Prinses palmen

In Limburg was ze vooral Assepoester, in Amsterdam een moderne Eva. Uiteindelijk kroonden prins Ischa en prins Hans haar tot hun droomprinses. Het leven van Connie Palmen als rolmodel voor alle ontheemde vrouwen van nu.

HET LEVEN VAN Neerlands beroemdste schrijfster Connie Palmen heeft veel weg van een sprookje. Een vrouwensprookje wel te verstaan, schoon en wreed, maar met een goede afloop. In haar sprookje speelt ze bijna alle rollen die in dit klassieke genre voor een vrouw zijn weggelegd: Assepoester, Sneeuwwitje, prinses op de erwt, al naar gelang het haar uitkomt. Het hoofdthema van haar levensvertelling is eigenlijk heel eenvoudig: ze verandert van spichtig jong eendje in een mooie, zij het wat excentrieke zwaan.
Al haar rollen zijn ondergeschikt aan die ene opwaartse beweging. Ook haar tegenspelers zijn er enkel voor haar. Neem de zeven mannen in haar debuutroman De wetten. Uiteindelijk blijken het allen dwergen, bijfiguren, die de argeloze jonge studente Sneeuwwitje dwingen in de spiegel te kijken, en inderdaad, te erkennen dat er maar één de mooiste van het land is. De astroloog verklapt haar het ‘inzicht’ dat haar 'verhaal’ al geschreven is. De epilepticus leert haar de boodschappen, de tekenen van het lichaam te verstaan. En zo hebben ook de filosoof, priester, fysicus, kunstenaar en psychiater uit het boek hun levensles voor de jonge studente filosofie. Ze zijn allen wegbereiders voor het, naar later blijkt, voorlopige happy end van haar sprookje. Ze zijn de aankondigers van de prins op het witte paard, die zichzelf omschrijft als 'nummertje acht’, en die Assepoester omtovert tot prinses.
Maar het levensverhaal van dit eens zo bleue meisje uit het Limburgse Sint Odiliënberg past niet alleen tussen de evergreens van Jacob Grimm en Hans Christiaan Andersen. Ze speelt ook een andere rol in haar leven, een rol die moeilijk lijkt te verenigen met haar lieflijke Assepoester- en Sneeuwwitje-creaties. Palmen is niet enkel de vrouw die dankbaar ontvangt en geeft, ze is ook - en misschien nog wel het meest van alles - de vrouw die neemt. En als zodanig is ze een voorbeeld voor alle vrouwen die aan het einde van de eeuw nog altijd worstelen met hun gebrek aan onafhankelijkheid, twee feministische golven en een overvloed aan vrouwvriendelijke Adams ten spijt.
Wat die rol is? Nog maar eens Palmens sleutelboek De wetten erbij gehaald. Aan man nummer vier, de priester, haar geestelijke biechtvader, doet Palmen een belangrijke ontboezeming. Als jong meisje is ze helemaal kapot van het verhaal over de zondeval. Ze schrijft: Elke keer als 'ik bij de scène belandde waar Eva staat te aarzelen bij de boom, kon ik het wel uitschreeuwen van angst: “Doe het niet! Doe het asjeblieft niet!” ’ Ze had zelfs een fantasie hoe zij persoonlijk het verhaal van de zondeval teniet zou gaan doen. Maar, vertelt ze de priester, 'het vreemde was, ik had geen greep op die fantasie. Iedere poging om in te grijpen, het verloop om te buigen en een prachtige heldenrol op me te nemen, door de slang met blote handen te wurgen of op een drafje naar God toe te rennen om hem bijtijds te waarschuwen, veroorzaakte enkel een gevoel van verlamming. Ik kon niets doen aan mijn fantasie. Ik moest het verhaal steeds weer hetzelfde laten verlopen.’
Toeval, die onmacht? Welnee. Iedere vrouw die dit emancipatoire oerverhaal om zeep brengt, die Eva met terugwerkende kracht de beet in de appel bespaart, vernietigt uiteindelijk zichzelf. Natuurlijk: de verleiding om deze scheppingsvertelling te herschrijven en van Eva weer een oppassende vrouw te maken, is groot. Adam en Eva vóór de zondeval staan immers voor het warme, huiselijke leven. Hij is de tuinman die iedere vrijdag de centjes binnenbrengt, plus een bosje bloemen. Zij is 'moeder-de-vrouw’ die alle weldaden blozend ondergaat. Het is een en al veiligheid, nestgeur en verwennerij in dat paradijs, een beetje 'wieje sjoën oos Ljimburg isj’, en een beetje Nederland in de jaren vijftig.
