Prinses marianne

1848 WAS EEN gruweljaar voor de Europese vorstenhuizen. Overal woedde het republikeinse oproer. In Berlijn streed Von Bismarck met getrokken revolver voor zijn Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV. Parijs was veranderd in één grote barricade. Zelfs in Nederland dreigde opstand, maar koning Willem II koos eieren voor zijn geld en ging akkoord met een constitutionele monarchie.

Als toegift op al dit revolutionaire geweld kwam het nieuws van de scheiding van prinses Marianne van Oranje-Nassau en haar echtgenoot Albert van Pruisen. Marianne, dochter van koning Willem I en diens nicht Wilhelmina van Pruisen, leefde al jaren in onmin met haar despotische echtgenoot, tevens haar volle neef. Sinds hun huwelijk in 1830 had haar prins zich doen kennen als een ware tiran. De man stortte zich op ieder kamermeisje ten paleize en onderhield in alle openheid amoureuze betrekkingen met de dochter van zijn minister van Oorlog, Rosalie von Rauch. De prinses beklaagde zich telkenmale bij haar vader, de koning-koopman, en haar broer koning Willem II, maar kreeg telkens te horen dat van een scheiding geen sprake kon zijn. Daar nam ze geen genoegen mee. Ze was onstuimig, decadent, avontuurlijk, mondain, een femme savante, feministisch pionierster in een super-macho-tijd.
‘Wat prinses Marianne telkens weer werd kwalijk genomen, was haar neiging tot initiatief; en dan nog wel in de meest verschillende opzichten, tot aan het seksuele toe’, zo schrijft de Hongaarse royalty-journaliste Ilona Stein in haar twee jaar geleden verschenen schandaalkroniek Liefdesleven en -leed van de Oranjes.
Met de dood van haar vader in 1846 viel haar een enorm kapitaal ten deel en vanaf dat moment ontvluchtte ze het deprimerende hofleven in Pruisen wanneer ze maar kon, altijd vergezeld van haar minnaar, de gewezen koetsier Johannes van Rossum, een Hagenaar uit de beruchte Dronckemanssteeg. De getrouwde Van Rossum klom al snel op in de hofentourage van Marianne en werd haar particuliere secretaris.
De romance maakte de nodige boze tongen los. Van Rossum zou qua temperament niet veel veschillen van Mariannes Pruisische echtgenoot. 'Het is moeilijk zich een man voor te stellen, brutaler en gemener dan Van Rossum, en een vrouw, meer ontaard dan Marianne’, zo schreef de Groningse republikein Eillert Meeter vanuit zijn Britse ballingsoord. 'Van Rossum liet geen gelegenheid voorbij gaan om in het openbaar aan te tonen dat hij heer en meester was over de ongelukkige prinses en hij behandelde haar demonstratief op de autoritaire wijze waarop een Oosterse radjah zich tot zijn slaven richt.’
Marianne maakte geen geheim van haar relatie met Van Rossum. Haar familie sprak er schande van. 'Het zou een zegen zijn als iemand Marianne tot een geregeld leven zou kunnen brengen’, zo schreef Anna Paulovna, Mariannes Russiche schoonzuster. Sophie van Würtemberg, vrouw van koning Willem III, was nog pertinenter. 'Marianne leidt een laag-bij-de-gronds, abominabel leven’, schreef deze aan een Britse hartsvriendin. 'Ik ben wel verplicht haar de toegang tot mijn huis te weigeren.’
IN 1846 LIET Marianne merken wat ze vond van al die familieleden die haar behandelden als het zwarte schaap van Oranje. Tijdens het Nieuwjaarsbal van Willem II en diens vrouw koningin Anna Paulovna in Den Haag zorgde ze voor opschudding door tegen het uitdrukkelijke bevel van de koningin in toch op het bal te verschijnen, hoewel ze op dat moment geveld was door de in die dagen hevig woedende pokkenepidemie. Een dochter van de Britse gezant in Den Haag legde het incident vast in een brief: 'Toen het feest in volle gang was, verscheen de Prinses, geheel bedekt met pokken. Zij liep regelrecht naar de Koningin, die haar handen op haar rug hield. De Koning (Willem II) schudde haar de hand en de consternatie was algemeen. Mijn moeder droeg mij op, zoals ik denk dat de meeste moeders deden, mij zo snel mogelijk naar het verste vertrek te spoeden, dat ik kon bereiken. De Prinses had de haastige uittocht snel in de gaten en schudde de handen van zoveel mogelijk meisjes, ook de mijne. Veertienhonderd personen hebben de pokken gekregen, de koning en enkele prinsessen inbegrepen. Gelukkig vielen er geen doden.’
Het was een typerende actie voor Marianne. Waar zij zich te kort gedaan voelde, sloeg ze keihard terug. In mei 1848 was de breuk met haar Pruisische echtgenoot definitief. Marianne bleek zwanger van haar minnaar Van Rossum. Haar woedende schoonfamilie ging er gelijk toe over haar uit Pruisen te verbannen. Men dreigde dat ze haar drie kinderen nooit meer mocht zien. Ook het Nederlandse hof ging over tot excommunicatie van de overspelige prinses. Marianne kocht een landgoed in Voorburg, waar ze samen met haar minnaar een nieuw leven begon.
