‘primaire ontroering’

Schrijver Rudolf Bakker is de gids voor de Intellectuele Vakantieganger. Vervloekt zijn de massa’s toeristen die zijn Frankrijk elk jaar weer teisteren. De bom erop.

IN DE INTERMARCHE van Saint-Rémy-de-Provence is hij ooit herkend door een veertigersechtpaar, met in de winkelkar flessen goede wijn en de ingrediënten voor een eenvoudig op het campinggas te bereiden maaltijd. ‘Dat is Rudolf Bakker’, zei de vrouw. 'Ja, onmiskenbaar’, zei de man. Ze hadden hem herkend van de foto op de flap en vroegen of hij wilde signeren. Als ze naar de Provence gingen, legden ze uit, behoorde zijn gids tot de standaarduitrusting. Uit het portiervak van de auto gingen ze hun exemplaar van Provence en Côte d'Azur te voorschijn halen.
Het voorval deed Rudolf Bakker goed. Oog in oog had hij gestaan met de Intellectuele Vakantieganger: het gesteven-broekentype met verrekijker op de borst voor wie hij de vuistdikke gele gids exclusief had bedoeld. Het leed geen twijfel, dit echtpaar had alle vierentwintig routes uit het boek keurig gevolgd en halt gehouden bij de talloze bezienswaardigheden die Bakker in de gids beschrijft. In gedachten zag hij ze staan in Orange, het ooit aan Oranje-Nassau toebehorende prinsdom, op zijn advies verbluft de in Augustus’ dagen opgerichte triomfboog en het even zo imponerende Théatre Antique aanschouwend. Hij zag ze op een prille ochtend, zoals hij in het boek gebiedt, op weg naar het Fort de Buoux, om getuige te zijn van wat hij beschrijft als 'schroothopen van de humanitas, (…) kapotgeslagen werelden waarin hele generaties leefden die werden afgeslacht nadat ze op hun beurt op moord en roof waren uitgegaan’.
Uiteraard ook waren ze in Avignon geweest, 'het tweede Rome’, uren ronddwalend in het paleis waarin van 1309 tot 1377 zeven uitgeweken pausen elkaar opvolgden. Even buiten Murs, wist hij, waren ze, venijnige prikkelbosjes trotserend, aan een klim begonnen om de Grottes de Barigoule te kunnen bereiken. Een gevluchte groep waldenzen is er in de zestiende eeuw door een bloeddorstige protestantenjager uitgerookt. Het echtpaar had natuurlijk getuige willen zijn van de 'vreemde en onrustbarende sfeer’ in het rotsverblijf.
Hoe fijn het ook was het echtpaar ontmoet te hebben, illusies maakte Bakker zich niet. Gelijkgestemden zijn, zelfs in de Provence, een zeldzaamheid. Heidense cultuurbarbaren die met valse motieven de streek komen plattrappen, liefst met honderden tegelijk, transistors, elektrische barbecues en crossmotoren meetronend, vormen de harde realiteit. In Saint-Rémy-de-Provence, met het nog intacte gekkenhuis waar Vincent van Gogh in 1889 arriveerde en waar Bakker sedert de vroege jaren tachtig in een lommerrijke bungalow met volgestouwde boekenkasten voorgoed als God in Frankrijk dacht te leven, is het bijna niet meer uit te houden.
OP DE DAG van onze afspraak is het in de vroege ochtend al zichtbaar. Het verkeer op de met geblakerde platanen omgeven rondweg staat muurvast. Benzinedampen uit een polynationaal wagenpark. Alpenkreuzers en aangehaakte caravans waaieren breeduit over de trottoirs en langs de tientallen terrassen waar kwetterende toeristenfamilies naar hartelust consumeren. De traditionele markt is veranderd in een folkloristisch openluchtwarenhuis waar het riekt naar goedkope tijm- en lavendelsurrogaten. In het gelid staan touringcars met shag rokende chauffeurs te wachten tot de vracht is uitgesavoureerd. In Café de Commerce heeft de lokale bevolking zich verzameld rond de bar, mistroostig het schouwspel gadeslaand dat zich in hun dorp elke zomer heftiger voltrekt. Aan een tafeltje leest Rudolf Bakker (69) Libération, een eerste pilsje binnen handbereik.
