Prikkelende lectuur

Een boek dat lekker wegleest. Een boek dat je meesleept. Oftewel: leesgenot. Weg met die term.

Menigeen gruwt misschien bij de gedachte de dag te moeten beginnen met het lezen van een ingewikkeld essay, een gedicht, een stuk proza of zelfs een hoofdstuk uit een roman. Alleen een gek doet dat; of het hoort tot je vak. Mij kun je het zien doen, met plezier zelfs, al heet het werk. ‘Ouderwets leesgenot’, zo werd onlangs een boek aangeprezen, met als bijtoon: dát laten we ons niet vergallen… Nee, dat zullen we zeker niet doen. Ik zal het woord niet gauw gebruiken, leesgenot, en indien wel, dan denk ik dat het iets anders inhoudt.
Misschien kan men zich nog indenken dat een schrijver in alle vroegte aan een roman bezig is, en dat vaker knoersend dan fluitend. Maar lezen ‘werken’ noemen is vloeken in de kerk van de heilige Schöngeist. Ik ga gemakshalve maar voorbij aan het feit dat een schrijver soms jaren aan iets werkt, inderdaad op de onmogelijkste uren wanneer de geest nog willig is, en dat het boek in een paar uur geconsumeerd wordt. Wanneer leest men? In de zogenaamde vrije tijd, ’s avonds, in het weekend of tijdens de vakantie; als mensen moe zijn, vol zitten en hun zintuigen zijn afgestompt. Een uitgelezen moment om van een boek te genieten. In het superlatieve tijdperk, waar ‘ja’ vervangen is door ‘absoluut’, betekent ‘genot’ doorgaans ook niet meer dan ‘leuk’.
Uiteraard heeft lezen vele functies. Ik lees ook in bed (misdaad), als buffer tussen dag en nacht of om de slaap te lokken. Maar hier gaat het even niet over vrijetijdsbesteding of over het doden van de tijd. Het lezen waar ik op doel is juist tijd rekken, aandacht vergroot immers het beoogde object uit, diept het uit, zondert het uit. Aan de lezer kun je goed zien hoe een aandachtig iemand ergens in opgaat, voor zijn omgeving lijkt hij afwezig – een reden waarom vroeger voor veel lezen gewaarschuwd werd, net als voor die andere solitaire bezigheid.
Het misleidende aan de beroemde titel van Roland Barthes, Het plezier van de tekst, is het woord ‘plaisir’ dat hij gebruikte om het woord ‘jouissance’, vanwege de seksuele connotatie, te vermijden. Lezen is een eenzaam genoegen, alle leesclubs en literaire groepsverbanden ten spijt en in tegenstelling tot eten, waarmee het verder veel gemeen heeft. Het grote misverstand is dat lezen iets gemakkelijks is; iedereen die het alfabet kent kan lezen – vergelijk het maar eens met vioolspelen of schaken. Het lezen zelf moet gemakkelijk gaan, wat je leest ook, iets moet lekker weglezen. Schrijven en lezen zijn daarom alleen al keerzijden van hetzelfde, dat het erom gaat iets in de greep te krijgen, iets te begrijpen wat ervoor ongrijpbaar was, of leek dus, waarvan je niet eens weet had. Lezen en schrijven behoren tot de orde van het bergbeklimmen. Ook daar heb je het verschil tussen lui die vooral willen klimmen, het kan ze niet moeilijk genoeg zijn, en anderen die geklommen willen hebben om over hun prestaties te kunnen vertellen, om de aandacht die ze krijgen.
Het type lezer waar ik het over heb, zoekt moeilijkheden. Met het woord ‘moeilijk’ heb je die al meteen. Niettemin vind ik dat elke tekst, hoe ingewikkeld en omvangrijk ook, bij eerste, laten we zeggen oppervlakkige lezing genoeg te bieden moet hebben. Lezen begint echter pas bij herlezing. Pas na een eerste verkenning weet je waar je aan begint, zoals je een grote stad pas echt leert kennen na verkenningen: eerst wat rondlopen, grasduinen, een plattegrond in je hoofd prenten zodat je weet waar je het zoeken moet. Herlezen is herzien, dubbelop dus; herlezen is vooral het nakijken van je eerste lectuur. Het overkomt me, schrijvend over boeken, te vaak dat ik pas de tweede keer zie waar het om gaat, hoe het in elkaar zit en wat er gelukt of mislukt is.
Leesgenot, zonder pen in de hand – ook al lees ik liggend – en zonder erbij of erna te schrijven kan ik mij er weinig bij voorstellen. Hoe gemakkelijker iets het oor in gaat, des te gemakkelijker gaat het het andere oor weer uit. Dat boek leest lekker weg, het schijnt een compliment te zijn. Gegrepen worden door het verhaal, meegesleept, erin gedompeld – er zijn nogal wat omschrijvingen voor het genot van het genomen worden. Moet je dan niet, om het wat onschuldiger voor te stellen, denken aan het verloren paradijs van de jeugdlectuur? Proust kon erover zwijmelen, maar hij had het meer over het moment van het lezen – de plaats en het tijdstip, de stemming – dan over de lectuur zelf. Is dat de verloren onschuld van het lezen: opgaan in een wondere wereld, wegdromen? Goed voor al of niet opgefleurde herinneringen, maar die eerste opwinding raak je kwijt; er komt wel iets voor in de plaats.
