Probeer aan roomijs te denken

Moordliederen: Moderne IJslandse poëzie
Vertaald en ingeleid door Roald van Elswijk en Kim Middel
Wilde Aardbeien, Groningen, 148 blz., € 14,-

Ik zou zo graag naar IJsland gaan. God of wie dan ook hebbe zijn ziel, maar mijn vader en ik spraken ooit af om het land zonder leger, het land van Björk, Sigur Rós, Dagur Kári en Olaf Olafsson, een midweek te bezoeken. We zouden er natuurlijk uitgebreid boozen en bij terugkomst voorwenden dat we de tijd in natuurlijke mineraalrijke thermale baden hadden doorgebracht. Helaas zijn we nooit afgereisd.

Nu komt IJsland naar mij toe, met de bloemlezing Moordliederen: Moderne IJslandse poëzie, uitgegeven door een imprint van Stichting Scandinavisch Vertaal- en Informatiebureau, Wilde Aardbeien, vernoemd naar de film van Ingmar Bergman.

Wat opvalt is dat alle gebloemleesde dichters vrouwen zijn. Nu weet ik dat IJsland schijnt te kampen, of zich gelukkig schijnt te prijzen, met een overschot aan voorheen de zwakke sekse, maar de dichter Sjón, die eens een gedicht schreef over de nacht dat hij de liefde bedreef met een vrouw in een bed geweven van haar afgeknipte haar, waarna hij op het moment van klaarkomen merkte dat ze al lang en breed het bed uit was gestapt (‘toen werd ik wakker, terwijl ik mezelf in de schouder beet’), had toch niet in deze introductie tot de moderne IJslandse poëzie misstaan.

Laten we ons daar overheen zetten en er twee dichters uitlichten: Ingibjörg Haraldsdóttir en Sigurbjörg Prastardóttir. Over de 65-jarige Haraldsdóttir hoeven we ons geen zorgen te maken, zo wordt duidelijk. Die doet namelijk niet anders dan het opnieuw betreden van reeds platgetreden paden. Gedichten over een ‘vrouw in de spiegel’ die de ik-persoon de rug toekeert, boeketreekskwatsch als: ‘kon ik je maar troosten/ en je angst verjagen/ kon ik je maar/ met het licht van woorden/ het leven geven dat vroegere tijden zo vrolijk maakte’ en zelfs uitgewoonde John Ewbank-navolgingen als: ‘Alsof je iets/ kwijtraakt/ wat je nooit gehad hebt’ of: ‘de tijd die wij hebben/ het nu’, of deze draak, getiteld De dichteres die verdween:

Was ze te slapen gelegd

tussen het bloemenwit?

Was ze een fluisterende bron

was ze een vogeltje op een tak?

Was ze verdwaald in het woud

van woorden in cursief?

Of was ze misschien

een gedicht geworden, daar in het bos?

Wie zal het zeggen, antwoord je dan op de vraag in de laatste strofe. Maar wie boeit nu nog die metafoor gedichtenbundel-bos, de bomen die het papier leveren voor de boeken, de ‘cursief’ staande stammen of (voor gevorderden) de belokenheid van een gedicht versus de ogenschijnlijk ondoordringbare bladerdracht buiten de aangegeven paden.

Lang treuren om het werk van Ingibjörg Haraldsdóttir is overigens onnodig, omdat de 31 jaar jongere Sigurbjörg Prastardóttir wél originaliteit aan de dag weet te leggen. ‘Ik probeer aan roomijs te denken/ maar hoor stemmen/ naderen ik/ ben niet van plan ooit op te staan’. Het enjambement in regel 3 behoeft een zak zout, maar voor de rest is het beeld indringend. De gelatenheid van de bedlegerige en dat ‘roomijs’ dat een vreemde sensatie oproept, omdat de ik-figuur eraan probeert te denken, hetgeen impliceert dat dat niet lukt. Paralyserende onmacht om de scherven jeugdgeluk aan elkaar te lijmen? Inderdaad, want zo vervolgt het gedicht:

ze zouden wel eens kunnen denken dat ik volwassen ben

ik graaf mijn handen

in de turf

laat ik me er meteen

maar mee bedekken

De grammatica is wat vreemd, ‘ik graaf met mijn handen’ zou meer voor de hand liggen, maar als je dat terzijde schuift is bovenstaand gedicht veelbelovend. Echt schitteren doet Prastardóttir in een gedicht waarin ze gestalte geeft aan de wens om de aanwezigen in een kamer af te luisteren, net nadat die kamer door de ik-figuur verlaten is. Ga je over de tong? Spreken ze kwaad over je? De dichter beschrijft de exercitie als een cia-agent. Het gedicht heet dan ook Speciale brigade: Operatie 042.

Ik zou me kunnen laten vastspijkeren

onder de salontafel

gezicht naar beneden

enkels en polsen in elke hoek

ik zou op de vloer uit een glas met een rietje

kunnen drinken

misschien chocolademelk

er zou een tafelkleed moeten liggen

over de tafel en mij

ik zou erop moeten letten niet te niezen

het liefst in strakke kleding

rustig ademen geduld

oefenen >>> al die moeite

alleen maar om te horen

hoe jullie praten

over mij en alle anderen

met jullie mond

vol koekjes

en de glazen van iitala

en georg jensen

in de vitrinekasten

ik zal alle informatie

lekken

Zowel in inhoud en vorm als in de auteursfoto zijn er nogal wat overeenkomsten tussen Prastardóttir en de Nederlandse dichter Tjitske Jansen. De taal is kraakhelder, de beoogde betekenis is vatbaar en toch bevat ieder gedicht een veenbrandje, zoals eerder dus dat ‘aan roomijs proberen te denken’ en in dit gedicht de gelegenheidsspion die zich onder de tafel laat vastspijkeren. Ik bedoel, je kunt ook gewoon achter een gordijn postvatten. Het kan lukraak absurdisme zijn, maar het is waarschijnlijker dat de ongebruikelijke kruisiging synoniem is voor het lijden van de alwetende.