'Wat maakt het uit op de gang van de wereld, de ontwikkeling van wetenschap en kunst, als er drieduizend mensen door een tapijt van bommen uit het aardse bestaan worden weggerukt?’ Een ietwat bekakte stem, de woorden zangerig door jarenlang Frans. 'Al die mensen, massaal uit bussen komend, met korte broeken aan en lelijke hemden. Als die bussen nou eens uit de bocht vlogen en uitgebrand in een ravijn werden teruggevonden? Wat betekent dat op de loop van de mensheid? Zijn er Einsteins bij? Goethes?’
In Privé-domein nr. 224 (Hoe komt het dat ik nog leef?) schrijft Bakker uitvoerig over een 'perverse blik’ die hij nooit is kwijtgeraakt. Hij was elf toen de oorlog uitbrak. In Zeeuws-Vlaanderen, 'een vergeten uithoek van Nederland’ waar hij geïsoleerd en wereldvreemd opgroeide, was het wapengekletter een welkome doorbreking van de allesverzengende sleur. 'De Britse poet laureate John Betjeman schreef het gedicht Slough, over een uitzichtloze Londense buitenwijk waar de afgrijselijkste typen ronddolen. “Come, friendly bombs, and fall on Slough”, schrijft hij. De grote kwelling is of je het daarmee eens moet zijn of niet. Het massatoerisme dat hier de streek teistert komt evengoed in aanmerking voor de Betjeman-behandeling.’
Bommen zijn echter een ultieme remedie. In Altijd weer Frankrijk en andere Gal lische hartenkreten, een bundel essays die deze zomer verscheen, draagt Bakker een humanere oplossing aan. In de vorm van een onafzienbaar vakantiepark 'ver buiten ieder cultuurgoed terwijl er ruim plaats moet zijn voor cola- en frites-tenten, briefkaartenmolens en duizenden bezoekers tegelijk die er vrijuit, maar wel dicht bij elkaar, in staat moeten worden gesteld hun geld over de balk te smijten.’
We stappen in de auto en deinen met de toeristenstroom mee naar een grote parkeerplaats even buiten Saint-Rémy. Achter een omheining worden hier steenlaag voor steenlaag de resten van de Romeinse stad Glanum blootgelegd. Een brede rij wach tenden verbindt de parkeerplaats met de kassa. 'Als je zo met z'n tachtigen uit een bus komt rollen is de geheimzinnigheid toch verbroken. Ze vertrappen precaire plekken onder hun ongeciviliseerde hoeven. Laat ze wegblijven, het moois overlaten aan mensen die hun huiswerk hebben gedaan.’
THUIS, OP HET terras, wordt de woede geblust met bier en koele flessen witte wijn. Cipressen, mimosa’s en oleanders waar de mistral geruststellend doorheen blaast. De tuin is door een hoge, ondoordringbare haag omgeven. 'Mijn hortus conclusus. Hier bestaat geen boze buitenwereld. Zonder enig contact overleef ik hier.’ Na een uitputtende journalistieke carrière streek hij er begin jaren tachtig neer. De cirkel was volmaakt rond. 'De hortus hier is een exacte kopie van de hortus dáár.’ Daar is waar zijn geboortehuis staat, in het Zeeuws-Vlaamse Sint Anna ter Muiden. In 1929 kwam hij er ter wereld.
We spreken er enige tijd later af. 'Moet je nou kijken wat een smerige bakken hier.’ Twee geurende compostcontainers voor het geboortehuis in Sint Anna wekken ergernis. 'Je ziet er dat vreselijke Nederlandse geregel in terug. Alles in dit land moet gecontroleerd worden, bewegwijzerd, in kaart gebracht. Natuur is teruggedrongen in parkachtige reservaten. Primaire ontroering is in dit land allang niet meer mogelijk. In Frankrijk zijn volop plekken te vinden waar je je waant in een schilderij van Corot.’
