Het postkoloniale debat is vooral politiek

Principes? Niet overzee

Postkoloniale stemmen in Nederland worden in media en politiek steevast weggezet als radicaal en cultuurvijandig. Het dempen van die stemmen is een koloniale reflex met een lange geschiedenis. Wat zegt dat over onze politieke cultuur?

Indonesië, Nieuw Guinea, 1967 © Sam Presser / MAI

2018 was een jaar vol koloniale apologie. Het begon in januari toen Piet Emmer zijn pamflet Het zwart-witdenken voorbij publiceerde. Daarin betoogde hij dat er te veel naar de zwarte bladzijden van het slavernijverleden wordt gekeken. Vervolgens drukte Elsevier Weekblad in februari de kop ‘Is het kolonialisme toe aan herwaardering?’ af. Het artikel behelsde een interview met de omstreden politicoloog Bruce Gilley, die alle ruimte kreeg om te betogen dat het kolonialisme toch meer goed dan slecht had gedaan. In oktober verscheen bij uitgeverij Athenaeum het boek Tempo doeloe, een omhelzing van Kester Freriks. Bij wijze van reclame schreef de auteur in NRC Handelsblad een pleidooi waarin hij stelde dat het mooie Indische verleden, de gezelligheid, de feesten en de warme omhelzing, verdrukt werden door schuldgevoel. Het zijn drie voorbeelden die symptomatisch zijn voor een allesbehalve nieuw verschijnsel in het Nederlandse publieke debat: het vergoelijken van het koloniale verleden.

Dat koloniale verleden was lang en heeft diepe sporen nagelaten. De koloniën waren niet alleen een bron van rijkdom, maar ook vooral van verbeelding en trots. Juist van die trots heeft Nederland mentaal nooit afstand kunnen nemen. Hoewel de meeste koloniën al veertig tot zeventig jaar geleden onafhankelijk zijn geworden, zien we een sterke doorwerking en soms zelfs onversneden bewondering voor het koloniale verleden. Het Westen – we hanteren gemakshalve deze ruwe noemer – heeft zich politiek teruggetrokken uit de voormalige koloniën, maar economisch en mentaal gezien is er verrassend weinig veranderd. Het tijdperk van ontwikkelingshulp en internationale dominantie van westerse landen betekende in feite een voortzetting van de paternalistische machtsverhoudingen.

Op allerlei manieren zien we oude vormen van het superioriteitsdenken die in de koloniale tijd werden ontwikkeld terug. Kritiek daarop leidt steeds vaker tot defensieve, zo niet agressieve reacties. Dat is het sterkst als het gaat om de vermeende ontmanteling van Nederlandse tradities en symboliek, zoals Zwarte Piet of standbeelden van Jan Pieterszoon Coen, dus wanneer mensen het idee krijgen dat de Nederlandse identiteit en geschiedenis onder druk staan. Ook vragen sommigen zich af of ze zich schuldig moeten voelen over ‘zwarte bladzijden’ uit een ver verleden. Er gebeurden toch ook goede dingen? Of sterker nog, het Westen is toch de bron van kapitalisme, democratie en moderne wetenschap?

Verwant aan die laatste gedachte is het idee dat we niets te leren hebben van de rest van de wereld, dat het een plek is waar mensen hun zaken niet goed voor elkaar krijgen of op z’n best een soort charmant maar niet al te nastrevenswaardig primitivisme vertegenwoordigen. De ‘vreemde ander’ wordt dan in al zijn of haar gekkigheid tegenover de rationele westerling gezet. Dit exotisme vinden we ook op de Nederlandse tv terug in een heel scala van reisprogramma’s. Het meest recente voorbeeld is het programma Filemon buiten Westen, waarin de bekende presentator Filemon Wesselink vanuit de ‘moderne maatschappij’ op zoek gaat naar ‘afgelegen maatschappijen waar mensen nog traditioneel leven’.

***

Die tegenstelling tussen ‘wij’ als modern en ‘zij’ als primitief is niet nieuw. De beroemde Britse historicus Hugh Trevor-Roper gaf in 1964 een lezing waarin hij stelde dat de ‘barbarous tribes’ in Afrika geen geschiedenis zouden hebben: ‘Perhaps, in the future, there will be some African history to teach. But at present there is none, or very little: there is only the history of the Europeans in Africa. The rest is largely darkness.’ De echte geschiedenis was die van Europa; alleen daar was vooruitgang te ontwaren. Trevor-Roper deelde Europa een gidsrol in de wereld toe. Het Europese continent werd tegelijk een uniek middelpunt én een neutraal object ter referentie. Recent herhaalde de bekende Schotse historicus Niall Ferguson in Civilization ditzelfde standpunt, door te onderschrijven dat Afrika het ‘duistere continent’ was en dat de westerse machten er terecht een beschavingsmissie ondernamen.

