Essay: De wereldwijde opstand

Problemen in het paradijs

Zijn de problemen en protesten in uiteenlopende landen als Griekenland, Turkije, Brazilië en Egypte tekenen van een naderende mondiale crisis, of zijn het slechts obstakels die kunnen worden opgeruimd door middel van lokale interventies?

Medium 19759781

In zijn vroege geschriften heeft Karl Marx de situatie van Duitsland beschreven als een toestand waarin het enige antwoord op specifieke problemen de universele oplossing van de wereldrevolutie was. Dit is een kernachtige formulering van het verschil tussen een reformistische en een revolutionaire periode: in een reformistische periode blijft de wereld­revolutie een droom die, als hij überhaupt al iets doet, louter gewicht geeft aan pogingen om zaken op lokaal niveau te veranderen; in een revolutionaire periode wordt duidelijk dat niets zal verbeteren zonder een radicale mondiale omwenteling. In deze puur formele zin was 1990 een revolutionair jaar; het was duidelijk dat gedeeltelijke hervormingen van de communistische staten de zaak niet konden klaren, en dat er een totale breuk nodig was om alledaagse problemen op te lossen, zoals het bewerkstelligen dat iedereen genoeg te eten had.

Waar staan we vandaag de dag als het om dit verschil gaat? Zijn de problemen en protesten van de afgelopen paar jaar tekenen van een naderende mondiale crisis, of zijn het slechts kleine obstakels die kunnen worden opgeruimd door middel van lokale interventies? Het meest opmerkelijke van de erupties is dat zij niet alleen – en zelfs niet voornamelijk – plaatsvinden op de zwakke plekken van het systeem, maar ook op plekken die tot voor kort werden beschouwd als succesverhalen. We weten waarom de mensen in Griekenland of Spanje de straat op gaan, maar waarom zijn er problemen in zulke welvarende of snelgroeiende landen als Turkije, Zweden of Brazilië? Achteraf kunnen we de Khomeini-revolutie van 1979 in Iran zien als het oorspronkelijke ‘probleem in het paradijs’, gezien het feit dat die zich voordeed in een land dat snel in westerse zin aan het moderniseren was, en zich had opgeworpen als de trouwste bondgenoot van het Westen in deze regio. Misschien is er iets mis met ons idee van het paradijs.

Vóór de huidige golf protesten was Turkije het modelvoorbeeld van een staat die een welvarende liberale economie wist te combineren met gematigd islamisme, en klaar stond om zich aan te sluiten bij Europa – een welkom contrast met het meer ‘Europese’ Griekenland, dat was gevangen in een ideologisch moeras en afstevende op economische zelfvernietiging. Er was hier en daar weliswaar sprake van onheilspellende voortekenen (de Turkse ontkenning van de Armeense holocaust; de arrestaties van journalisten; de onopgeloste status van de Koerden; de oproepen tot het stichten van een Groot-Turkije, dat de traditie van het Ottomaanse Rijk nieuw leven zou moeten inblazen; de oplegging van religieuze wetten), maar die werden afgedaan als kleine smetjes die het totaalbeeld niet mochten bezoedelen.

Vervolgens explodeerden de protesten op het Taksimplein. Iedereen weet dat de voorgenomen transformatie in een winkelcentrum van een park, dat grenst aan het Taksimplein in het centrum van Istanbul, niet datgene was waar de protesten ‘werkelijk over gingen’ en dat een veel diepgaander ongemak aan de oppervlakte aan het treden was. Hetzelfde gold voor de protesten in Brazilië van midden juni: de aanleiding daarvoor was een kleine stijging van de kosten van het openbaar vervoer, maar de protesten hielden aan, ook nadat de maatregel was ingetrokken. Ook hier waren de protesten geëxplodeerd in een land dat – althans volgens de media – een ongekende economische bloei doormaakte en alle reden had om vertrouwen te hebben in de toekomst. In dit geval werden de protesten ook nog eens gesteund door president Dilma Rousseff, die zei er zeer blij mee te zijn.