Op weg hierheen, vanaf de Belgische grens, waren de aanstotelijkheden al talrijk: van de vooroorlogse knotwilgen en de macadamwegen was 'goddomme’ geen spoor meer te bekennen. Gelukkig is de meidoorn rond de hortus achter het huis onmiskenbaar dezelfde. 'Dit was mijn eerste wereld. Hier heb ik altijd naar terugverlangd. Hierachter lag de Vergelieput, met z'n loodkleurige stilstaande water waar de koeien met tongen uit de bek omheen stonden. Brak water dat uit de zee en het zwin door geheimzinnige onderaardse aderen kwam aanstromen. Weg is het, foetsie.’ Achter het raam ziet de huidige bewoner een vreemde, melancholische man in beige regenjas, sigaar tussen de lippen, op zijn erf staan.
In het toch al vergeten Zeeuws-Vlaanderen van Bakkers jonge jaren vormde Sint Anna een desolate enclave. 'Behalve mijn zwijgende ouders was het enige levende wezen in mijn buurt een tachtigjarig vrouwtje dat al spoedig kwam te overlijden. Over communicatieve vaardigheden beschikte ik niet.’ De jonge Rudolf - hij was enig kind - ging in het naburige Sluis naar school. Een vreemde snoeshaan, zagen klasgenoten meteen. In een mum van tijd was hij het doelwit van pesterij. 'Op een keer hebben ze mussenlijkjes achter in mijn nek gesmeerd.’ De adolescentie werd een opeenstapeling van rampen. Seksuele ervaring deed hij op met een nicht. Voor het latere schrijverschap, zo concludeert hij nu, werd in ieder geval een stevig fundament gelegd. 'Ik ging transparant leven, kwam naast mezelf te staan. Ik zag een vreemd wezen, verdwaald en terugverlangend naar de vroegere beslotenheid.’
Van de studie notariaat, in Utrecht, kwam weinig terecht. 'In een kano op de Oude Rijn tussen de lissen las ik Gide, Malraux, Fournier en Dostojevski.’ Een psychiater hield hem voor dat het nog lang zou duren eer hij gelukkig zou worden. Schrijven zou misschien helpen. Hij reisde naar Frankrijk en bracht een bezoek aan het huis van Emile Zola, een levendig reportage-element in een opstel over ’s mans leven. De Haagse Post ging zowaar tot publicatie over. Sylvia Brandts Buys, die samen met Gustavo Hiltermann de kwakkelende Haagse Post had opgekocht, haalde hem naar Amsterdam. Hij werd chef buitenland.
MET ALLE SUCCES kwam ook de twijfel. 'Ik slaagde er niet in uit de cocon van mijn jeugd te breken. Ineens was ik gedwongen met heel veel mensen om te gaan, ik kan dat niet. Daarbij liepen ze me in de weg.’ Langzaamaan begon hij Nederland, Amsterdam in het bijzonder, te verafschuwen. 'Tegen zessen, na het werk, moesten en zouden we naar café Scheltema. Het was banaal, niets verhevens aan. Drank en seks. De Kring was precies zo. Mulisch, Donner, Schierbeek: hoe die mensen ooit aan lezen toekwamen is mij een raadsel. Het was ontnuchterend om een hooggewaardeerd milieu zo onttoverd te zien.’ Wat ook met zijn zienswijze te maken kon hebben. 'Ik zie altijd de achterkant, het ongewassen linnen.’
