Georgica van Vergilius

Proef de bodem

Voor Piet Gerbrandy is de Georgica van Vergilius, waarin aardse nuchterheid en poëtische hartstocht samenkomen, het beste gedicht ooit. Dichter bij de bodem dan men in dit leerdicht over de landbouw komt, kan een mens vóór zijn dood niet geraken.

Het is een onbesuisde stelling, maar ik denk dat ze waar is: de Georgica van Vergilius (70-19 voor Christus) is het beste gedicht ooit geschreven. Met deze bewering bevind ik me in het illustere gezelschap van John Dryden, die de Georgica in het voorwoord van zijn vertaling (1697) «the best Poem of the best Poet» noemde. Dit uit vier boeken bestaande leerdicht over de landbouw verscheen niet lang nadat Octavianus zijn tegenstanders definitief uitgeschakeld had en vlak voordat hem, in 27 voor Christus, de eretitel Augustus werd toegekend. Dat de dichter niet over één nacht ijs ging, valt op te maken uit het feit dat hij aan het schrijven van de bijna 2200 verzen zeven jaar heeft besteed, wat een gemiddelde van iets meer dan één regel per dag betekent. De vierde-eeuwse biograaf Donatus vertelt dat Vergilius iedere morgen een flinke hoeveelheid verzen concipieerde en dicteerde, waaraan hij dan de rest van de dag liep te schaven tot hij bijna niets overhield: «Niet ten onrechte zei hij dat hij de verzen voortbracht op de manier van een berin en dat hij ze pas door ze te likken in model boetseerde.»

Met een trage productie als deze had Vergilius nooit kunnen rekenen op een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren, maar dat hoefde ook niet, omdat hij gesponsord werd door ’s keizers rechterhand Maecenas. De dichter had inmiddels naam gemaakt met een bundel van tien herdersgedichten, Bucolica of Eclogae geheten, en zou de laatste tien jaar van zijn leven wijden aan het schrijven van het nationale epos Aeneis. De hoogst kunstmatige Bucolica kunnen het best beschouwd worden als een experiment, een knappe maar enigszins bloedeloze poging de al even kunstmatige, maar veel geestiger Idyllen van Theokritos na te volgen. De Aeneis is zonder twijfel het meest invloedrijke gedicht uit de Latijnse literatuur, maar om een spannend epos te schrijven moet je geloofwaardige personages kunnen scheppen, en dat kon Vergilius niet. De Georgica, opgedragen aan Maecenas, is zijn absolute meesterwerk. De nu verschenen vertaling van Piet Schrijvers is een waardige opvolger van die van Ida Gerhardt uit 1949.

Anders dan Lucretius, die in zijn leerdicht een hoogst intellectueel onderwerp behandelde (de filosofie van Epikouros), koos Vergilius voor de zo aardse en praktische landbouw. Ongetwijfeld was dit een vak dat de Romeinen na aan het hart lag, maar juist daarom valt niet eenvoudig vast te stellen wie nu precies de beoogde lezers van de Georgica waren. Niet de kleine boeren en pachters, want die lazen niet en hadden bovendien geen leerdicht nodig om ze te vertellen hoe ze moesten ploegen, enten en fokken. Daarbij komt dat Vergilius weliswaar een grote kennis van zijn onderwerp heeft, maar absoluut niet volledig en systematisch is. Het praktisch nut van het gedicht is dus gering. Ook zegt hij niets over pluimvee en zeer weinig over tuinbouw. Anderzijds geeft het werk zo veel concrete adviezen dat het onzinnig zou zijn te veronderstellen dat het eigenlijk helemaal niet over landbouw gaat, maar puur allegorisch of symbolisch moet worden gelezen.

De Georgica is wel degelijk een leerdicht over de landbouw, maar dan in de zin dat Vergilius de lezer laat zien hoe fundamenteel het werk op het land is, hoezeer de mens afhankelijk is van de natuur, en hoe broos de scheidslijn tussen beschaving en barbarij is. De Georgica pretendeert niets minder dan de mens zijn plaats in het universum te wijzen. Verder heeft het gedicht ook een zware politieke lading, doordat Vergilius Octavianus bezweert het wankele evenwicht dat na een eeuw van burgeroorlogen eindelijk tot stand is gebracht te behoeden. En ten slotte is de Georgica een belangrijk poëticaal document, dat licht werpt op hoe Vergilius zijn taak als dichter zag. Waarschijnlijk waren het vooral de geletterde herenboeren, de vermogende edellieden in de provincie en de lite raire elite in Rome die zich door de Georgica aangesproken voelden. Maar het gedicht heeft niets van zijn urgentie verloren en verdient, nu onze arme oude wereld opgebrand raakt, opnieuw aandachtige lezing.