Het meisje Connie Palmen moet zijn aangetrokken door die allesoverheersende warmte, door dat 'wonen’ in een koekjestrommel. Tegelijkertijd moet ze het er Spaans benauwd van hebben gekregen. Ze moet hebben aangevoeld: als ik Eva haar zonde ontneem en weer het brave Limburg-gelijke paradijs in stuur, teken ik mijn doodvonnis als vrouw, en kies ik voor een altijddurend onbewust zijn. Haar leven zou dan zijn verlopen als dat van haar vrouwelijke streekgenoten: (ogenschijnlijk) kuis en thuis voor de treurbuis. In het beste geval was ze een streekromanschrijfster geworden, een soort Corry Konings - de zangeres van de Heikrekels - van de Limburgse literatuur. Maar waarschijnlijk zou ze nooit meer achter de groene heuvels vandaan zijn gekomen. Het meisje Palmen had, ook al wist ze dat nog niet te benoemen, maar één keuze: de rol van Eva na de zondeval, de vrouw die at van de boom der kennis.
TOCH ZAG HET er aanvankelijk niet naar uit dat ze deze stap zou nemen. Alles om het jonge meisje Palmen heen wees naar de grote vereffenaars van de zondeval. Naar het tweetal wier feest deze maand voor de tweeduizendste maal wordt gevierd, naar Jezus en Maria, die gezamenlijk de mens verlosten van de zonde die de oude Jantje Pek met behulp van slang en vrouw in de wereld had gebracht. Hoog boven Palmens geboortedorp uit torent de kloosterbasiliek van Sint Odiliënberg. In deze geloofsburcht vol met beeltenissen van het anti-Eva-koppel moet Connie Palmen vaak geweest zijn. Als meisje moet ze erg onder de indruk zijn geraakt van al het verbale en iconische religieuze geweld in haar omgeving. Ze was zelfs zo begeesterd dat ze ernaar verlangde non te worden - overigens liet ze dit plan varen toen ze les kreeg van nonnen en ontdekte dat onder elke kap een grote kat zat. Haar devotie was dermate groot dat haar goed katholieke familie het nodig vond haar enigszins af te remmen - en dat terwijl haar moeder 'erg op Maria’ was. Nu nog signaleert haar voormalige dorpsmavoleraar Nederlands 'een bijna religieuze dweperigheid’ bij zijn Connie.
De omslag kwam in haar vroege pubertijd. 'Het is fout gelopen tussen ons (God en Connie - jp)’, schrijft Palmen, 'toen ik de Witte-Beertjes-pocket in handen kreeg, waarin lezingen stonden van Mijnheer Jean-Paul Sartre, over het existentialisme. Ik was’, vervolgt ze, 'bijna veertien.’ Het ging om een denkbeeldig duel tussen haar nieuwe, net ontdekte leermeester en haar oude geestelijke voogd, de tirannieke dorpspastoor, een mensensoort dat in Limburg in 1986 nog vrij kon rondlopen. Wat er precies gebeurde, vertelt Palmen in De wetten. Het speelde allemaal tijdens de sacramentsprocessie, wanneer de hostie wordt rondgedragen door het dorp. De dertienjarige Palmen stond langs de kant van de weg en had zich voorgenomen niet te knielen als de monstrans voorbij kwam. Maar toen het zilverkleurige gevaarte met hostie op tien meter afstand was, deed ze de eerste concessie. Ze vouwde haar handen losjes voor haar buik. Wel prevelde ze in zichzelf nog zachtjes haar nieuwe gebeden: 'Mens, vrijheid, verlatenheid, keuze, verantwoordelijkheid, daden.’ Maar veel verder kwam ze niet. Enkele seconden later snauwde de dorpspastoor haar toe: 'Knielen voor het Allerheiligste, witte!’ Daarop volgde haar tweede concessie. Voor ze het wist stortte ze zich op haar knieën, voor de hostie, voor de minuscule katholieke 'samenvatting’ van de man die daadwerkelijk de zonde van Eva had uitgewist, die dus precies datgene had gedaan waarvoor zij, indien het mogelijk was geweest, te laf was, of misschien wel te verstandig.