Het is essentieel dat we de Turkse protesten niet louter zien als een opstand van de seculiere burgerlijke samenleving tegen een autoritair islamistisch regime, dat wordt gesteund door een stilzwijgende islamitische meerderheid. Het beeld wordt ingewikkelder gemaakt door de antikapitalistische teneur van de protesten: de betogers voelen intuïtief aan dat het vrijemarktidealisme en de fundamentalistische islam elkaar niet uitsluiten. De privatisering van de openbare ruimte door een islamistische overheid toont aan dat deze twee soorten fundamentalisme goed kunnen samengaan: het is een duidelijk signaal dat het ‘eeuwige’ huwelijk tussen democratie en kapitalisme op springen staat.

Het is ook belangrijk om in te zien dat de betogers geen duidelijk omschreven ‘reële’ doelstelling nastreven. De protesten zijn niet ‘werkelijk’ gericht tegen het mondiale kapitalisme, of tegen het religieuze fundamentalisme, en zijn niet ‘werkelijk’ vóór burgerlijke vrijheden en democratie, en gaan ook niet ‘werkelijk’ over ook maar iets in het bijzonder. Waar de meerderheid van degenen die aan deze protesten hebben deelgenomen zich wél bewust van is, is een ondefinieerbaar gevoel van ongemak en ontevredenheid, dat de diverse specifieke eisen ondersteunt en verenigt. De worsteling om de protesten te doorgronden is niet louter epistemologisch van aard, met journalisten en theoretici die proberen hun ware inhoud bloot te leggen; het is ook een ontologische worsteling met het ‘ding’ zelf, die plaatsvindt bínnen de protesten. Is dit louter een strijd tegen een corrupte gemeentelijke overheid? Is het een strijd tegen autoritaire islamistische overheersing? Is het een strijd tegen de privatisering van de openbare ruimte? Het antwoord op die vraag is nog open, en hoe het zal luiden zal afhangen van de uitkomst van een voortdurend politiek proces.

In 2011, toen er in heel Europa en het Midden-­Oosten protesten uitbraken, hielden velen staande dat zij niet moesten worden gezien als voorbeelden van één grote mondiale beweging. In plaats daarvan werd betoogd dat elk van deze protesten de reactie was op een specifieke situatie. In Egypte wilden de betogers datgene waar de Occupy-beweging in andere landen juist tegen protesteerde: ‘vrijheid’ en ‘democratie’. Zelfs tussen de islamitische landen waren er cruciale ­verschillen: de Arabische lente in Egypte was een protest tegen een corrupt, autoritair westers regime; de Groene Revolutie in Iran, die in 2009 begon, was gekant tegen autoritair islamisme. Het is makkelijk te begrijpen hoe een dergelijke ‘versplintering’ van de eisen van de betogers de verdedigers van de status-quo aanspreekt: er is geen sprake van een bedreiging van de mondiale orde als zodanig, slechts van een serie lokale problemen.

Het mondiale kapitalisme is een ingewikkeld proces, dat verschillende landen op verschillende manieren raakt. Wat de protesten ondanks al hun verscheidenheid verenigt, is dat het allemaal reacties zijn op verschillende facetten van de kapitalistische mondialisering. De algemene tendens van het hedendaagse mondiale kapitalisme is er een van verdere expansie van de markten, de sluipende inperking van de openbare ruimte, de terugdringing van openbare voorzieningen (gezondheidszorg, onderwijs, cultuur) en een steeds autoritairdere politieke macht. Het is in deze context dat de Grieken protesteren tegen de heerschappij van het internationale financiële kapitaal en tegen hun eigen corrupte, inefficiënte staat, die steeds minder goed in staat is fundamentele sociale voorzieningen te leveren. Het is ook in deze context dat de Turken protesteren tegen de commercialisering van de openbare ruimte en tegen het religieuze autoritarisme; dat de Egyptenaren protesteren tegen een regime dat wordt gesteund door de westerse machten; dat de Iraniërs protesteren tegen corruptie en religieus fundamentalisme, enzovoort. Geen van deze protesten kan worden teruggebracht tot één enkele kwestie. Zij gaan allemaal over een specifieke combinatie van minstens twee kwesties, een economische (van corruptie tot inefficiëntie tot het kapitalisme zelf), en een politiek-ideologische (van de eis van democratie tot de eis dat de conventionele meerpartijendemocratie omver kan worden geworpen). Hetzelfde geldt voor de Occupy-beweging. Onder de baaierd van (dikwijls verwarde) verklaringen en uitspraken kent de beweging twee fundamentele kenmerken: in de eerste plaats ontevredenheid met het kapitalisme als systeem, niet louter met specifieke lokale corruptie; en in de tweede plaats een bewustzijn dat de geïnstitutionaliseerde vorm van een representatieve meerpartijendemocratie niet goed is toegerust om kapitalistische uitwassen te bestrijden, dat wil zeggen dat de democratie opnieuw moet worden uitgevonden.

