Jos Biemans en de stadsbibliotheek

Primaire bron

Jos Biemans schreef een boek over de stadsbibliotheek van Amsterdam tot 1632: Boeken voor de geleerde burgerij. De oud-handschriftenconservator van het Allard Pierson kent de hele catalogus van de stadsbibliotheek uit zijn hoofd.

Hemelkaart uit Johannes Janssonius’ Atlas major sive cosmographia universalis. Amsterdam 1658-1691 © Momordica Charantia L. uit de Moninckx-atlas, geschilderd door Jan en Maria Moninckx

‘Dit is een van de vele topstukken in de bibliotheek. In Amsterdam zijn ze dol op atlassen.’ Jos Biemans opent een zware met textiel beklede doos. Er verschijnt een groot boek met een leren band, rijkversierd met blindstempeling en messing beslag. Hij tilt het boek, zo’n 425 jaar oud, voorzichtig op, legt het op de tafel en wijst op de details: de metalen knoppen waar het boek op rust, spijkergaatjes in het leer waar de sluitingen en de bibliotheekketting ooit bevestigd waren. Boeken werden destijds met metalen sluitingen gesloten, om werking van het hout tegen te gaan en het papier binnenin te beschermen tegen vocht, vuil en ongedierte. De ketting was toen al tegen diefstal.

‘Kijk, om de rug van de band is een extra zeemleren laag aangebracht, ter bescherming.’ Biemans gaat met zijn vinger over de ribbels in het zachte leer. ‘Dat noemen we een zemen broek.’ Hij buigt zich over de achterste pagina. Het is een Mercator-atlas uit 1595, met kaarten van de wereld voor zover destijds bekend. Alleen de vorm van Europa oogt vertrouwd. Afrika houdt in de Sahara op, Corsica en Sardinië zijn erg groot ingeschat. Voorin het boek staat een uitleg over wat nu de hoekgetrouwe cilinderprojectie heet die Mercator gebruikte om de bolvormige aarde op een plat vlak weer te geven. Aan de randen van de bladzijden zijn vette vingerafdrukken te onderscheiden die op een veelvuldig gebruik van deze atlas wijzen. Verder mankeert het boek niets, het papier is van hoge kwaliteit; onder de juiste omstandigheden kan het oneindig geconserveerd worden.

Jos Biemans is emeritus bijzonder hoogleraar Boekwetenschap en Handschriftenkunde aan de Universiteit van Amsterdam en van 1991 tot 2011 was hij conservator Handschriften van de Universiteitsbibliotheek. In november verschijnt van zijn hand Boeken voor de geleerde burgerij. De stadsbibliotheek van Amsterdam tot 1632. Van de collectie van toen is nog 85 procent aanwezig in Bijzondere Collecties, die dit jaar is samengegaan met het Allard Pierson.

Biemans begon ooit de opleiding Nederlandse letterkunde in Utrecht met het idee na het eerste jaar over te stappen naar Theaterwetenschappen. Zover kwam het niet: hij viel voor de Neerlandistiek en met name voor de Middelnederlandse letterkunde, met werken als Van den vos Reynaerde, Karel ende Elegast en Elckerlyc. Hij vervolgde zijn opleiding met Codicologie en Paleografie in Leiden. Zoals hijzelf zegt: boekarcheologie, de wetenschap van het middeleeuwse handschrift of het met de hand geschreven boek van vóór de uitvinding van de boekdrukkunst.

Hij kan zich het eerste middeleeuwse handschrift dat hij in zijn handen had nog goed herinneren: ‘Dat was een handschrift in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht, nummer 1006. In ons vak is het net als bij wielrennen; je hebt rugnummers nodig om te weten om wie het gaat of bij boeken om welk exemplaar. In mijn hoofd hangt aan dat nummer alle informatie en een beeld van hoe het boek eruitziet.’ Hij herinnert zich 1006 onder andere omdat er iets vreemds met het boek aan de hand was: de eigenaar had delen van twee bijbelvertalingen door elkaar laten mengen. De ‘leukste stukken’ van het oude en het nieuwe testament waren bij elkaar gebonden. Fascinerend voor een boekarcheoloog: wie heeft dit gedaan, en waarom? Het is ook typerend voor handschriften: boeken werden door een kopiist naar de wensen van de koper gemaakt, dus elk exemplaar is uniek. ‘Daarom is het belangrijk om eerst te kijken, en dan te lezen; hoe het boek eruitziet zegt veel over het doel waarvoor het gemaakt is. Bij middeleeuwse handschriften probeer ik als het ware over de schouder van de kopiist mee te kijken – als dat lukt, kan ik misschien ook begrijpen waarom hij het een zo en het andere zus deed.’

