‘Hoe denk je op dit moment over je lichaam?’ De vrouw in de witte jas die tegenover me zit, slank en opgewekt, zet een krabbeltje boven aan het papier waarop mijn bloedwaarden staan. Het is geen krabbeltje, begrijp ik. Het is het begin van iets. Ze kijkt me vanachter haar bureau aan met een blik die bemoedigend bedoeld is. Maar de vraag is te groot. Het is zo’n vraag die je eerst helemaal uit elkaar moet halen en dan weer helemaal in elkaar moet zetten, die omringd is door allerlei diep-persoonlijke overwegingen en tegenstrijdigheden, die misschien wel te intiem of complex is om zelf te doorgronden, laat staan te bespreken, terwijl ik het ook nog eens verschrikkelijk warm heb: de airco in de spreekkamer is kapot.

Hoe denk ik over mijn lichaam? Ik beschouw het meestal als een vervoermiddel, geloof ik. Als het functioneert merk ik het nauwelijks op, als het kuren vertoont (zoals nu het zwaarder en trager lijkt te worden) bel ik iemand met verstand van zaken – al vind ik eigenlijk dat ik wel wat beters te doen heb en dat het lichaam zich niet zo ontzettend aan moet stellen. Ik heb me er, vaker dan nodig was, voor geschaamd en aan geërgerd. Het heeft drie gezonde kinderen in elkaar gezet, honderden virussen verslagen en me soms op pijnlijke wijze in de steek gelaten. Ik heb me er uitbundig mee vermaakt. Ik sprong er vaak lichtzinnig mee om. Af en toe, in de juiste omstandigheden, val ik er volmaakt mee samen. Ik heb korte benen, wat jammer is, maar goddank komen ze wel precies tot de grond.

Op de muur achter het bureau hangt een reusachtige wandplaat met het maagdarmstelsel, evenals een cartoon: iemand richt een pistool op een ouderwetse weegschaal en roept iets. Ik kan niet lezen wat. Ik vraag me af hoeveel een pistool eigenlijk weegt. Zouden mensen die dag in, dag uit een wapen dragen dat gewicht überhaupt nog voelen – of pas wanneer ze het wegleggen, omdat het er dan niet langer is? Ik denk aan een gedicht van Remco Ekkers. Aan zijn plotselinge, recente dood. Aan hoeveel poëzie er in één hoofd past – veel meer dan wetenschappelijk te onderbouwen valt.

‘Weet je wat’, zegt de vrouw, ‘ik ga even een kan water voor ons halen.’ Ze loopt de spreekkamer uit. De witte jas fladdert om haar heen. Ik staar naar een reusachtige pancreas en voel iets opstandigs opkomen. Wat zit ik hier nou eigenlijk over mijn lichaam na te denken, terwijl ik alleen wil weten wat er mis is en hoe dat op te lossen valt? Trouwens, waarom moet ik eigenlijk al het werk doen? Laten ze maar eens uitzoeken hoe mijn lichaam over mij denkt – alsof ik hier degene ben die klaagt over zwaarte en traagheid. Wat een mens vroeg of laat nodig heeft is een vorm van relatietherapie waarbij de geest in één stoel gaat zitten en het lichaam in een andere, om allebei hun kant van het verhaal te vertellen, terwijl een therapeut luistert en na afloop zegt, op een toon die minstens zo dreigend als verzoenend klinkt: ‘Jullie kunnen niet zonder elkaar.’

[kader stijl=“poezie”]
Het juiste moment

Als een massa zwaar lijkt, zegt Erik Verlinde
komt dat doordat het universum zich verzet
tegen het optillen ervan.
Toch wordt de tafel opgetild, meer leeg dan vol
komt weer op zijn pootjes terecht
licht wankelend.

Wat is het probleem als iets altijd heeft bestaan?
Drijven de sterren als schuim op de golven
van een donkere zee?

Zijn wij gekomen
juist op het moment
dat wij de vluchtende
sterrenstelsels nog kunnen zien?

Remco Ekkers, uitgeverij kleine Uil, 2021
[/poezie]