Dat beschavingsideaal raakt aan de kern van de koloniale apologie. Het kolonialisme wordt goedgepraat vanuit het idee dat de kolonisatoren de beschaving verspreidden – een idee dat, getuige Gilley en anderen, aan een stevige comeback is begonnen. In het interview in Elsevier pleitte Gilley niet alleen voor herwaardering van het koloniale bestuur, maar ging hij zelfs zo ver een rekolonisatie voor te stellen van gebieden die niet goed voor zichzelf konden zorgen. Een even idioot als irreëel idee, dat terecht weggehoond is.

Het beschavingsideaal als vergoelijking van het kolonialisme komt ook bij Emmer langs: ‘De kolonisator bracht schoon drinkwater, wegen, spoorwegen, telegraaf en telefoon, westerse rechtspraak, maakte een einde aan oorlogen en plundertochten, beschermde minderheden, organiseerde modern onderwijs en gezondheidszorg, verbeterde de voedsellandbouw, stimuleerde de productie van exportgewassen en investeerde in de beginnende industrialisatie.’ Hier wordt het kolonialisme als een zegen brengend project gevierd. Zeker, Emmer meldt ook dat er negatieve gevolgen waren, of althans dat mensen ook negatieve kanten zagen. Maar zijn betoog is vooral opgezet om de kwalijke kanten van het kolonialisme, bijvoorbeeld door vergelijking, te relativeren (‘in Europa was er ook arbeidsdwang’).

Andere historici, zoals de al genoemde Niall Ferguson en de Nederlander H.W. van den Doel, wijzen vooral op het feit dat de koloniale mogendheden de wereld ‘gemoderniseerd’ hebben, wat natuurlijk een merkwaardige redenering is als je beschouwt hoezeer ook niet-gekoloniseerde gebieden zijn ‘gemoderniseerd’. Maar het valse ideaal van moderniteit is de vaste danspartner van het kolonialisme. De tentoonstelling ter gelegenheid van vierhonderd jaar voc in het Scheepvaartmuseum hanteerde het motto ‘Het geheim achter succesvol modern leven’, een teken dat de voc aan de wortels stond van de uitzonderlijke vooruitstrevendheid van Nederland. De koloniale waardering blijft overigens niet beperkt tot Nederland. In 2005 wilde president Sarkozy zelfs een artikel in de Franse wet laten opnemen dat de goede kanten van het kolonialisme een plek in het onderwijs moesten krijgen. Ondertussen wordt de stem van de mensen voor wie de gevolgen van het kolonialisme dagelijkse realiteit zijn genegeerd.

***

Die gevolgen waren en zijn immens, hoe kort de overheersing van de westerse mogendheden ook duurde. Verovering en overheersing gingen gepaard met permanente en wrede oorlogvoering, koloniale grenzen werden arbitrair vastgesteld en vrouwen en mannen werden in onmenselijke arbeidsregimes te werk gesteld. Dit is natuurlijk niet het hele verhaal. De situatie in deze landen was vóór de komst van het kolonialisme ook niet altijd even florissant. Evenmin was alles wat onder koloniaal bewind gebeurde verkeerd. Maar dat verandert niets aan het feit dat het westers kolonialisme bijna wereldwijd een structuur van economische exploitatie en een raciale hiërarchie tot stand bracht die diepe en lange sporen nalieten, niet in de laatste plaats in het bewustzijn van de gekoloniseerden.

In protest tegen de systematische achterstelling en onderdrukking vormde zich al vroeg een intellectuele burgerrechtenbeweging. De eerste denkers manifesteerden zich onder de zwarte bevolking van de Verenigde Staten in de tweede helft van de negentiende eeuw, en rond 1900 ook in de koloniën in Afrika en Azië. Hun agenda klinkt door tot vandaag de dag. Veel van het antikoloniale denken, toen en nu, draaide en draait om het verlies van zelfrespect en pleit voor het herwinnen van culturele eigenheid en een gelijkwaardige civiele status. Meer nog dan onafhankelijkheid, die pas in de twintigste eeuw op de agenda kwam te staan, vormden cultuur en burgerschap de kern van het antikoloniale denken – en dat is nog steeds zo.