De architectuur van het werk is imposant. Vier boeken, vier solide tekstblokken die elkaar versterken en nuanceren door een complexe structuur van variatie en contrast en toewerken naar een onontkoombare climax. Boek I behandelt de akkerbouw, weidt uit over de seizoenen en het klimaat en eindigt in mineur met een oproep aan Octavianus om een eind te maken aan de gruwelen van de burgeroorlog. Het boek als geheel is ernstig en zwaar van toon, in overeenstemming met de aard van de beschreven arbeid. Tijdens het bewind van Saturnus heerste er van nature welvaart, maar zijn zoon Jupiter stelde de mens op de proef: «Zelf wilde de Vader dat landbouw/ zwaar zou zijn: hij schiep als eerste op methodische wijze/ het boerenbedrijf en wette het menselijk weten met zorgen;/ Hij liet zijn koninkrijk niet in kwalijke loomheid verlammen.»

Het gevolg van alle ellende die Jupiter in het leven roept, zoals giftige slangen, hongerige wolven, voedselschaarste en stormen, is dat de mens vindingrijk wordt. Hij ontwikkelt methodes om effectief te jagen, te vissen, graan te verbouwen en metaal te bewerken: «Kwellende arbeid,/ knellend gebrek in grimmige tijden overwon alles!» De mens leeft in benarde omstandigheden, maar slaagt er door noeste arbeid in zijn lot enigszins te verlichten, daarin gesteund door goddelijke krachten.

De stemming van het tweede boek, waarin de wijnstok en de olijfboom centraal staan, is opgewekt en optimistisch. Het bevat een diep doorleefde lofzang op Italië, «machtige moeder van oogsten en mannen», en een schitterende, uiterst nauwkeurige instructie voor het onderzoeken van grondsoorten. Als je vermoedt dat een stukje grond te veel zout bevat, moet je de volgende test uitvoeren: «Haal van de rookzwarte hanenbalken/ dichtgevlochten wilgen manden en wijnperszeven./ Stamp ze vol met die slechte grond en begiet dan de inhoud/ met zoet water geschept uit een bron. Al het vocht zal natuurlijk/ willen ontsnappen en grote druppels passeren het vlechtwerk./ De smaak is een onmiskenbaar bewijs: wie de bitterheid proeft,/ zal met verwrongen gezicht het vocht als een kwelling verduren.» Het geheim van zo’n passage schuilt vooral in de technische details, die de vakman verraden en de tekst aanschouwelijk maken. Bij de laatste regels sta je als lezer naast de man die de grove, vuile druppels brak water op zijn tong proeft. Dichter bij de bodem kan een mens vóór zijn dood niet komen.

Het derde boek behandelt de veehouderij. Vooral paarden en koeien krijgen veel aandacht, schapen en geiten komen er wat bekaaider af. Prachtig is de beschrijving van een verliefde stier, die aanvankelijk door een rivaal wordt verdreven, maar in afzondering traint voor een glorieuze comeback: «Als hij zijn krachten verzameld heeft en de vorm weer terug is,/ rukt hij op en rent naar de niets vermoedende vijand,/ zoals wanneer op zee een golf begint te schuimen,/ al van verre en uit de diepte hol wordt en landwaarts/ rollend over de rotsen heftig gaat razen en tieren,/ hoog als een berg voorover stort, maar van onderen kolkend/ opbruist terwijl hij het donkere zand van de bodem omhoogwoelt.» Deze homerische vergelijking, die suggereert dat alle krachten in de kosmos met elkaar in verband staan, doet vermoeden dat Vergilius zich al warmloopt voor het schrijven van een epos.

Het boek heeft een dramatisch einde. Vergilius’ adviezen voor de verzorging en bescherming van het vee lopen uit op een gedetailleerd relaas van een verschrikkelijke epidemie, die eerst de dieren aantast, en daarna ook op mensen overslaat. Dit zijn de laatste regels: «Maar als iemand besmette kleding had trachten te dragen,/ kreeg hij gloeiende builen, over zijn stinkende leden/ gutste een smerig zweet en hij hoefde niet lang te wachten/ of zijn besmette lijf teerde weg onder vurige zweren.»

Het onbetwiste hoogtepunt van de Georgica is boek IV, dat over bijen gaat: «Wonderbaarlijke schouwtonelen van nietige daden,/ nobele leiders, karakter en zeden van een hele gemeenschap,/ volkeren, veldslagen zal ik achtereenvolgens beschrijven.» Er is weinig fantasie voor nodig om te zien dat de bijenwereld tot op zekere hoogte die van de mensen symboliseert, compleet met hun leiderschapscrises en burgeroorlogen. Met een mengeling van betrokkenheid, ironische distantie en milde humor vertelt de dichter hoe je een bijenveldslag stil kunt leggen door er een handje zand overheen te gooien, vergelijkt hij hun arbeid met die van de Cyclopen in hun smederij en prijst hij de wijze waarop bijen voor hun koning door het vuur gaan.