Het feit dat de onderliggende oorzaak van de protesten het mondiale kapitalisme is, betekent nog niet dat de enige oplossing de directe omverwerping daarvan is. Ook volstaat het niet om het pragmatische alternatief te volgen – het oplossen van afzonderlijke problemen, in afwachting van een radicale omwenteling. Dat zou voorbij gaan aan het feit dat het mondiale kapitalisme van nature inconsistent is: vrije markten gaan hand in hand met Amerikaanse steun voor de eigen boeren; het prediken van democratie gaat hand in hand met het steunen van Saoedi-Arabië. Deze inconsistentie biedt een opening voor politieke interventie: waar het mondiale kapitalistische systeem noodgedwongen de eigen regels schendt, is er een mogelijkheid om erop aan te dringen dat het zich aan die regels houdt. Het eisen van consistentie op strategisch gekozen punten, waar het systeem het zich niet kan veroorloven consistent te zijn, oefent druk uit op het hele systeem. De kunst van de politiek is gelegen in het stellen van specifieke eisen die, hoewel ze door en door realistisch zijn, de kern van de hegemonistische ideologie raken en een veel radicalere omwenteling impliceren. Dergelijke eisen, ook al lijken ze haalbaar en legitiem, zijn de facto onmogelijk. Obama’s voorstel van de invoering van universele gezondheidszorg was zo’n voorbeeld, hetgeen verklaart waarom de reacties erop zo hevig waren. >

Een politieke beweging begint met een idee, iets om naar te streven, maar in de loop van de tijd ondergaat dat idee een diepgaande transformatie – niet slechts een tactische aanpassing, maar een essentiële herdefiniëring – omdat het idee zelf deel gaat uitmaken van het proces: het wordt ‘overbepaald’. Stel dat een opstand begint met het eisen van gerechtigheid, bijvoorbeeld in de vorm van een oproep om een bepaalde wet in te trekken. Als mensen daar eenmaal diepgaand bij zijn betrokken, gaan ze beseffen dat er veel meer dan louter het inwilligen van hun aanvankelijke eis voor nodig is om voor echte gerechtigheid te zorgen. Het probleem is om te definiëren waaruit dat ‘veel meer’ precies bestaat. De liberaal-pragmatische gedachte is dat problemen geleidelijk, één voor één, kunnen worden opgelost: ‘Er sterven nu mensen in Rwanda, dus laten we de anti-imperialistische strijd even vergeten en louter een bloedbad proberen te voorkomen’; of: ‘We moeten de armoede en het racisme hier en nu bestrijden en niet wachten op de ineenstorting van de mondiale kapitalistische orde’.