‘De kolonisator bracht schoon drinkwater, wegen, spoorwegen, telegraaf en telefoon, en westerse rechtspraak’

Hoe fel deze antikoloniale denkers ook van leer trokken, de meesten hadden een gecompliceerde relatie tot het Westen. Ze wezen niet per definitie het hele pakket van Europese cultuur af. Voor veel schrijvers en denkers waren de westerse scheppingsdrang en bepaalde westerse ideeën zelfs een bron van inspiratie. Het fundamentele probleem was niet het westerse denken per se, maar zijn gespleten tong. Het Westen pleitte voor democratie, gelijkheid en vrijheid, maar gekoloniseerden ervoeren juist onderdrukking, ongelijkheid en bedreiging van de eigen culturele tradities. De kern van het kolonialisme was wat de Indiase politicoloog Partha Chatterjee scherpzinnig ‘the rule of colonial difference’ noemde. Wat de kolonisator ook voor mooie voornemens of idealen verkondigde, nooit zou hij de koloniale onderdanen volledige gelijkheid gunnen. Hier lag een diepgeworteld paternalistisch wereldbeeld aan ten grondslag, dat overigens op eenzelfde manier werd ingezet om in Europa vrouwen het stemrecht en andere burgerrechten te ontzeggen.

Antikoloniale denkers prikten door de dubbele moraal van de koloniaal heen. Misschien heeft de Martinikaanse schrijver en politicus Aimé Césaire (1913-2008) dit in zijn vlammende Discours sur le colonialisme in 1955 wel het helderst verwoord. Hij verweet de Europeanen dat ze het niet zo nauw namen met hun principes. Zodra het over de koloniën ging, verzandden hun hooggestemde idealen in schijnheiligheid. De geloofwaardigheid van de westerse ‘beschaving’ was fundamenteel aangetast: ‘Een beschaving die kolonisatie rechtvaardigt, is een zieke beschaving.’ Zijn landgenoot, de beroemde psychiater en schrijver Frantz Fanon (1925-1961) schreef hoe onderdanen in de Franse koloniën een ideaal van Frans burgerschap werd voorgehouden dat zij nooit mochten of konden bereiken. Hij beschreef eveneens hoe het paternalisme van de witte overheerser van de zwarte man een kind maakte. Ook anderen wezen op de fundamentele hypocrisie van de Europese ‘beschavingsmissie’.

Ook denkers in de Nederlandse koloniën wisten feilloos de dubbele maatstaven van de kolonisator bloot te leggen. In 1913, op het moment dat Nederland de laatste stukken van de Indonesische archipel veroverde, publiceerde Soewardi Soerjaningrat (1889-1959) het pamflet Als ik eens Nederlander was, naar aanleiding van de Nederlandse viering van de honderdste verjaardag van de herwonnen onafhankelijkheid in 1813. Soewardi schreef: ‘Als ik een Nederlander was, ik zou nimmer zulk jubileum willen vieren hier in een door ons overheerscht land. Eérst dat geknechte volk zijn vrijheid geven, dàn pas onze eigen vrijheid herdenken.’ Nederlanders reageerden als gestoken. Volgens een krant had Soewardi ‘een ontwikkeling, welke [het] niet haalt bij die van den 14-jarigen schooljongen in Europa’. Hier werd een beproefde metafoor ingezet om het paternalistische wereldbeeld te verankeren. De regering verbande Soewardi uit de kolonie. 21 jaar later klaagde de Surinamer Anton de Kom in zijn Wij slaven van Suriname de schijnheiligheid van Nederland aan. Hij vroeg niet alleen aandacht voor het lot van de Surinaamse proletariërs, maar wees ook op het onwrikbare ongelijkheidsbeginsel tussen wit en zwart en het ontbreken van iedere mogelijkheid voor de Surinamer om zijn of haar stem te laten horen. De Kom was kort daarvoor uit Suriname verbannen.

Nederland, Harlingen, 18 november 2017. Demonstranten van Kick Out Zwarte Piet worden tegengehouden op weg naar de Sinterklaasintocht in Dokkum © Joris van Gennip / HH
***

Kolonialisme duldde geen tegenspraak. De moedwillige ‘verstomming’ van de antikoloniale stem wees op een fundamenteel spanningsveld in het mondiale politieke discours, waarin aan de stem uit de koloniën minder waarde werd gehecht dan aan de stem van de witte Europeaan. Sterker nog, de kritische stem uit de kolonie werd als subversief en gevaarlijk gebrandmerkt. Dat is nog steeds zo, ook al komen de antikoloniale stemmen vandaag niet alleen uit de voormalige kolonie, maar ook uit onze eigen samenleving.

