Prins claus von amsberg hup de monarchie

Even was het of de Duitsers weer binnenvielen, maar Claus heeft zich inmiddels laten omscholen tot model-Nederlander. Een linksige intellectueel, dat was even wennen. Maar bevend en met een huisvrouwensyndroom. Zo zien we ze graag, die moffen.
IN MEI 1965 viert Nederland de twintigste verjaardag van de bevrijding. De televisie vertoont de laatste van de eenentwintig delen van dr. L. de Jongs grootse epos over de bezettingsjaren.

Het Nederlandse volk vertolkt er de rol van David, die na vijf jaren van vernedering dan toch, weliswaar met hulp van buiten, zijn Goliath ziet neerstorten. Eendrachtig sluiten boeren en burgers zich aan om het vrijheidsfestijn te vieren in een polonaise van moffenhaat. Want: ze zijn weer terug! De arrogante Duitsers hebben het hart zich weer over de landsgrenzen te wagen om zich, ditmaal als toerist te Zandvoort, wederom in te graven in vaderlandse zandbodem. En ze zitten ook al in de Nato. In De Groene Amdammer bespeurt Jac. van der Ster bij zichzelf een ‘gebleven afschuw en wantrouwen jegens de Duitsers’. Hij waarschuwt de lezers: 'In vredesnaam, in Vredesnaam: houd ze in de gaten.’
Een dag na 5 mei publiceert de Britse Daily Express vier foto’s die laten zien hoe kroonprinses Beatrix innig gearmd met een nieuwe liefde door de tuinen van slot Drakensteyn wandelt. Is er een huwelijkskandidaat? Ja, en de Nederlandse pers vindt al snel uit om wie het gaat: Claus von Amsberg. Een Duitser met een slecht gevoel voor timing.
De achtendertigjarige diplomaat, die zich spoedig met Beatrix zal verloven, staat op de loonlijst bij het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij groeide op in Afrika maar werd voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog teruggestuurd naar het vaderland om er een gedegen opleiding te volgen. Als vanzelfsprekend werd hij lid van de Hitlerjugend en in de oorlog ingelijfd door de Wehrmacht. Von Amsberg werd er een eenvoudig soldaat en schreef geen noemenswaardige gevechtshandelingen op zijn conto. Zo leert een pijlsnel door de Nederlandse regering uitgevoerd antecedentenonderzoek.
Echt rechts, monarchistisch rechts, blijkt in zijn Oranjetrots wel tegen een stootje te kunnen, en vooral het vrouwelijk deel van de Oranje-aanhang toont na het zien van de blauwe ogen van de charmante diplomaat begrip voor Beatrix’ capitulatie. Zo niet progressievere kringen. Daar blijkt de gedachte aan een Duitse Prins der Nederlanden, zoals De Groene Amsterdammer schrijft, 'onverdraaglijk’. Het vorstenhuis dient van Duitsers verschoond te blijven. Gemakshalve wordt vergeten dat de leden ervan, na een eeuwenlange traditie van Duitse huwelijkspartners, minstens evenveel Duits als Nederlands bloed door de aderen hebben stromen.
HET MAAKT HET sprookje van de twee geliefden er niet minder om. Want stond Claus, inwoner van het rijk der Duitsers, niet in de tuinen van het Huis van Oranje zoals Romeo van het huis der Montagues onder het balkon van zijn Julia, dochter van het huis van Capulet? Twee geliefden, kinderen van vijandige clans.
In 1965 vraagt het Huis van Oranje van Claus hetzelfde wat Julia van haar aanbidder wenst: 'Tis but thy name that is my enemy! O, be some other name! What’s in a name? That which we call a rose. By any other name would smell as sweet.’ In Nederland gaan stemmen op de naam van de geliefde te verdietsen tot Klaas. Uiteindelijk komt hij er van af met Claus van Amsberg.
Het gesar in de media vermag de geliefden niet van de wijs te brengen. De romance leidt tot een verloving en de regering keurt het huwelijk goed, vermits de nieuwe Prins der Nederlanden zijn Duitse identiteit van zich afschudt en zich laat ombouwen tot model-Nederlander. Daartoe wordt een uitgekiend lespakket samengesteld. Claus krijgt taalles, staatsrechtles, leert het land kennen op een tournee langs de provinciën en krijgt als hoogtepunt een cursus Tweede Wereldoorlog van niemand minder dan Mr Tweede Wereldoorlog himself: dr. L. de Jong.
Met name dit deel van de heropvoeding wordt groots aangepakt. Staan bijvoorbeeld de Jappenkampen op het program, dan komen Wim Kan en Corry Vonk hem vertellen hoe erg het daar was. Claus getuigt keer op keer van zijn besef van het aangedane leed en loopt over van begrip voor de precaire verhouding met zijn vaderland.
Twintig jaar na de bezetting wordt de oorlog nog eens dunnetjes over gedaan. Maar dit keer heerst het Nederlandse volk van aanvang af en legt het de Duitser zijn wil op. Zo zien we ze graag, die rotmoffen: diep buigend en spijt betuigend, kruipend in het stof.