John Caputo voerde een betoog langs deze lijnen in After the Death of God (2007): ‘Ik zou zeer in mijn nopjes zijn als de ultra-linkse politici in de Verenigde Staten erin zouden slagen het systeem te hervormen door de invoering van universele gezondheidszorg, het evenwichtiger verdelen van de welvaart, het aan banden leggen van de financiering van verkiezingscampagnes, het in staat stellen van alle kiezers om hun stem uit te brengen, het humaan behandelen van migrantenarbeiders, en het bewerkstelligen van een multilateraal buitenlands beleid, dat de Amerikaanse macht in de internationale gemeenschap zou integreren, enzovoort, dat wil zeggen door in het kapitalisme te interveniëren in de vorm van serieuze en verreikende hervormingen (…) Als Alain Badiou en Slavoj Žižek daarna nog steeds zouden klagen dat we worden belaagd door het Monster dat Kapitalisme heet, ben ik geneigd om dat Monster met een geeuw te begroeten.’

Het probleem hier is niet de conclusie van Caputo: als je de door hem opgesomde zaken binnen de context van het kapitalisme allemaal voor elkaar zou kunnen krijgen, waarom zou je het systeem dan niet intact laten? Het probleem is de onderliggende premisse dat het mogelijk is dit alles binnen het mondiale kapitalisme in zijn huidige vorm te verwezenlijken. Maar hoe zit het als de door Caputo genoemde tekortkomingen van het kapitalisme niet louter toevallige verstoringen zijn, maar structurele noodzakelijkheden? Hoe zit het als Caputo’s droom een droom is van een universele kapitalistische orde zonder al zijn symptomen, zonder de kritieke punten waarop de ‘onderdrukte waarheid’ zichzelf toont?

De protesten en opstanden van vandaag worden geschraagd door een combinatie van overlappende eisen, en dat is de oorzaak van hun kracht: zij strijden voor ‘normale’, parlementaire democratie in het geval van een autoritair regime; tegen seksisme en racisme, vooral als dat is gericht tegen immigranten en vluchtelingen; tegen corruptie in politiek en bedrijfsleven (de industriële vervuiling van het milieu, enzovoort); vóór de verzorgingsstaat en tegen het neoliberalisme; en voor nieuwe vormen van democratie die verder gaan dan de rituele meerpartijendemocratie. Zij stellen ook het mondiale kapitalistische systeem als zodanig ter discussie en proberen het idee levend te houden van een samenleving ná het kapitalisme.

In dit verband moeten twee valstrikken uit de weg worden gegaan: vals radicalisme (‘wat er werkelijk toe doet is de omverwerping van het ­liberaal-parlementaire kapitalisme, alle andere strijden zijn van ­secundair belang’), en valse geleidelijkheid (‘nu moeten we vechten tegen een ­militaire dictatuur en voor een fundamentele democratie, dus alle ­dromen over socialisme zijn even niet aan de orde’). Op dit punt kan het geen kwaad het maoïstische onderscheid tussen fundamentele en ­secundaire tegenstellingen in herinnering te roepen, het onderscheid tussen wat er uiteindelijk het meest toe doet en wat momenteel de ­boventoon voert. Er zijn situaties waarin het blijven aandringen op het eerste ­betekent dat je de kans mist om een flinke dreun uit te delen in die strijd.

Slechts een politiek die rekening houdt met de complexiteit van ‘overbepaaldheid’ verdient het om een ‘strategie’ te worden genoemd. Als we ons aansluiten bij een specifieke strijd, is de hamvraag: hoe zal onze betrokkenheid daarbij (of de afwezigheid daarvan) andere strijden beïnvloeden? De algemene regel hier is dat als een opstand tegen een onderdrukkend, half-democratisch regime begint, zoals in het Midden-Oosten in 2011, het makkelijk is grote menigten op de been te brengen met slogans – vóór democratie, tegen corruptie, enzovoort. Maar al snel worden we geconfronteerd met lastiger keuzes. Als de revolte in zijn aanvankelijke opzet slaagt, beseffen we dat wat ons werkelijk parten speelt (ons gebrek aan vrijheid, onze vernedering, de corruptie, slechte vooruitzichten) in een nieuwe gedaante voortleeft, zodat we worden gedwongen onder ogen te zien dat er misschien een foutje in onze doelstelling zelf school. Dit kan betekenen dat we gaan inzien dat de democratie ook een vorm van onvrijheid kan zijn, of dat we méér moeten eisen dan een puur politieke democratie: ook het sociaal-economische leven moet worden gedemocratiseerd.