Deze antikoloniale stemmen wijzen ons op de hypocriete manier waarmee we omgaan met de politieke principes van democratie en gelijkgerechtigdheid die we als essentie van onze samenleving hebben geformuleerd. Het probleem is echter meer dan een simpel spanningsveld tussen westers ideaal en koloniale werkelijkheid; het gaat om een wezenlijk verschillende manier van denken. Zo heeft het antikoloniale denken zich altijd beziggehouden met het probleem van structurele achterstelling en discriminatie als uitwas van kolonialisme en is dus per definitie emancipatoir van gehalte. In het Westen lag en ligt de nadruk op het Westen als bron van een superieure moderniteit – ironisch genoeg, omdat het Westen zichzelf als bakermat van de democratie beschouwt. De westerse fixatie op de eigen exclusiviteit maakt het mogelijk de gekoloniseerde en zijn of haar denken te marginaliseren.

Het mechanisme van verstomming van de antikoloniale stem is een cruciaal onderdeel van de koloniale apologie die momenteel opgeld doet. Het is niet aan Freriks, Emmer of wie dan ook om te bepalen of mensen zich miskend voelen. Daarmee worden de stemmen van mensen in of uit de ex-koloniën opnieuw invalide verklaard. Gilley vraagt zich niet af of mensen uit voorheen gekoloniseerde landen wel opnieuw gekoloniseerd willen worden. Voorstanders van het in stand houden van Zwarte Piet vragen niemand hoe het voelt om als mens tot een discriminerende karikatuur te worden teruggebracht.

Het is goed te beseffen dat deze mechanismen van verstomming een lange geschiedenis hebben. De koloniale verhouding gedijde bij onmondigheid. De inlander had geen recht van spreken. Niet voor niets noemde de Kameroense filosoof Achille Mbembe kolonialisme het ‘nachtlichaam’ van de democratie. Europese koloniale machthebbers onderdrukten antikoloniale intellectuelen die hun stem verhieven uit naam van principes van gelijkgerechtigdheid die de Europeanen zelf onderwezen en onderschreven.

Tradities van verstomming hebben zich, net als de koloniale trots en zijn gefrustreerde broertje, de apologie, na de dekolonisatie voortgezet. In het recente Nederlandse verleden zijn genoeg voorbeelden te geven van antikoloniale en postkoloniale denkers wier werk niet serieus werd genomen. Toen in 1984 het proefschrift Alledaags racisme van Philomena Essed in boekvorm verscheen werd geroepen dat zij te subjectief en meer activistisch dan wetenschappelijk was. Sterker nog, Essed kreeg te horen dat ze zich aanstelde, dat haar boek over gevoelens van miskende vrouwen ging en dat zij het racisme monopoliseerde.

***

Iets soortgelijks gebeurde ook in 2016 met een andere zwarte, vrouwelijke intellectueel, Gloria Wekker, bij het verschijnen van haar boek White Innocence. Ook zij werd en wordt ervan beschuldigd dat haar boek geen goede wetenschap zou zijn. Zij legde later uit dat een positivistische opvatting van objectiviteit nooit haar uitgangspunt was. Het bevragen en daarmee ontregelen van machtsstructuren, racisme voorop, is wel een van haar belangrijkste intellectuele ambities. Wekker voldoet niet aan het geijkte beeld van de westerse wetenschapper. Ze is geen man én niet wit, daarmee gaat ze regelrecht in tegen de koloniale orde waarin de gekoloniseerde vrouw haar mond moet houden.

‘Als ik een Nederlander was, ik zou nimmer zulk jubileum willen vieren hier in een door ons overheerscht land’

Dat Wekker het Nederlandse zelfbeeld als tolerante natie bekritiseerde, maakte dat ze een stortvloed van snerende, vaak racistische en seksistische kritiek over zich uitgestort krijgt. Critici noemden haar niet alleen ondeskundig, maar ook agressief en discriminerend – steeds weer opnieuw. Ook de redacteuren Rutger Bregman en Jesse Frederiks van De Correspondent deden een duit in dit zakje toen zij vorig jaar in een podcast uitgebreid reflecteerden op Wekkers werk, maar wel zonder haar uitgangspunten serieus te overwegen.