EEN CAPITULATIE, DAT wel, maar de twijfel was gezaaid. Palmen schrijft dat ze niet precies wist voor wie ze was neergeknield. Het kon ook Sartre zijn geweest. Hoe het ook zij, de eerste hindernis was genomen, de eerste stap richting uitgang paradijs was gezet. Van haar kameleonachtige levensregel: domheid voorwenden om te overleven, zou ze steeds vaker last krijgen, en ze zou er steeds minder naar leven.
Assepoester moest inbinden, Eva was wakker geworden. En deze zou niet meer rusten totdat ze Sartre en Foucault had geproefd, of beter gezegd: had verslonden. Maar eerst waren er nog enkele andere zaken te regelen: vooral vrouwendingen. Breien, haken en borduren, ofwel het handwerken, de discipline-initiatie die elk jong meisje moest ondergaan. Palmen haatte het, en ze slaagde erin haar moeder zo gek te krijgen de van school mee naar huis gesmokkelde handwerkstukjes af te maken. En dan was er nog het lichaam, dat wapen dat ze later heel geraffineerd leerde gebruiken, maar dat haar als jonge vrouw danig in de weg zat. Ze had als bijna alle meisjes een eetprobleem. Hoe meer ze aan de calorieën dacht, hoe dikker ze werd en hoe meer ze ging lijken op een voortijdig mollig moederkuiken, dat ze verafschuwde en waarvan er in haar dorp al genoeg waren. Pas toen ze bedacht: het zit in mijn kop en niet in mijn dijen, kon ze eten zo veel ze wilde zonder aan te komen. In haar tweede boek, De vriendschap, beschrijft ze haar eetcomplex en haar bevrijding daarvan heel theatraal. 'Voedsel is schuldeloos’, concludeert ze - het kan niet anders of duizenden vrouwelijke lezers moeten die wijsheid als leus aan de muur hebben hangen. Een ander lichamelijk ongemak was de maandelijkse periode. Of de dorpsdokter haar niet even een verwijsbriefje kon geven om haar baarmoeder te laten verwijderen, vroeg ze als zeventienjarige. Dat ding zou ze toch nooit meer nodig hebben.
Zo zijn er meer voorbeelden. Telkens weer is er een vast patroon: het meisje Connie wil de macht over haar leven, krampachtig en soms onhandig. Limburg met haar frikadellen smullende boerenknapen, met haar hoogzwangere moedertjes van negentien, met haar schattige onderdanig gepaardestaarte meiskes - het kon haar gestolen worden. Ze wilde er weg. Een uitzondering maakte ze voor haar moeder. Voor haar wilde ze best een plooirokje dragen en wat rondklungelen op de plaatselijke pabo. En vanzelfsprekend was er ook haar vriendin die haar aan het bronsgroen eikenhout bond - ook weer zo'n typisch meisjesprobleem: de hartsvriendinnen die elkaar in de tang houden uit verlatingsangst. Uiteindelijk zou ze echter ook moeder en vriendin achter zich laten. Alles met één doel: als vrouw een eigen leven leiden.
Helemaal Assepoester af, helemaal weg uit Limboland temidden van haar dorpsgenoten was ze alleen als ze dronk. Drank was voor haar wat het voor vele Limburgers is: de meest effectieve en snelle remedie tegen extreme schuwheid en gezagsgevoeligheid. Zelf zegt ze hierover tegen Bibeb: 'Iedereen heeft een reden om te drinken. Bij mij was het de angst voor binding, afhankelijkheid, machteloosheid.’
DE VERLOSSING KWAM in Amsterdam, de stad waar al haar dromen zouden uitkomen. In haar studiestad leerde ze dat Eva niet alleen opstandig hoefde te zijn. Eva kon verleidelijk zijn en zich laten verleiden. Ze had, kortom, de regie in handen. Sterker nog: Eva en Assepoester, ondervond ze, konden heel goed samengaan - als ze een verbond sloten, waren ze alle mannen van de wereld de baas. Voor de hoorcolleges van de meest vermaarde leraar filosofie verruilde ze spijkerbroek voor rokje, netkousen en artistiek hoedje. Vaak sprak ze in plaats van Nederlands ineens slissend, zwoel Limburgs. Natuurlijk over de meest moeilijke onderwerpen, over Hegel en Schleiermacher. Maar ook cijferde ze zichzelf weg en bracht de priester-geleerde met wie ze als studente contact had gezocht naar bed, na al zijn sadomasochistische verhalen te hebben aangehoord. En in voorkomende gevallen droeg ze gewoon spijkerbroek en jack.