Kortom, wat we eerst zagen als ons onvermogen om een nobel principe (democratische vrijheid) volledig tot ontplooiing te brengen, is in feite een tekortkoming van dit principe zelf. Dit besef – dat er tekortkomingen kunnen schuilen in de principes waar we voor vechten – is een grote stap voorwaarts in de politieke bewustwording.

Vertegenwoordigers van de heersende ideologie halen hun hele arsenaal uit de kast om te voorkomen dat wij deze radicale conclusie trekken. Zij vertellen ons dat de democratische vrijheid haar eigen verantwoordelijkheden met zich meebrengt, dat dit een prijs heeft, en dat het onvolwassen is om te veel van de democratie te verwachten. In een vrije samenleving, zo zeggen ze, moeten we ons gedragen als kapitalisten die in hun eigen leven investeren: als we er niet in slagen de noodzakelijke offers te brengen, of als we op een of andere manier tekortschieten, hebben we dat louter onszelf te verwijten. In meer direct-politieke zin hebben de Verenigde Staten in hun buitenlands beleid voortdurend een strategie van ‘damage control’ bedreven, door volksopstanden te kanaliseren in aanvaardbare parlementair-kapitalistische vormen: in Zuid-Afrika na de apartheid, op de Filippijnen na de val van Marcos, in Indonesië na Soeharto, enzovoort. Dit is waar de echte politiek begint: de vraag is hoe verder te gaan als de eerste, opwindende golf van verandering voorbij is, hoe de volgende stap te zetten zonder ten prooi te vallen aan de ‘totalitaire’ verleiding, hoe verder te gaan dan Mandela zonder een Mugabe te worden.

Wat zou dit in een concreet geval inhouden? Laten we twee buur­landen eens met elkaar vergelijken, Griekenland en Turkije. Op het eerste gezicht lijken ze misschien totaal verschillend. Griekenland is gevangen in een ruïneus bezuinigingsbeleid, terwijl Turkije een economische bloei doormaakt en zich ontpopt tot een nieuwe regionale supermacht. Maar hoe zit het als ieder ‘Turkije’ ook zijn eigen ‘Griekenlanden’ creëert en in stand houdt, zijn eigen eilandjes van ellende? Zoals Bertolt Brecht het verwoordde in Hollywood Elegie _s__ :_

The village of Hollywood was planned according to the notion

People in these parts have of heaven. In these parts

They have come to the conclusion that God

Requiring a heaven and a hell, didn’t need to

Plan two establishments but

Just the one: heaven. It

Serves the unprosperous, unsuccessful

As hell

Dit is een vrij goede beschrijving van het hedendaagse ‘mondiale dorp’: pas haar toe op Qatar of Dubai, speelterreinen van de rijken die afhankelijk zijn van aan de slavernij herinnerende omstandigheden voor de immigrantenarbeiders. Bij nader inzien blijken er toch de nodige onderliggende overeenkomsten tussen Turkije en Griekenland te zijn: privatisering, het verdwijnen van de openbare ruimte, de ontmanteling van de sociale voorzieningen, de opkomst van een autoritaire politiek. Op een elementair niveau zijn de Griekse en Turkse betogers verwikkeld in dezelfde strijd. Het juiste pad zou inhouden deze twee strijden te coördineren, weerstand te bieden aan ‘patriottische’ verleidingen, de historische animositeit tussen beide landen vaarwel te zeggen en op zoek te gaan naar gronden voor solidariteit. De toekomst van de protesten kan daarvan afhangen.


Slavoj Žižek is filosoof en als hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Ljubljana, Slovenië en de European Graduate School in Saas-Fee, Zwitserland. Dit voorjaar verscheen zijn boek Het jaar van het gevaarlijke dromen, waarin hij terugkijkt op het wilde jaar 2011Arabische lente, Occupy, de Griekse schuldencrisiswaarin de wereld blijvend veranderde.