De geschiedenis van de stadsbibliotheek van Amsterdam loopt simultaan met de ontwikkelingen in de stad. Vóór de Alteratie was de collectie, toen nog ondergebracht in de Nieuwe Kerk, algemeen christelijk. Vanaf 1578 deden specifiek protestantse boeken hun intrede, maar al snel kwam het liberale karakter van de stad Amsterdam weer naar voren: vanaf 1594 kwamen er ook weer katholieke boeken in de collectie. ‘De vader van P.C. Hooft, die acht keer tot burgemeester van Amsterdam is verkozen, schreef tijdens zijn bestuursperiode dat iedereen in de stadsbibliotheek welkom is, ongeacht godsdienstige voorkeur.’

De stadsbibliotheek vormt het oude hart van de bibliotheekcollectie (een paar miljoen boeken) van het Allard Pierson, vindt Biemans. Elke historische bibliotheek heeft haar eigen specialisatie. De universiteitsbibliotheek van Leiden heeft als zwaartepunt klassieke letterkunde en Nederlandse literatuur, ook uit de Middeleeuwen; Utrecht heeft twee complete middeleeuwse kloosterbibliotheken. Amsterdam heeft een meer moderne en stadsgebonden collectie, met veel werk uit de negentiende en twintigste eeuw, in de volkstaal. Hier staan bijvoorbeeld handschriften van Multatuli en P.C. Hooft op de planken, maar ook veel Vondel, Frederik van Eeden en Albert Verwey. ‘Van Multatuli hebben we ook zijn correspondentie, bijvoorbeeld met zijn vrouw. Op een dag schrijft hij over Max Havelaar: “Lieve hart, mijn boek is af, mijn boek is af! Ik verzeker je: het zal inslaan als een bom!” Dat is exact uitgekomen. Dat soort primaire bronnen hebben we hier.’

Vooral toen de stadsbibliotheek veranderde in de Universiteitsbibliotheek (1877) kwamen er grote collecties binnen, zoals kaartenverzamelingen en medische boeken. Ook de wereldberoemde Bibliotheca Rosenthaliana werd ontvangen, met als basis de privécollectie van de Poolse verzamelaar Leeser Rosenthal die in 1880 aan de stad Amsterdam werd geschonken. De Bibliotheca Rosenthaliana wordt beschouwd als de grootste verzameling joodse en Hebreeuwse werken in Europa. Daarnaast bevinden zich in de collectie ook verzamelingen stripboeken en de originele tekeningen voor de boekjes over de detective en judoka Dick Bos. ‘En dat kenmerkt de bibliotheekcollectie van het Allard Pierson: er zijn veel unieke werken op de meest uiteenlopende terreinen.’ Dat sluit goed aan bij Biemans’ specialisatie, handschriften, die per definitie uniek zijn.

‘De stadsbibliotheek was een statussymbool, net zoals een mooi stadhuis en een grote kerk’

Biemans is trots dat hij een bijdrage heeft kunnen leveren aan het conserveren van de collectie. Hij nam het initiatief voor het verbouwen van het magazijn: grotere boekenkasten, dozen voor de boeken met metalen sluitwerk om beschadiging van andere boeken te voorkomen, betere klimaatregulering en, opvallend: een vrolijkere inrichting met lichtgele verf want ‘het zag er altijd uit als een mortuarium’. Beter voor de boeken, en beter voor de mensen die in de magazijnen werken. ‘Daar zijn ze uit het buitenland naar komen kijken.’

Regelmatig kocht hij ook bijzondere werken op veilingen, zoals een collectie Slauerhoff-handschriften voor 23.000 gulden. ‘Toen had ik met de veilingmeester afgesproken: eerst worden ze apart geveild, dan en bloc voor de optelsom van de voorlopig geveilde bedragen. Daar werd niet meer tegen opgeboden, dus toen had ik ze.’ Toch zie je volgens Biemans meestal geen harde concurrentie op zo’n veiling. De verschillende bibliotheken hebben allemaal hetzelfde doel: het verwerven en vervolgens aan iedere geïnteresseerde beschikbaar stellen van cultureel erfgoed, voor onderzoek en exposities, tegenwoordig ook digitaal. Vaak wordt voorafgaand aan een veiling al overlegd waar een stuk het beste zou passen.