De jaren zestig waren begonnen. 'De betutteling die tot dan toe heerste kwam me de strot uit. In alles zag ik het karakter van mijn vader terug. Hij was notaris, een keurig man die strikt en stipt leefde en voor z'n plezier ANWB-consul was.’ In '64 plaatste de Gemeenschappelijke Persdienst (GPD) correspondent André Spoor over van Bonn naar Washington. 'De GPD was een mogelijkheid om volledig betaald naar het buitenland te kunnen. De Haagse Post was zinkende. Bovendien, ik kon niet meer. Het zou ook niet lang meer duren voor links op kwam zetten. Met naïeve maoistentypen die in de kroeg in Amsterdam wel even bedachten hoe die mensen in China zich behoorden te gedragen.’ De GPD nam hem. 'Nog steeds ben ik er elke dag blijer om dat ik het vaderland verlaten heb.’
OP WEG NAAR Amsterdam staan we in de file. 'Ook vanwege dit soort gedonder blijf ik liever weg. Veel te klein land, veel te veel mensen.’ Hij is uitgenodigd op een borrel voor oud-correspondenten en gaat met zijn uitgever onderhandelen over een sentimenteel reisboek dat volgend jaar moet verschijnen. 'Wie heeft die mensen toch aangeleerd dat ze overdag met lichten aan rijden? Wat is dat voor een imbeciele saamhorigheid?’ Na Bonn werd hij overgeplaatst naar achtereenvolgens Rome, Londen en Parijs. Het zicht op Nederland werd met de jaren helderder. 'Het is geen hautaine minachting. Van veraf zie je gewoon duidelijker. Nederland is een geïsoleerde mierenhoop in de woestijn. Grootheidswaanzin heerst er. Niet willen aanvaarden dat het internationaal niet meetelt. Alles wat aan nieuws doorsijpelt is softdrugs en euthanasie.’ Als correspondent heeft hij het meerdere malen aan den lijve ondervonden. In Parijs: 'Of ik na het vallen van ons kabinet bij de Franse regering een reactie wilde vragen. Op het Elysée hebben ze me uitgelachen.’ In Rome: 'Of ik Fellini dezelfde dag nog even wilde interviewen.’ In Bonn: 'Toen met dat Rijn-zout. De Duitsers waren vergeten dat er ook nog een land aan het uiteinde van die rivier lag.’
TERUG IN SAINT-REMY. De derailleur van zijn witgele mountainbike ratelt bij het schakelen. Elke dag fietst hij zo z'n ronde door het door de mistral gegeselde land schap: gebogen cipressen, uitgestrekte velden met verweerde landarbeiders en wapperende paardestaarten. Wie een bewogen foto van dit landschap maakt, komt eenvoudig in het bezit van een Van Gogh. 'Primaire ontroering!’ roept Rudolf Bakker over zijn schouder. Bakker is hier helemaal alleen. Zijn vrouw heeft hem lang geleden verlaten. Eerder, na de streekspecialiteit aïoli te hebben gegeten, zijn we langs Tarascon gereden om de kat van zijn maîtresse eten te geven, dát dus nog wel.
Bezweet terug in de behaaglijke hortus vertelt hij van de verfoeilijke Peter Mayle. Die schreef de bestseller A Year in the Provence, over het Provençaalse dorpje Ménerbes. 'Het dorpje wordt elk jaar heviger bedolven door mensen die denken dat het een soort arcadië is waar naar rozemarijn en tijm geurende boeren en boerinnen de hele dag ronddansen onder guirlandes met een glas pastis in de hand.’ In werkelijkheid is de Provence volgens Bakker een gebied waar mensen elkaar het licht in de ogen niet gunnen en waar xenofoob regionalisme hoogtij viert. Maar ach: 'Weten de mensen veel. Zodra iemand de kop opsteekt en harder schreeuwt dan de anderen, of het nou Jezus Christus is of Peter Mayle, zijn er domoren genoeg die het gevoel krijgen erbij te moeten horen.’ Na opnieuw veel wijn: 'De wereld is zo onbegrijpelijk gecompliceerd dat de mensen gaan zoeken naar wrakhout om zich aan vast te klampen. Ze zijn zo zwak, je kunt ze niet veroordelen. Er moet een goeroe voor ze zijn.’