De tweede helft van het boek vertelt het verhaal van de imker Aristaeus, die op een dag constateert dat al zijn bijenvolken verdwenen zijn. Hij wendt zich tot zijn moeder Cyrene, een riviernimf, die hem adviseert de hulp in te roepen van de ziener Proteus. Omdat deze voortdurend van gedaante verandert, is het niet eenvoudig hem te pakken te krijgen, maar wanneer Aristaeus hem eenmaal zo ver heeft, onthult hij dat de imker zelf schuldig is aan zijn verlies: het is een straf voor het feit dat hij Eurydice heeft willen aanranden, die tijdens haar vlucht door een slang werd gebeten en stierf. Proteus vertelt hoe Orpheus afdaalt in de onderwereld en Eurydice meekrijgt op voorwaarde dat hij niet omkijkt. Omdat Orpheus toch geen weerstand kan bieden aan die verleiding verliest hij zijn geliefde definitief, wat ook zijn eigen einde inluidt. Door nu een offer van vier stieren en vier koeien te brengen kan Aristaeus zijn schuld delgen. En zie, in de rottende karkassen van de runderen ontstaan nieuwe bijen zwermen.

De verhalen van Aristaeus en Orpheus spiegelen elkaar. Aristaeus verliest alles, maar weet uiteindelijk, na zijn afdaling in de diepte waar zijn moeder woont, uit dood nieuw leven te scheppen, terwijl Orpheus’ afdaling, na een aanvankelijk succes, op een mislukking uitloopt. Waarom besluit Vergilius zijn leerdicht met dit verhaal? Gaat het hem simpelweg om de eeuwige kringloop van leven en dood in de natuur? Wijst hij op de gevaarlijke, maar onontbeerlijke kracht van de seksualiteit? Aristaeus, die niet alleen imker is, maar ook expliciet ploeger, herder en bosbouwer wordt genoemd, omvat in zijn persoon het gehele bereik van de Georgica en is daarmee de archetypische mens die de natuur tot cultuur omvormt. Maar staat Aristaeus misschien ook voor de Romein die na de hel van de burgeroorlogen een nieuw leven probeert op te bouwen, terwijl Orpheus, door om te kijken, niet loskomt van het verleden? Gelukkig heeft Vergilius ons de moraal van het verhaal, als die er al is, bespaard.

Piet Schrijvers (1939), emeritus hoogleraar Latijn in Leiden, is een veelzijdig classicus. Hij behoort niet tot het type geleerden dat internationaal naam maakt met lijvige, en dus nimmer gelezen standaardwerken over technische details bij volstrekt obscure auteurs. Zijn kracht ligt in het combineren van moderne inzichten uit bijvoorbeeld de antropologie, de sociologie of de psychologie met nuchtere filologische kennis van stukgelezen auteurs als Lucretius, Horatius, Vergilius en Seneca. Daarbij komt dat er in Schrijvers’ borst duidelijk twee zielen huizen: enerzijds de wetenschapsman die zich het liefst bezighoudt met prozaïsche onderwerpen als zintuiglijke waarneming, pijnbestrijding en de agrarische economie van het Romeinse rijk, en anderzijds de dichter die zich wil laten meeslepen en overrompelen – maar dat niet helemaal durft. Geen wonder dat juist hij zich aangetrokken heeft gevoeld tot de Georgica, bij uitstek het gedicht waarin aardse nuchterheid en poëtische hartstocht samenkomen.

Tegelijk met de vertaling verscheen een bundeling van essays, waarin Schrijvers zichzelf volop de kans heeft gegeven te laten zien hoezeer de West-Europese cultuur een continuüm is dat begint met Homeros, Hippokrates en Cicero, en voorlopig uitmondt bij Lucebert, H.H. ter Balkt en Ilja Leonard Pfeijffer. Het pièce de résistance is een lang biografisch essay over de Amsterdamse classicus Pieter Burman (1713-1778), evenals Schrijvers een man die nooit heeft willen kiezen tussen degelijke geleerdheid en dichterlijke geestdrift. Juist die tweespalt maakt Schrijvers tot een inspirerend leermeester.

Vergilius

Georgica: Landleven

Vertaald door Piet Schrijvers

Historische Uitgeverij, 140 blz., € 24,95

Piet Schrijvers

Ik kan de Muzen niet haten: Over poëtische geestdrift en stoïcijnse standvastigheid

Historische Uitgeverij, 288 blz., € 24,75