Vertaling: Menno Grootveld, Andere denkers over de mondiale opstanden


Veel denkers zijn het over één ding eens: de mondiale protesten, of het nu gaat om de vrijheidsstrijders op het Taksimplein, in de straten van Brazilië of om de tentbewoners van Occupy Wall Street leiden onvermijdelijk tot politieke, religieuze of culturele veranderingen. Maar wélke betekenis ze uiteindelijk voor een land of voor de wereld zullen hebben, daarover verschillen de meningen. Want hoe interpreteer je een protestbeweging zonder concreet doel, duidelijke organisatie en toekomstvisie?

De Libische econoom Moisés Naím, columnist en werkzaam bij de Amerikaanse denktank Carnegie Endowment for International Peace, publiceerde onlangs het boek The End of Power: From Board­rooms to Battlefields and Churches to States, waarin hij beschrijft hoe op dit moment een nieuw anti-establishment de gevestigde grootmachten in de wereld omver kan werpen, maar ook chaos en verlamming kan veroorzaken. De mondiale protesten moeten volgens hem los van elkaar worden gezien, schreef hij onlangs in Bloomberg Businessweek. Ze zouden slechts gericht zijn op de betreffende natie en maar één overeenkomstige oorzaak hebben: economisch succes. Net als Slavoj Žižek signaleert Naím dat juist landen als Chili, Turkije en Brazilië de afgelopen jaren economisch enorm in opkomst zijn. Waarom dan daar protesteren? De instituties lopen, zo stelt Naím, simpelweg achter op de hoge verwachtingen van de bevolking. ‘Het is deze vertraging die de mensen de straten op drijft en aanzet tot de protesten tegen het hoger onderwijs in Chili, de herontwikkeling van Taksim Gezi Park in Istanbul of de negen cent verhoging in het openbaar vervoer van Brazilië.’

Francis Fukuyama, Amerikaans politicoloog en filosoof, publiceerde in 2011 het eerste deel van zijn drieluik The Origins of Political Order, over politieke revoluties. Hij sluit zich in een artikel in The Wall Street Journal aan bij Naím in diens perceptie dat het gaat om een gat tussen de snel stijgende verwachtingen van de bevolking en een teleurstellende realiteit. Maar hij ziet tussen de wereldwijde opstanden een nauw verband: de opkomst van een nieuwe middenklasse. Fukuyama constateert dat de huidige middenklasse zich zowel in dictaturen als in democratieën vervreemd voelt van de leidende politieke elite en zich daartegen verzet. Tot een grote omwenteling zal dat niet leiden. ‘Protesten, opstanden en sporadische revoluties worden gewoonlijk aangevoerd door nieuwe leden van de middenklasse, en zij zijn zelden in staat bestendige politieke veranderingen teweeg te brengen’, schrijft hij. De middenklasse maakt ten eerste zelden meer dan de minderheid uit van de samenleving in ontwikkelingslanden. Daarnaast is zij meestal intern verdeeld.

Naím vindt het wél aannemelijk dat de protesten zullen leiden tot diepgaande veranderingen. ‘In naties als Chili, Brazilië en Turkije zullen de huidige straatprotesten uiteindelijk wegebben. Maar dat betekent niet dat de wortels van het protest zullen verdwijnen.’ In sommige landen, schrijft hij, ‘is de kloof tussen verwachtingen en realiteit de oorzaak van weloverwogen oproer en verlammende politieke instabiliteit. Elders zal het apathische burgers wakker maken. Het zal hen dwingen om deel te nemen, politici om te luisteren en overheden om te veranderen. In sommige fortuinlijke gevallen zal deze kloof de samenleving vooruit helpen.’

In een interview op de Engelse website Al-Akhbar beschrijft ook de Amerikaanse linguïst en cultuurcriticus Noam Chomsky de protesten als een reactie op beleid dat de landsgrenzen overstijgt. ‘Wat in Turkije gebeurt, is deel van een mondiale opstand tegen het harde en autocratische sociaal-economische beleid dat in de afgelopen generatie overal is gevoerd.’

