturnus als een krankzinnige oude man - zijn ogen groot en stralend van ontzetting, terwijl hij het bloederige lijkje van zijn kind afkluift - misschien wel het huiveringwekkendst is.
Of neem zijn beroemde Fusillade van de 3e Mei uit 1814, waarop een man in een eenvoudige witte kiel, wapperend als een witte vlag, zijn armen heft tegen het nachtlandschap van het schilderij, net voordat hij door Franse soldaten gefusilleerd gaat worden, terwijl terzijde al een aantal verse lijken ligt, zijn kameraden waarschijnlijk.
Deze werken worden steevast als schoolvoorbeelden van geengageerde schilderkunst aangehaald. Maar hoe houdbaar is dat idee als je weet dat Goya, die voorheen aan het Spaanse hof werkzaam was, in 1808, geleid door zijn liberale en verlichte ideeen, na de Franse invasie in Spanje eerst trouw zweerde aan Jose Bonaparte, en in 1811 zelfs een hoge onderscheiding van hem in ontvangst nam, maar nog geen jaar later weer het portret van Wellington, die aan het hoofd van de Engels-Spaanse troepen Madrid was binnengevallen, schilderde. En in 1814 dus, bij de terugkeer van de Spaanse Koning Ferdinand, dit vlammende protest tegen de Franse overheersers maakte. Wat is dan precies de boodschap van deze kunstwerken? Dat kunstenaars als een rammelend soort vreemdelingenlegioen overal inzetbaar zijn, misschien?
VOOR PICASSO, met zijn mooie en ontroerende Guernica, geldt overigens vrijwel hetzelfde. Die schilderde net zo gemakkelijk een portret van een meesterbeul als Stalin. Die twee dingen zijn wel tegen elkaar weg te strepen, dunkt me, Guernica versus Stalin, en dan sta je weer met lege handen, wat engagement betreft.
Zo'n twaalf jaar geleden, toen ik zelf als jonge kunstenaar op Ateliers '63 zat, had ik een docent die volhield dat zelfs een berg schoenen in een concentratiekamp nog zuiver als een sculptuur bekeken kon worden. Dat was een formalistische visie op kunst die zo'n verlies aan humaniteit leek in te houden dat ik me er hevig tegen verzette, maar die ik in de loop der jaren wel steeds als ijkpunt heb gebruikt voor mijn eigen visie op kunst. Want hoe graag ik ook wilde en hoe mijn hart ook bloedde, geengageerde schilderijen maken kon ik niet. Het leek zich eenvoudigweg niet te verhouden tot zoiets elementairs als vormbesef. Binnen de kortste keren leverde het iets op wat ik maar 'prikkeldraadkunst’ ben gaan noemen. Amnesty International-ontroering.
Het is natuurlijk weer het andere uiterste om elk maatschappelijk belang van een kunstwerk dan maar te ontkennen, en alles als pure vorm te willen beschouwen, maar het blijft hoe dan ook een moeilijke kwestie voor kunstenaars die sociaal bewogen zijn: moet je mensen de wereld wel als een bedorven taart in het gezicht smijten?
KUNST DIE OPROEPT TOT sociale actie is, als vetvrije verpakking van een boodschap, dan ook meestal zeer eendimensionaal, en helaas nauwelijks nog interessant zodra de opwinding over de misstand is weggeebd. Wel zijn er natuurlijk veel voorbeelden te bedenken van kunstenaars die zich geengageerd hebben met een diepere laag van het bestaan, het lijden, de eenzaamheid. In dat licht gezien is Francisco de Goya een kunstenaar die in een chaotische tijdsgewricht vol wreedheden uit alle macht probeerde zijn menselijkheid te bewaren, en daar ook op ontroerende wijze verslag van heeft gedaan in zijn kunst.