AL SNEL DEDEN geruchten de ronde dat er op Mariannes landgoed Leeuwensteyn in Voorburg 'liederlijke kunstjes’ werden uitgehaald. De predikanten in de omgeving verboden jonge mannen in dienst te treden van de erotomaan geachte Oranje-prinses. De reeds genoemde Groningse republikein Eillert Meeter schreef in zijn memoires over Mariannes 'onnatuurlijke gruweldaden, die hier geen nadere bespreking verdragen’. Details hierover gaf Meeter niet.
Dat gebeurde pas in 1938 door de historicus W.J.J.C. Bijleveld. Deze schreef over wilde seksorgieën die onder Mariannes bezielende leiding zouden hebben plaatsgevonden op het landgoed. Bijleveld sprak vooral schande van een zogeheten 'Prinsessenboom’, een soort verboden lusttempel die in de tuin van Leeuwensteyn zou hebben gestaan. Het ging, aldus Bijleveld, om 'eenen basteloozen boom van grooten omvang, waarin op den top een zitje getimmerd was, met tafel en een paar stoelen; daar zat een jonge meid, wier lange rossige haren haar eenig kleed vormden, terwijl een aantal mannen, op dit gebied slechts voorzien van gespoorde rijlaarzen, in blijkbaar hevige opwinding den top van den spiegelgladden boom trachtten te bereiken. De prijswinnaar kreeg dan den buit onder de oogen van zijne vorstelijke gastvrouw.’
Bijleveld betrok deze informatie naar eigen zeggen van een 'zeer kundigen, bijna 80-jaarigen bloemkweker’ uit Voorschoten die in zijn jonge jaren als tuinman voor Marianne had gewerkt. Ook een zekere dominee Sluiter uit Voorschoten zou als bron hebben gediend. Daarnaast had Bijleveld op veilingen pornografische lectuur en afbeeldingen aangetroffen waarin aard en wezen van de 'arbre de la princesse’ omstandig uit de doeken werd gedaan. Ook in Ilona Steins Liefdesleven en -leed van de Oranjes wordt de Prinsesseboom gemeld.
IN ZIJN DEZE MAAND verschenen boek Marianne, een Oranjeprinses, trouw tot in de dood, maakt Kees van der Leer namens de Historische Vereniging Voorburg echter korte metten met de mythe van Mariannes Prinsesseboom. Terwijl Stein meldt dat Marianne Leeuwensteyn kocht in 1848, toen ze naar liefde smachtend haar Berlijnse paleis was ontvlucht, kwam het landgoed met de vermeende Prinsesseboom pas in 1861 in haar bezit. Van der Leer schrijft: 'Dat was het jaar waarin de tragiek haar leven diepzwart kleurde en godsdienstige gevoelens haar dagen steeds meer vulden. Een “Prinsesseboom” met erotische klauterpartijen lijkt daarin ondenkbaar. Ongetwijfeld hoort die boom thuis in de categorie achterklap van hofdames en anderen die graag meehuilden met de wolven en gretig ranzige voorbeelden zochten. Zulke voorbeelden moesten vooral bevestigen hoe diep een prinses was gevallen die het hield met haar koetsier.’
Dat is heel wel mogelijk. Niettemin gaf Marianne er regelmatig openlijk blijk van dat ze zich weinig gelegen liet liggen aan kritiek op haar levenswandel. Nederland benauwde haar al evenzeer als indertijd Berlijn. Ze verbleef het liefst in haar weelderige paleis in Italië. Ook raakte ze gepassioneerd door de verlokkingen van de Oriënt. In 1850 maakte ze met Van Rossum aan haar zijde een lange reis door het Ottomaanse rijk. Op 14 augustus 1850 wijdde de ’s-Gravenhaagse Nieuwsbode een bericht aan de opmerkelijke aankoop waarmee Marianne net was teruggekeerd naar Voorburg: 'De kleurling, welke door H.K.H. Prinses Marianne op hare reis is meedegenomen, en door Haar te Caïro in Egypte op de slavenmarkt is aangekocht, trekt de algemene aandacht nogal op zich. Zoo wij wel onderricht zijn, dan is hij uit Nubië herkomstig, hetgeen zijn hoog koperbruine kleur, eenigszins dikke lippen en breede neus ook wel aanduiden. Hij schijnt ongeveer 15 jaar oud en is van eene zeer schoone gestalte. Hij spreekt reeds een weinig Hollandsch, en toont nog al eenige vatbaarheid en scherpzinnigheid te bezitten. Dagelijks wordt de dorpsschool door hem bezocht.’ Al snel deden de geruchten de ronde over Mariannes Nubische seksslaaf. Ook daar trok de prinses zich weinig van aan.
Toen ze in mei 1883 op haar sterfbed lag, kon ze terugkijken op een opwindend leven. De Oranjes vergaven het haar niet. Op haar begrafenis liet koning Willem II verstek gaan. Hofrouw was er niet. Marianne werd ook niet bijgezet in de koninklijke grafkelder van Delft. Nog steeds geldt het noemen van haar naam als een groot taboe in de paleizen van Beatrix.