Privézaken

Ik kreeg de drukproef binnen van de brievenverzameling van Arnon Grunberg, die straks in de Privé-domein-reeks zal verschijnen. Ik ben niet zo gek op het lezen van brieven die niet aan mij zijn geschreven.

De intimiteiten kan ik niet goed navoelen, en dan gaat het vorm- en oeverloze me opbreken. Uiteindelijk ben ik meer geïnteresseerd in iets oprecht kunstmatigs dan in iets zogenaamd echts. Maar ik merkte dat ik toch, nog staand bij de eettafel waarop ik de post had gelegd, het elastiekje van het pakket af schoof, en een beetje begon te bladeren, de naam van Roos Ouwehand viel me op, ik ging kijken wanneer de brieven werden geschreven, en opeens las ik er eentje helemaal. Hij was gericht aan Marianne, zijn eerste echte vriendin zal ik maar zeggen, degene met wie hij na de publicatie van zijn debuutroman Blauwe maandagen naar New York vertrok.

Ik had vroeger een vriendin die het liefst biografieën en egodocumenten las. Als we samen op reis waren, lag zij iedere keer als ik wakker werd al weer een dik boekwerk over het leven van Katherine Mansfield te lezen, of de brieven van V.S. Naipaul, de biografie van Jean-Paul Sartre. Ik wantrouwde die interesse voor het persoonlijk leven van schrijvers. Lees gewoon het echte werk maar, dacht ik. Dat brengt je verder dan al die muizenissen van het echtelijke of buitenechtelijke leven, de conflicten en de schulden. Naar mijn idee had ze net zo goed de Privé kunnen liggen lezen, of de Story. Ook omdat ze me zo gauw ik mijn ogen opendeed altijd wel een onwelkom feitje ongevraagd aan de hand deed. ‘Wist je dat Simone de Beauvoir eigenlijk altijd dronken was?’ vroeg ze dan. Ik hoorde triomf in die vraag.

Waarschijnlijk was ik overigens zelf bang geïnteresseerd te zijn in de verkeerde dingen. De dingen waarvoor ik een raar goed geheugen heb. Zo zie ik nog precies Marianne voor me, zoals ze meekwam met Grunberg op het boekenbal, nu meer dan twintig jaar geleden. Ze stonden samen boven aan de trap in de schouwburg, blij en verwachtingsvol op de uitkijk. Vooral haar ronde stralende gezicht maakte indruk op me; ze keek als een kind dat een heerlijke nieuwe wereld geopenbaard gaat worden.

Wie zijn we als we niet meer samen zijn? Welke verhalen zullen we over elkaar en onszelf vertellen?

Misschien is het die herinnering aan het open gezicht van toen dat de brief aan Marianne – hij is van juli 1994 – me onverwacht raakte, zo staand lezend aan de eettafel, de postbode zal de straat nog niet eens uit zijn geweest. Het is een beginselverklaring op relationeel vlak: Grunberg maakt zijn vriendin duidelijk wat zij wel en vooral niet van hem kan verwachten. Zijn woorden gaan in tegen alle bezweringen die geliefden normaliter voor op de tong hebben liggen, terwijl het tegelijkertijd duidelijk is dat de liefde niet het probleem is. Hij wil samen met haar vluchten, maar niet met haar oud worden.

De manier waarop hij zoekt naar een manier om hun verbond gestand te doen, deed me denken aan hoe de Zweedse regisseur Ingmar Bergman en de Noorse actrice Liv Ullmann dat deden toen ze erachter kwamen dat ze beter een leven apart konden leiden. In de autobiografische roman De rustelozen die deze maand verscheen en die ik – hoezo wars van egodocumenten – in einem Guss las, citeert dochter Linn Ullmann uit het contract dat haar ouders samen opstelden om hun scheiding te realiseren. Wie zijn we als we niet meer samen zijn? Welke verhalen zullen we over elkaar en onszelf vertellen? Op gele post-its legden ze vast wat essentieel was: consideratie; geen dubbelleven leiden; oprechtheid in moeilijke situaties. Zolang ze elkaar niet zouden loslaten, en iedere zomer op Farö zes weken zouden doorbrengen als gezin, konden ze ook ‘hun eigen geheime, eenzame leven’ leiden.

Van die zomers op Farö is het nooit gekomen, noteert de dochter.

Goede voornemens inzake de liefde dragen de hopeloosheid al in zich, en dat maakt ze hartverscheurend. Alleen zolang twee mensen hetzelfde willen, kan liefde een wilsbesluit zijn. Grunberg wilde geen verzekeringen, geen uitzet, geen dak boven zijn hoofd. En toch, schreef hij, zou hij het verschrikkelijk vinden als zijn vriendin weg zou gaan, zo verschrikkelijk dat hij er geen woorden voor had. Als een brief íets duidelijk maakt, is het wel dat we ooit oprecht om iemand gaven.