Essed en Wekker zijn geen uitzonderingen. Ook schrijfster Anousha Nzume is na het verschijnen van haar Hallo witte mensen weggezet als ‘een gekunstelde hype’ (Sylvain Ephimenco), ‘een giffabriekje’ (Elma Drayer), en als prekerig en irritant (Sylvia Witteman). In 2010 was dit mechanisme ook zichtbaar, toen Joost Zwagerman de schrijver en journalist Anil Ramdas ‘hardcore racistisch’ en haatdragend noemde omdat Ramdas het racisme van pvv-stemmers aan de kaak had gesteld en hen als ‘white trash’ had bestempeld. Vervolgens mocht Zwagerman zonder tegenstem in een praatprogramma zijn standpunt toelichten – Ramdas was niet uitgenodigd. Het doet denken aan de manier waarop antiracisme-activist Jerry Afriyie afgelopen najaar niet aan tafel mocht plaatsnemen bij het programma RTL Late Night, terwijl de inmiddels veroordeelde blokkeerfriezin Jenny Douwes wél een plek kreeg. Tijdens de uitzending kreeg Douwes vervolgens volop de kans Afriyie in een kwaad daglicht te zetten. Van wederhoor was nauwelijks sprake. Wie racisme aankaart in Nederland moet het ontgelden, dat blijkt steeds weer opnieuw.

Het is geen wonder dat juist racisme zo’n twistpunt is geworden. Racisme is immers het brandpunt van de koloniale ongelijkheid. Door hun kritiek op racistische tradities bevragen hedendaagse intellectuelen, net als hun voorgangers, de machtsstructuren en de dubbele moraal die uit het koloniale verleden zijn voortgekomen. Het merkwaardige feit doet zich voor dat de meeste Nederlanders racisme – net als kolonialisme overigens – afwijzen. Aan de andere kant wordt kritiek op wel degelijk bestaand racisme op een sterk etnocentrische manier afgewezen. De antiracistische, antikoloniale migrantenstem maakt daarmee duidelijk hoe oude paternalistische mechanismen over het goed bedoelende eigene en het intolerante andere in stand worden gehouden.

Het is ook geen toeval dat anti- en postkoloniale intellectuelen uit het verleden nauwelijks zichtbaar zijn in het Nederlandse debat en onderwijs. Zij worden niet als deel van de eigen intellectuele traditie gezien, maar als een radicale en on-Nederlandse of niet-westerse en in wezen vijandige minderheidsstem. Welke antikoloniale geluiden klinken er in de klaslokalen? Welke Afrikaanse of Indiase denkers zijn onderdeel van ons filosofieonderwijs? Wie hoort op school over Anton de Kom of Soewardi Soerjaningrat?

***

Op cruciale punten kan Nederland dus nog steeds geen afstand nemen van zijn koloniale mechanismen. De Britse socioloog Paul Gilroy spreekt in de Engelse context van het bestaan van ‘postkoloniale melancholie’. Dat is niet een kwestie van onschuldige nostalgie of een spel met het verleden. Gilroy betoogt dat de Britten niet wezenlijk afscheid hebben genomen van hun koloniale imperium en daarom nog steeds vasthouden aan de raciale hiërarchieën die het kolonialisme heeft voortgebracht. Dat zien we ook in Nederland, waar migranten uit voormalige koloniën zijn toegelaten die zich vervolgens vooral niet te druk mogen maken over de reële en symbolische erfenissen van het koloniale verleden, zoals racisme en uitsluiting.

De Nederlandse omgang met het koloniale verleden is in wezen schizofreen. Er wordt gesteld dat we kolonialisme en racisme min of meer achter ons hebben gelaten, maar tegelijkertijd vindt er in reactie op postkoloniale kritiek een herwaardering van datzelfde kolonialisme plaats. Deze wijze van redeneren zou je ‘asymmetrisch liberalisme’ kunnen noemen. Je kunt niet beweren dat we het kolonialisme terecht hebben afgeschaft en vervolgens zeggen dat we er nu geen probleem meer van moeten maken én op gezette tijden beweren dat het Westen de wereld toch veel moois heeft gebracht. Toch is dat wat velen doen. Het creëert een ruimte waarin we het koloniale verleden met de mond kunnen afwijzen maar er toch mee kunnen pronken.