Van dit alles en van wat zich daarvoor afspeelde, maakte ze literatuur en op dat moment werd haar sprookje compleet. Innemend als Assepoester en doortastend en zonodig wulps als Eva won ze prins Ischa en veroverde ze talloze onderdanen, waaronder opvallend veel vrouwelijke lezers, die haar boeken vol meisjes- en vrouwenproblemen lazen alsof het hun bijbels waren. Zelfs het keurkorps der recensenten liep aanvankelijk weg met haar verfrissende geluid. Ischa verloor ze, zoals bekend, na vier gelukkige jaren vol beminnelijke hanengevechten. Ze deed daar in boekvorm verslag van, vaak tenenkrommend, doch even zo vaak ontroerend. Maar hoe dan ook inzicht verschaffend in een van Neerlands meest bizarre intellectuelen-'huwelijken’.
GELUKKIG VOOR HAAR is er weer een nieuwe prins gekomen. Godzijdank heeft hij net als Ischa het 'gezicht van een publieke man’, het gelaat dus van de man die haar 'tussen de anderen’ moet 'uitlichten’, haar 'bijzonder’ moet 'maken’ en 'onttrekken aan de massa’. Tot overmaat van vreugde is ook het publiek gebleven. Vooral de vrouwen zijn haar trouw, blijkens de zalen vol dames op haar boektournees. De oorzaak daarvan is simpel: alle vrouwen herkennen feilloos haar sprookje, dat zich in een eenvoudig schema laat omschrijven: Assepoester-Eva-Prinses. Iedere vrouw zou voor zulk een levensloop tekenen, en iedere vrouw ziet haar leven graag in dat kader. Natuurlijk wel volgens laat-twintigste-eeuwse feminiene waarden en normen.
En het mooie is: Connie Palmen is van die waarden en normen de verpersoonlijking. Ze mag dan wel een prinses zijn, maar ze heeft ook veel weg van Eva. Ze windt de mannen om haar vinger. Die mogen dan wel denken dat zij de baas zijn, maar ondertussen heeft Palmen de broek aan en dansen de mannen naar haar pijpen.
Haar methode is simpel: ze neemt wisselend alle gedaanten aan die een vrouw kan hebben en die een man graag in een vrouw ziet. Voor Ischa speelde ze Marilyn Monroe en Simone de Beauvoir, ze was even gemakkelijk de grand lady van een bal als het meisje in pyjama. Ze sprak de zachte g, die hij zo lekker vond, vet aangedikt, en in één moeite door bewees ze het algemeen bekakt Nederlands uitstekend te beheersen. Ze was de moeder en zus bij wie hij kon uithuilen, ze was de minnares, de clown, de filosoof en nog veel meer. En zo heeft ze waarschijnlijk ook 'haar nieuwe man’ Hans van Mierlo ingezwachteld en ingepakt. Alles wat mannen tot op heden het liefst verdeeld in meerdere vrouwen zien, verenigt Palmen in haar persoon. Aldus ontneemt ze de heren der schepping hun liefste wapen tegen het zwakke geslacht: de verdeel-en-heers-strategie, dat is: een vrouwtje voor in bed, een vrouwtje voor in de keuken, een vrouwtje voor het goede gesprek. De man die met Palmen is, rest maar één ding: haar bewonderen, haar adoreren, en uiteindelijk haar volgen.
En zo wijst deze Jomanda van de Nederlandse literatuur al haar honderdduizenden vrouwelijke lezers de weg. Haar devies: als we als vrouwen niet zonder de man kunnen, laten we hem dan de hemel in prijzen, imiteren, liefhebben en overdonderen met onze talloze kwaliteiten, en hem op die wijze neutraliseren. Oftewel: neem en eet hem, zijn lichaam en zijn geest. Zo betoverde Palmen als Assepoester de zeven heren uit De wetten, zo 'nam’ ze als Eva en als stadsprinses Ischa, en zo 'neemt’ ze Hans. Aldus blijft haar sprookje waar, tot in lengte van dagen.