Biemans loopt op zijn gemak de studiezaal binnen om ons een werk te kunnen tonen. In de strak ingerichte, lichte ruimte hangen stenen platen aan de muur met uitgehakte lettertypes. In een vitrine staat een buste van Vondel en liggen kleitabletten met spijkerschrift. Naast de deur hangen bordjes: rechtdoor voor de zaal met kerkelijke collecties en de Bibliotheca Rosenthaliana. Op de tafeleindes liggen grijze kussens: boeken daarop leggen leest makkelijker, en je kunt ze beter schuiven en draaien zonder de band te beschadigen op het harde tafeloppervlak. Maar: ‘Die witte handschoenen van Boudewijn Büch waren echt onzin. Hij maakte de uitzending er spannend mee maar het getuigt niet van deskundigheid, en je loopt een groter risico om een boek te beschadigen. Je voelt het materiaal veel minder goed dan met schone handen.’

De catalogus van de stadsbibliotheek houdt Biemans het hele gesprek bij zich. Het is een in bruin leer gebonden replica van de eerste gedrukte catalogus uit 1612. Biemans kent hem zo’n beetje uit zijn hoofd. Hij is degene die vaststelde dat de bibliotheek niet werd gesticht in 1578 maar al kort na 1400. In zijn boek schrijft hij over de groei van de bibliotheek en daarvoor ploos hij uit welke werken tot de oudste collectie behoren. Archiefstukken van hoe de collectie er toen uitzag zijn er niet meer: hoogstwaarschijnlijk verloren gegaan bij de brand in de Nieuwe Kerk in 1645. Dus heeft Biemans boek voor boek moeten achterhalen wanneer het in de collectie is gekomen. ‘Conservator Kees Gnirrep is oorspronkelijk met het uitzoekwerk begonnen. Ik ben verdergegaan waar hij was gebleven.’ Om de betekenis van de Amsterdamse bibliotheek te beoordelen vergeleek Biemans de collectie met die van andere oude bibliotheken in het land.

Momordica Charantia L. uit de Moninckx-atlas, geschilderd door Jan en Maria Moninckx

In zijn geschiedschrijving van de stadsbibliotheek achterhaalt Biemans de functie van de bibliotheek in Amsterdam. Biemans toont al bladerend in de catalogus dat als je een medisch boek nodig had – ‘die staan onder Pluteo Q’ – de keuze beperkt was. De bibliotheek was dus echt voor de geleerde burgerij, legt hij uit: ‘De hoofdarts van de stad had een veel uitgebreidere collectie en dus nauwelijks behoefte aan wat er in de stadsbibliotheek aanwezig was.’

Is de collectie ooit in gevaar geweest? Dreigde verkoop, bijvoorbeeld wegens bezuinigingen? ‘Nee, de bibliotheek was van het begin belangrijk voor de stad. Het was een statussymbool, net zoals een mooi stadhuis en een grote kerk: kijk, we zijn rijk, godvruchtig en geleerd. Als stedelijk erfgoed is de collectie onaantastbaar.’

Tot de dag van vandaag komen er collecties bij. Zo is men momenteel bezig met het opbouwen van een collectie Arnon Grunberg. ‘De conservatoren kijken natuurlijk ook naar de toekomst. In die zin zijn de Bijzondere Collecties vergelijkbaar met een museum dat moderne kunst aanschaft: de Bijzondere Collecties hebben het papieren deel van het nationale erfgoed en de taak om dat te conserveren en door te geven aan toekomstige generaties.’ Ook worden er nog regelmatig nieuwe ontdekkingen gedaan in oude werken. Zo heeft Biemans een studie gedaan naar het handschrift van de Max Havelaar, waarbij hij ontdekte dat Multatuli zelf een structuur in de originele tekst had aangebracht. ‘Multatulianen trokken dit zeer in twijfel, die dachten dat Jacob van Lennep dit had gedaan. Toen zei ik: nou jongens, kom maar mee naar boven. In het manuscript is helder te zien dat Van Lenneps hoofdstuktitels op regels staan die Multatuli leeg liet en dat hij met een lijn de tekst indeelde.’

Het schrijven van zijn bibliotheekgeschiedenis was niet altijd even makkelijk: ‘Het is ook tobben, je moet zo diep graven om een antwoord op van alles en nog wat te vinden!’ Toch neemt hij geen afscheid van de handschriften en vroegmoderne gedrukte boeken. Zulke bronnen vormen voor hem een deur naar het verleden. ‘Ik loop hier in Amsterdam door de stad, en tegelijkertijd loop ik door de oude stad. Ik weet wat ik onderweg tegenkom, hoe het toen was, wie er toen leefden en wat er gebeurde.’ Want uiteindelijk is het de mens, de menselijke maat, die hem blijft fascineren in dit werk. Hij ziet parallellen tussen toen en nu: ‘Toen lagen de boeken aan de ketting, nu liggen de computers in bibliotheken aan staaldraden. De mens verandert nooit.’