Prodesse et delectare

Manuel Brug
Opernregisseure heute
Henschel Verlag, 319 blz., e 24,90
Barbara Beyer
Warum Oper? Gespräche mit Opernregisseuren
Alexander Verlag, 280 blz., e 19,90

In Amsterdam staat de opera aan de vooravond van een nieuw tijdperk: er komen nieuwe regisseurs, vooral uit Duitsland, naar De Nederlandse Operea (dno), en met hen zal een frisse wind gaan waaien in onze muziektheater-scene. U zult zich afvragen: wie zijn die nieuwe mannen dan wel die daar aan het werk gaan en die de (Duitse) pers zo driftig meelokken naar Amsterdam? Waar staan ze voor, hoe kun je ze globaal plaatsen? De Germaanse invasie begon toen Ingo Metzmacher in 2005 aantrad als muzikaal directeur in Amsterdam en zijn lievelingsregisseur voor twee gastoptredens meebracht: Peter Konwitschny, het geliefde en gehate enfant terrible van de Duitse opera-scene dat in Dresden met een operette-enscenering, waarbij lijken een wals dansten, zulke heftige reacties teweegbracht dat de zaak voor het gerecht eindigde. Na Konwitschny kwam, ook al met Metzmacher, Peter Stein, om De Bassariden van Henze te ensceneren; deze zomer volgden Peter Mussbach met Simone Boccanegra (boe-geroep) en Martin Kusej met Lady Macbeth van Mtsensk (hoera-geroep). Vervolgens staan Jossie Wieler en Anna Viebrock klaar voor de Mozart-trilogie in november, weer met Metzmacher in de bak.

Wat betekenen deze namen voor dno? Hoe passen ze bij dat wat men daar tot nog toe te zien kreeg? Op die vragen geeft het onlangs in Duitsland verschenen boek van Manuel Brug, Opernregisseure heute, antwoord. Het verschaft een groot overzicht van de ontwikkelingen in de internationale operaregie na 1945 en probeert te verklaren waarom dat zogenaamde Duitse Regietheater kon ontstaan, dat de Amerikanen «Euro-trash» noemen en dat nu, in grote omvang, naar Amsterdam overwaait.

In een afzonderlijk hoofdstuk geeft Brug een beschrijving van de naar zijn idee provinciale situatie in Amsterdam (eerder in De Groene Amsterdammer 22). Brugs vonnis: het sinds 1988 door Pierre Audi geleide dno heeft veel opbouwend werk verzet om in de internationale operaconcurrentie mee te kunnen doen, maar dno heeft nooit de radicale ontwikkelingen meegemaakt die de opera-scene in Duitsland sinds de jaren zeventig op zijn kop hebben gezet. Dat zal nu allemaal anders worden.

De Amsterdamse Mozart-man Jossie Wieler is te vinden onder de kop Bouwblokkenprincipe, surreële wereldvisie, ontdekking van de traagheid – Duitslands toonaangevende operaregisseurs. Daar wordt Wieler in verband gebracht met Willy Decker, Andreas Homoki (volgend seizoen te zien met Capriccio) en Peter Mussbach. Wieler is een van Brugs helden. Hij schrijft over hem: «Als het gaat om het precieze, rustige, altijd onverbiddelijke, stellige, en antirealistische onderzoek, waardoor [Wieler] de overwoekerde betekenis van ogenschijnlijk bekende of als ‹moeilijk› aangeschreven stukken laat opbloeien, dan hoeft hij voor niemand van zijn meer beroemde collega’s onder te doen. En anders dan bij die collega’s het geval is, is bij Wieler nog geen spoor van vermoeidheid zichtbaar.» Voor de Amsterdamse Mozart-cyclus klinkt dat veelbelovend, hoewel Brug over Wieners decorontwerpster Anna Viebrock schrijft: «Haar esthetiek werd zo vaak gekopieerd en nagedaan dat zelfs het origineel inmiddels een beetje begint te vervelen.»

Dat zijn de trefwoorden waarvan het boek (en het actuele debat) doortrokken is: veel van de beroemde regiegiganten beginnen het publiek te vervelen, omdat hun vaak zuiver op de provocatie ingerichte ensceneringen voorspelbaar zijn geworden en afgezien van oppervlakkige actuele toespelingen weinig te bieden hebben. Een goed voorbeeld van de artistieke burn-out van veel vertegenwoordigers van het regietheater was Mussbachs Verdi-interpretatie onlangs in Amsterdam. Of het een goed idee is die lui in groten getale naar De Nederlandse Opera te halen, zal moeten blijken.

Brugs boek is goed in losse hoofdstukken te lezen. Zo laat zich gemakkelijk het stuk over een bepaalde regisseur opslaan van wie een première in Nederland aanstaande is.

Wie nog meer details wil weten moet zich wenden tot Barbara Beyers Warum Oper? Gespräche mit Opernregisseuren. Daar zetten de genoemde baronnen van het Duitse regietheater hun visies op opera uiteen, soms overtuigend, maar vaker moeizaam en intellectueel verward. Daarom, natuurlijk, des te lezenswaardiger. Mogen regisseurs bijvoorbeeld een partituur radicaal veranderen? Mogen zij de opera «1 op 1» weergeven, zoals het in de originele regieaanwijzingen wordt gevraagd? En wat heeft opera ons überhaupt nog te melden?

Op dat laatste geeft Manuel Brug het meest treffende antwoord: «Het Ware, het Goede en het Schone hebben nauwelijks nog een andere functie dan uit eten gaan, vrienden te ontmoeten in de fitness-studio, het popconcert of de bioscoop.» Met andere woorden: een operabezoek van vandaag is vrijetijdsbesteding. Daarmee keert de kunstvorm terug naar wat ze oorspronkelijk was: goed entertainment, dat volgens de uitspraak van Horatius wil «prodesse et delectare»ter lering ende vermaak. Dat hebben de Regietheater-titanen nog niet geaccepteerd. Het moderne operapubliek, ook in Amsterdam, wel. Het komt er nu op aan daar consequenties uit te trekken.