Ook in de hedendaagse kunst zijn de voorbeelden van kunstenaars die onversne den maatschappelijk geengageerd zijn, niet ruim voorhanden. Maar ze zijn er wel. Hans Haacke (1936) bijvoorbeeld, die in zijn conceptuele werk vaak pijnlijk nauwkeurig vastlegt - wat hem dan ook niet altijd in dank wordt afgenomen - hoe en waarom er eigenlijk geinvesteerd wordt in beeldende kunst. Hoe belangwekkend zijn analyse van de speculatie in beeldende kunst ook mag zijn, meestal is zijn werk gortdroog en stelt het hoge eisen aan het voorstellingsvermogen van de toeschouwer. Visueel valt er zelden iets te genieten.
Een kunstenaar bij wie dat 'boodschappen doen’ minder opvallend aanwezig is maar wiens werk op een melancholieke, terughoudende manier toch wel als een aanklacht fungeert, is de Fransman Christian Boltanski (1944), die in zijn werk een reconstructie van algemene of persoonlijke gebeurtenissen probeert te maken.
Een paar jaar geleden zag ik van hem een installatie die hij op meerdere plaatsen in Europa uitvoerde. Zijn werkwijze was simpel: overal waar hij een tentoonstelling had, ging hij naar een vlooienmarkt of voddenpakhuis en om daar stapels tweedehands kleren op te kopen, waarmee hij vervolgens de vloer van de tentoonstellingsruimte bedekte. Al die kleren op de grond uitgespreid riepen associaties op met een sfeer van angst en terreur, het bijeendrijven van te veel mensen in te kleine ruimtes, of misschien juist wel in stadions - iedere menselijke maat leek in elk geval zoek doordat de mensen uit de kleren verdwenen waren. De muffe, doordringende mottenballengeur van de kleren versterkte de treurigheid van het geheel nog. Al die kledingstukken die ooit door iemand gedragen waren, zonder volume nu - wat was er met die mensen gebeurd? Waar waren ze verdomme gebleven? Het interessante van Boltanski’s werk is ook dat hij in een tijd waarin alle visuele prikkels zo extreem zijn een 'onderprikkeling’ geeft, die desondanks effectiever is, en heviger aankomt dan het uitgebreid etaleren van welk leed of onrecht dan ook.
ER IS NOG EEN HEEL andere tactiek mogelijk om misstanden en vernedering het hoofd te bieden, hoewel deze in de beeldende kunst niet vaak wordt toegepast:humor!
Een kunstenares als Rosemarie Trockel (1952) bijvoorbeeld, die in haar werk, voornamelijk sculpturen, de positie van de vrouw (in de kunstwereld in het bijzonder) becommentarieert. Dat doet ze spits en met een grote beheersing. Neem haar serie gebreide schilderijen en objecten, die door de nederigheid van het materiaal, de techniek - tuttiger dan breien kon het voor een serieuze kunstenares in de flitsende jaren tachtig niet - en in de manier waarop ze de motieven herhaalt, op een wijze die uitentreuren beproefd is in de minimalistische machokunst van de jaren zeventig, een slim en ironisch commentaar is op de mechanismen die vrouwen in de kunst buitensluiten.
Haar werk wordt in een oogopslag als kunst herkend, maar negeert zeker de wereld daarbuiten niet. Het is kunst die goedgekeurd kan worden door de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen en door museumdirecteuren. Subversief en intelligent, zoals de beste guerrillatactieken. En ook voor haar werk geldt steeds, evenals dat van Haacke en Boltanski, dat het functioneert binnen het, misschien soms wel wat ijzige, domein van de kunst. Want als dat niet het geval is, dan is het geen kunst maar vormgeving.
Want wat ten slotte overblijft is het kunstwerk, niet de goede bedoelingen, bloedende hartekreten of grensoverschrijdende beledigingen die er misschien aan ten grondslag hebben gelegen. Het werkelijke engagement ligt uiteindelijk altijd bij de kunst zelf, hoewel ik een berg schoenen in een concentratiekamp toch nimmer als een sculptuur wens te beschouwen.