Privatisering mag geen geloofsartikel zijn

In de parlementaire onderzoekscommissie van de Eerste Kamer naar de privatisering van overheidsdiensten in de afgelopen twintig jaar zitten twee leden met een extra interessante geschiedenis: VVD-senator Frank de Grave en zijn CDA-collega Gerrit Terpstra. Beiden hebben ze in die afgelopen twintig jaar in de Tweede Kamer en/of het kabinet gezeten en in die hoedanigheid zelf meegewerkt aan die privatiseringsgolf.

Medium commentaar privatisering

Hoe gaan zij hun eigen denken, doen en laten in die jaren evalueren? Zijn ze in staat open te staan voor het verwijt dat privatisering een geloof leek waar tegenargumenten langs afgleden als water langs een vette huid en waarvoor concrete bewijzen dat het beter was overbodig werden verklaard? Het onderzoek zou immers van hen kunnen vragen van hun geloof af te vallen. Dat is veel gevraagd van een mens, en ook van een politicus.

Dat de Eerste Kamer een eigen parlementair onderzoek is gestart is uniek. De aanleiding daarvoor is dat niet: parlementair onderzoek volgt alleen als er in de praktijk problemen zijn gerezen met een in Den Haag genomen besluit of het uitblijven daarvan.

De problemen op het spoor bij vallende bladeren of strenge vorst zijn voor de meeste Nederlanders het concrete symbool van de negatieve effecten van de privatiseringsgolf. Dat de verzelfstandigde NS sinds kort pleit voor samenvoeging met het destijds afgesplitste ProRail is voor hen het bewijs dat de verzelfstandiging een foute beslissing was.

Maar waar eerst privatisering een geloof was, mag nu het omgekeerde niet een zelfde soort, niet te bevragen geloofsartikel worden. De premisse dat het automatisch beter is, zoals de voormalige vice-voorzitter van de Raad van State Herman Tjeenk Willink op de eerste verhoordag zei over de privatiseringsgolf, moet niet opnieuw gaan gelden voor het tegengestelde. Spoor of telefonie, uitkeringsinstantie of elektriciteitsnet, elke verzelfstandiging uit het verleden, en in de toekomst, moet op haar eigen merites worden beoordeeld.

Die merites moeten dan niet alleen voortaan benoemd worden, daar heeft het volgens de president van de Algemene Rekenkamer Saskia Stuiveling in het verleden immers compleet aan ontbroken. Ze moeten ook ruimer worden opgevat dan alleen het concreet meetbare, zoals kosten, inkomsten of aantallen mensen die zijn vervoerd dan wel van een uitkering voorzien. Zo moeten burgers weten waar ze terechtkunnen als er problemen zijn rond hun uitkering. Kan de politiek dan zeggen: sorry, wij bepalen weliswaar het beleid, maar je moet met je klacht niet bij ons zijn?

Volgens Tjeenk Willink heeft dit op afstand plaatsen van politieke verantwoordelijkheid de democratische rechtsstaat verzwakt. Het is al jaren zijn stokpaardje, maar daarom niet minder waard om naar te luisteren. Efficiency en democratie staan op gespannen voet met elkaar, juist politici zouden daar oog voor moeten hebben.

In het najaar hoopt de onderzoekscommissie haar bevindingen te publiceren. Dan is een nieuw gekozen Tweede Kamer zeer waarschijnlijk nog bezig met de kabinetsformatie en het opstellen van een nieuw regeerakkoord. Verdere vermarkting van de zorg is dan een eerste testcase. Op dat punt zijn het de VVD en de SP die het verst van elkaar af staan. Is de arts een producent? is de vraag die de SP aan de vrije-marktdenkers van de VVD stelt. De onderzoekscommissie moet van goeden huize komen wil ze beide partijen ertoe kunnen bewegen met een open blik te kijken en hun geloof eventueel bij te stellen.