Wat ben ik trouwens blij dat ik nooit de dupe ben geweest van het verantwoorde kinderboek. Waarschijnlijk heb ik tot m’n veertiende alleen maar rotzooi gelezen. Alle boeken waren uniform gekaft, van een schrijver had je geen weet, je las je blind een weg door een rijstebrijberg – en je genoot, al was het maar omdat even de wereld groter en vooral anders was dan waar je toevallig in ronddarde. De een leerde lezen, de ander raakte verslaafd: een splitsing waar ook geen peil op te trekken is. Daar begint de verslaving, want dat wordt lezen voor sommigen, met vermoedelijk dezelfde drijfveer als bij elke andere verslaving. Het is een behoefte, leeshonger, en als je geniet, dan in de eerste plaats van het lezen (het lettervreten, net als het kind); van wat is een tweede.
In het wilde weg maakt op een gegeven moment plaats voor de literatuur: in die voorgeschreven wereld (voorzover er een canon geldt) zoek je je een weg en het resultaat is min of meer een eigen bibliotheek; en veel later herwin je je vrijheid, begin je weer – zij het gerichter, afgaande op je eigen interesses – te lezen wat los en vast zit. Dat kan van alles zijn, maar wat je zoekt moet in je kraam te pas komen: alleen het beste van het beste wil je, vaak heel andere boeken dan de smaakmakers goed achten. Je wilt iets dat je geestdrift wekt, om ook maar eens een ouderwets woord te gebruiken, oftewel je enthousiast maakt; dat zijn teksten die je inspireren, soms om zelf door te schrijven. Het is ook een behoefte aan iets sterkers. En is het dan nog genot wanneer het juist teksten zijn waarin het om pijn en andere kwellingen gaat? Lees een zwart boek als Agaat van Marlene van Niekerk en leg uit wat daaraan genot verschaft? Weg met dat woord! Maar het is wel het aloude genot van het kind dat lekker onder de dekens wegkruipt terwijl het krijgt voorgelezen over een barre tocht door metershoge sneeuw. Aan de kampliteratuur waar ik jarenlang mee bezig was raakte ik verslaafd tot ik vaststelde dat ik gewoon met schrijven en schrijvers te maken had, goede en minder goede. Grotere afstand intensiveert juist de betrokkenheid.
Die verschuiving heeft, denk ik, met een verandering in identificatie te maken. Vaak wordt verondersteld dat herkenning de spil is waar het bij het lezen om draait; de ware sensatie is de vereenzelviging met een personage of situatie. Zo lees je als kind – ‘het ouderwetse leesgenot’ – en dat blijft de essentie, getuige de obligate vragen naar de meest geliefde romanfiguur of, een variant, naar de schrijver van je voorkeur. Twee ogenschijnlijk tegengestelde leeshoudingen, zowel bij argeloze lezers als bij deskundigen, zijn daarop gebaseerd: inleving of inlijving. Inleving houdt overgave in, zoals de literatuurwetenschapper die zichzelf wegcijfert voor een auteur en zich in dienst stelt van een oeuvre of genre, de literaire serveerboy. Of een deskundige modelleert een werk of auteur naar zijn eigen beeld en lijft het in; een identificatie die weinig van het werk zelf heel laat – zo lezen velen. Niettemin veronderstel ik dat er al bij jonge lezers (die nog niet schrijven) een derde houding bestaat, een derde toestand tussen inleving en inlijving: de lezer verdwijnt niet, gaat niet op in wat hij leest maar verdubbelt zich als het ware. Van de persoon die leest maakt zich een andere los, iemand die je ook kunt zijn, die in de tekst rondloopt. En in één en dezelfde beweging splitst zich ook datgene wat gelezen wordt: wat jij erin leest is een ander verhaal dan in het boek staat. Waar je je bevindt (of ophoudt), lezende als kind of als doorgewinterde lezer, is niet de wereld van dat ene boek noch het zogenaamde innerlijk leven, niet de wereld van de verbeelding of van de fictie, maar een ruimte tussen werkelijkheid en fantasie. Daarvoor heb ik ooit maar het woord speelruimte gebruikt, speling van nog niet helemaal uitgewerkt hout, een kier, de wig van het alsof. Voor genot zou ik liever het woord intensiteit gebruiken. Het past al beter bij de zojuist aangeduide sensatie van de verdubbeling. De lezer wordt niet een ander, zolang het duurt een stand-in voor zichzelf, maar wordt anders, een groot (soms een wereld) verschil, en dat kan van kortere of langere duur zijn. En naar die gedaanteverandering, die het lezen in meerdere of mindere mate bewerkstelligt, kun je, als je het proces eenmaal in de gaten hebt, met studie kijken. Het is een onomkeerbaar proces; ik laat in het midden of het onder de categorie beroepsafwijking valt. Toen ik Der Mann ohne Eigenschaften voor het eerst las, tien bladzijden per dag, voelde ik mij een tijdlang zeer verwant met de hoofdpersoon Ulrich.
Een jaar of twintig later vond ik hetzelfde personage een druiloor en identificeerde ik mij veel meer met de schrijver, erop gespitst hoe hij het deed en in deze onmogelijke onderneming zijn weg vond. Als je de kant van de schrijver kiest, kun je na het boek ook verder – als de tekst genoeg open plekken bevat die je prikkelen zelf verder te denken en te schrijven. Ja, dan is er werk aan de winkel – daar gaat het toch om!?