Niet alleen Zuid-Amerika en Arabië zijn in protest, zegt Chomsky, maar ‘deze opstand vindt ook plaats in Europa’. De Europese politiek zoals die nu functioneert, zal uiteindelijk leiden tot de ondergang van de welvaartsstaat. De golf van protesten getuigt voor hem dan ook van een legitieme opstand tegen het hele mondiale economische systeem. Hiermee plaatst Chomsky zich aan de zijde van Žižek. Beiden staan tegenover Naím, die stelt dat ‘de critici van het kapitalisme wel kunnen claimen dat het oproer zich richt tegen de mondiale economische orde, maar dat de realiteit laat zien dat de protestbewegingen zeer lokaal zijn’.

Ook Manuel Castells uitte zich over de protest­golf. De Spaanse socioloog geldt als een van de meest toonaangevende denkers op het gebied van de informatiesamenleving, communicatie en globalisatie. Castells ziet evenals Chomsky het disfunctioneren van het kapitalistische systeem als de gemene deler. ‘Activisten zijn van mening dat ze in een proces verkeren van groeiende bewustwording, waarbij mensen worden gemobiliseerd die worden aangemoedigd niet noodzakelijkerwijs hun macht aan politici te geven en hun geld aan een bank die ze niet vertrouwen’, zei hij dit voorjaar in een interview met The Guardian. ‘Er heerst een enorm verlies van vertrouwen in de overheid op dit moment. Maar de protestacties doen het algehele gevoel van machteloosheid afnemen.’

Castells is met name geïnteresseerd in de vraag hoe de opstanden in zo korte tijd zoveel mensen op de been hebben gebracht. Zijn verklaring: het internet. Bewegingen kunnen zich hier in autonomie vormgeven en er kunnen debatten en interacties plaatsvinden. In cyberspace ontkiemen de protestbewegingen, om zich vervolgens te verplaatsen naar de stedelijke omgeving, waar ze fysieke sociale, interactieve netwerken vormen. Voor Castells hebben de protestbewegingen daarbij één gemeenschappelijk doel: de constructie van een _bottom up-_democratie.

Ook voor Naím is het de spontane, anonieme ‘geboorte’ op internet die het zo makkelijk maakt voor mensen om op het laatste moment nog bij een protest aan te haken. En precies dat is het probleem voor de autoriteiten van de landen waar geprotesteerd wordt, schrijft hij. ‘De leiderloze, spontane aard van de protesten maakt het moeilijk voor de overheid om de aanstichters aan te wijzen, of om te beslissen wie ze moet arresteren in de hoop de beweging af te zwakken door haar het hoofd af te slaan. Er is geen hoofd.’

Ondanks de decentrale aard van de protestbewegingen waarschuwt Fukuyama wel voor hun kracht. ‘Geen enkele gevestigde democratie kan op haar lauweren blijven rusten, simpelweg door te denken dat verkiezingen of positieve opiniepeilingen genoeg zijn. De technologisch ontwikkelde en geëmancipeerde middenklasse zal hoge eisen stellen aan de politici.’ Als érgens een gat dreigt te ontstaan tussen snel stijgende verwachtingen en een teleurstellende realiteit, voorspelt Fukuyama, is dat in het China van de komende jaren, met aanzienlijke gevolgen voor de stabiliteit van het land.

Volgens Castells ten slotte zijn we getuige van het begin van een nieuw soort sociale beweging. Omdat deze nog in de kinderschoenen staat, is ze nog niet bij machte om de gevestigde politieke orde op een fundamentele wijze te veranderen. Maar, zegt Castells, ‘de activisten en hun aanhangers zijn ervan overtuigd dat ze nu de zaden planten die, als de huidige politieke klasse en het huidige partij­systeem niet in staat zijn om adequaat te reageren, uiteindelijk een transformatie van de machtsverhoudingen in de samenleving zullen betekenen.’

(Kiki Varekamp Anna van Dijk)


Beeld: 20 juni, Rio de Janeiro. Leo Correa / Redux / HH