Claus slaagt met vlag en wimpel en speelt de rol van doodgewone, zuinige Nederlander met overtuiging. Binnenskamers is het wel even schrikken: een heuse intellectueel in de familie. Maar ook dat went. Koningin Juliana doet een spelletje met de kleinkinderen, Bernhard speelt wat met vliegtuig of jachtgeweer en Claus neemt de intellectuele vorming van zijn tien jaar jongere echtgenote op zich. Hij leert haar luisteren naar Mozart, Mahler en Strauss en brengt haar waardering voor literatuur en beeldende kunst bij.
Maar een volwaardige baan wordt hem niet gegund. Hij mag dan wat rotzooien in commissies voor ontwikkelingshulp, telkens stuiten zijn linkse ideeën uiteindelijk regering, parlement of De Telegraaf tegen de borst. In de jaren zeventig ziet de jonge garde intellectuelen die op de universiteiten vecht tegen de oude machthebbers haar strijd op koninklijk niveau weerspiegeld. Ook Claus strijdt voor meer gelijkheid en rechtvaardigheid en ook hij moet opboksen tegen conservatieve krachten.
MET DE JAREN ontpopt Claus zich tot een idealist en een ziener die vaak somber gestemd is waar het de nabije toekomst aangaat. Meer dan eens blijken zijn toekomstverwachtingen vervuld te zijn van raciale en etnische geschillen, sociale en politieke botsingen, milieuproblemen, armoede in sommige werelddelen en 'roekeloze overconsumptie in andere delen’. Van de vrije-markteconomie verwacht hij weinig soelaas; die is slechts gericht op de vraag 'hoe degenen die reeds rijk zijn, hun rijkdom nog verder kunnen vergroten’.
Het imago van Claus wordt dat van een wat wereldvreemde idealist die vanuit zijn ivoren toren uitspraken doet over rechtvaardigheid en 'essentiële kwesties die te maken hebben met zijn’. Daarmee bevestigt hij de positie die de weldenkende mens inneemt in een natie waarin elke gebeurtenis of beslissing van betekenis zijn oorsprong vindt in de handel. Mensen die boeken lezen zijn ongevaarlijk. Een handelsman, die bedrijven kan opkopen, ja, die heeft macht, maar een intellectueel is nauwelijks in staat een vlieg kwaad te doen.
Naast intellectueel icoon wordt Claus ook de man van de koningin. Zij is kostwinner en de baas. Hij volgt. In 1974 zegt de echtgenoot tegen Het Parool: 'Ik ben een mooi-weerzeiler. Een kleine zeilboot gaat nog, maar zo'n grote boot als de Groene Draeck. Nee, ook op het schip is mijn vrouw de kapitein.’
Claus past, mede dank zij zijn intellectuele imago, naadloos in het beeld van de geëmancipeerde man van de jaren zeventig: de goedmoedige sul die, ontdaan van elk spoor van machogedrag, is doorgeslagen naar een staat van bijna-vrouw. Hij is nog net geen huisman, maar de machtsverhoudingen binnen het huwelijk zijn in plaats van gedemocratiseerd al bijna omgedraaid.
Dat is te veel gevraagd van zowel de man in het algemeen als de Prins in het bijzonder. Het failliet van het nieuwe beeld van de aan de vrouw gelijke, geëmancipeerde man, wordt treffend geïllustreerd door de psychische break-down van prins Claus. Begin jaren tachtig raakt hij in een zware depressie. Gepoogd wordt nog zijn klachten als 'van endogeen psychische aard’ te verklaren, maar tegelijk wordt driftig gespeculeerd over de sociale factoren die een rol zouden hebben gespeeld. Welke man houdt dat nou vol, zeventien jaar in de schaduw van Beatrix, de kenau van Oranje? Had Claus niet zelf verklaard na zijn huwelijk in een identiteitscrisis te zijn beland? Bovendien krijgen een kleine twintig jaar knikken en buigen voor het Nederlandse volk opeens een naam in de vorm van de ziekte van Parkinson. Trillend, diep gebukt en met onzekere stem schuifelt Claus voortaan voor de camera’s van het volk. Het maakt dat hij definitief in de harten der Nederlanders wordt opgenomen. Zó kunnen we de mof wel lijen: ziek, zwak en misselijk.
ANNO 1997 IS de knechting van Claus voltooid. In een keur van vernederingen is alle vermeende Duitse arrogantie eruit geramd en met de onderwerping van Claus von Amsberg heeft Nederland alsnog op eigen houtje de oorlog gewonnen. Voortaan wordt de Duitser weer in ons midden geaccepteerd. Wel moest hij daartoe eerst van zijn mannelijkheid ontdaan. Want eigenlijk is het natuurlijk gewoon een homo, de softie, en weten we allemaal wat er in het handtasje van Beatrix zit - de afstandsbediening van Claus.