Erger is dat daarmee een wezenlijk bestanddeel van de Nederlandse samenleving wordt geringschat. Criticasters van de Nederlandse koloniale geest worden steevast weggezet als Randstedelijke linkse activisten of ‘gekkies’. Deze houding wordt onder anderen aangenomen door vvd-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff, die bij herhaling het bestaan van een postkoloniale problematiek heeft gebagatelliseerd. Ook Volkskant-veteraan Martin Sommer laat zich regelmatig laatdunkend uit over postkoloniale kritiek. Volgens hem verdeelt ze de wereld in goed en kwaad, in ‘een onderdrukte die zichzelf niet kan zijn en een onderdrukker’. Hij pleit voor ruimdenkendheid met een claim op redelijkheid en neutraliteit; protesten zijn moralistisch en haatdragend.

Dergelijke oproepen tot ‘neutraliteit’ ontkennen dat er een probleem is. Dit wegblazen van antikoloniale stemmen als gek, subversief en subjectief is onderdeel van de koloniale apologie. Wanneer we de antikoloniale schrijvers, denkers en activisten in de publieke ruimte serieus nemen, moeten we namelijk óók ons koloniale verleden volledig serieus nemen en niet alleen accepteren dat Nederland andere volkeren onderdrukte, maar ook dat dit allerlei mechanismen in het leven heeft geroepen die nog steeds werken. Erkenning van het koloniale geweld en de structurele achterstelling van grote delen van de wereldbevolking gaat in tegen het Europese zelfbeeld als bakermat van rechtvaardigheid. Dat is even slikken. Onmiskenbaar hebben Europese denkers waarden van burgerschap, democratie en mensenrechten ontwikkeld die, mede door het kolonialisme, maar niet alleen daardoor, de agenda’s in de wereld hebben bepaald. De ironie is dat hetzelfde kolonialisme ook de bron is geweest van racisme en fundamentele ongelijkheid. Deze gespletenheid van emancipatiedenken versus superioriteitsdenken is de kern van het postkoloniale dilemma.

De postkoloniale discussie gaat over meer dan het verleden. Er staat iets veel fundamentelers op het spel – en het zijn vooral anti- en postkoloniale intellectuelen die ons daarop wijzen. Hun debat gaat uiteindelijk om politiek en cultureel burgerschap. Wat dus zo vaak als identiteitspolitiek wordt weggezet is in wezen niets anders dan een burgerrechtenbeweging die haar wortels heeft in het protest tegen de koloniale orde. Om die reden is het koloniale verleden opnieuw dagelijks mikpunt. Het is overigens goed om te beseffen dat de antikoloniale stem niet per definitie tégen de (koloniale) staat was gericht, net zo min als huidige antikoloniale stemmen zich van Nederland of de Nederlandse cultuur afkeren. Het omgekeerde is eerder het geval: de kritiek en protesten geven uiting aan een wens tot volledig politiek en cultureel burgerschap op basis van gelijkwaardigheid.

Nederland – en elk ander land met een koloniaal verleden en een migrantenpopulatie – moet zijn burgerschap opnieuw vormgeven. De voortgaande dekolonisatie is niets meer of minder dan de verdere verwezenlijking van het ideaal van liberale democratie die Europeanen sinds de negentiende eeuw in de politieke cultuur centraal hebben gesteld. Over die idealen zijn rechts en links het vermoedelijk eens. Toch blijkt het moeilijk te zijn om ernaar te leven. Een defensief, conservatief en soms agressief vasthouden aan vermeend oude tradities, de nadruk op de marginaliteit van het koloniale verleden en het vastklampen aan de superioriteit van de eigen stem lossen niets op. Je kunt niet globaliseren zonder je cultuur en je aannames over machtsverdeling te herzien.

Om uit de postkoloniale crisis te geraken, zal het Westen zich moeten realiseren dat het koloniale verleden zich niet laat gebruiken voor herwaardering. Het kolonialisme ontkent de centrale waarden waar het Westen voor zegt te staan. Het wil er kennelijk niet in dat de anti- of postkoloniale stem uit het kolonialisme is ontstaan en een onontbeerlijk deel van onze democratische cultuur uitmaakt. De ontwikkeling van de antikoloniale stem is een van de belangrijkste ontwikkelingen in de twintigste eeuw, omdat deze het Westen de spiegel van zijn eigen idealen voorhoudt. Het is van het grootste belang om te luisteren. We hebben het antikolonialisme nodig om onze politieke cultuur te vervolmaken.


Larissa Schulte Nordholt (1992) is historicus bij het Instituut voor Geschiedenis in Leiden. Haar onderzoek richt zich op Afrikaanse geschiedvisies in de jaren zestig en in het bijzonder de discussies rond mentale dekolonisatie. Remco Raben (1962) is historicus aan de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam en het Niod Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en houdt zich bezig met Indonesische en (post)koloniale geschiedenis