Proefrit

De garageman zonder verstand van auto’s, mijn zoon die geen wegenwachter werd, en ik die weer alleen is. We testen de Land Rover.

Mijn zoon zat nog op de crèche toen we op een ochtend, op weg naar de opvang, een auto passeerden waarbij hij stil bleef staan. ‘Dat is gek’, zei hij. ‘Een Mercedes met Pirelli-banden. Dat zie je niet vaak.’ Ouder dan vier kan hij niet zijn geweest. Van mij had hij het niet. Ik wist nauwelijks wat Pirelli-banden waren, laat staan dat je ze zelden onder een Mercedes aantreft. Het gedoe met speelgoedautootjes, dat ik in een poging tot sekseneutrale opvoeding nog richting ander speelgoed probeerde te duwen, zat dieper dan ik dacht.

Inmiddels is hij 25 en afstuderend historicus (en geen wegenwachter, wat hij vroeger wilde) en nu komt zijn kennis van de auto en wat daarbij hoort van pas, want ik moet er een kopen. Mijn echtgenote heeft besloten alleen verder te gaan en als aanstaande alleenstaande heb ik nu de blik gevestigd op wonen in bos of op hei. Daar red je het niet met Greenwheels en openbaar vervoer.

Zo rijden we op een warme dag in een geleende oude Mercedes zonder Pirelli-banden naar de Gelderse bible belt om een Land Rover te bekijken. Ik weet niet of ik die echt nodig heb als ik – alleen, ongeschoren en in toenemende mate boeddhistisch angehaucht – buitenaf woon, maar mijn smaak als het om auto’s gaat is eenvoudig. Ik heb ze graag zoals een kind ze tekent. Groot en vierkant.

Een jaar of tien geleden had ik zo’n Land Rover. Die deed ik weg omdat ik, bijna te laat voor een lezing, vast kwam te zitten in de toegang tot een parkeergarage. Zo hoog was dat ding. Achter mij hadden zich inmiddels andere belangstellenden voor een plekje in de garage gemeld, dus ik moest de auto uit en een kleine file verzoeken achterwaarts naar buiten te rijden. Daar werd niemand erg gelukkig van. Dat nooit meer. Ik kocht een Volvo, zandkleurig, zo betrouwbaar en saai dat ik al begon te geeuwen als ik het portier opende. Uiteindelijk besloot ik het maar helemaal zonder te doen.

We lunchen bij een benzinestation met Texaco-koffie die zo behoorlijk is dat ik overweeg om een foodblog te beginnen. Gesauteerde ottertepeltjes in een saus van gefermenteerde pinguïn recenseren kan iedereen. Maar wie bekommert zich om de geeuwhongerige reiziger die aangewezen is op broodjes van de Shell en koffie van Esso On The Run?

‘En wat ga je nou doen, als je straks in een bos woont?’ vraagt mijn zoon.

Eerlijk gezegd, waarschijnlijk niet veel anders dan nu. Binnen zitten en schrijven. Hoewel ik ook een geheim plan heb om een kruidenweide te beginnen. Het Hollandse grasland is meest ingezaaid met een en hetzelfde taaie soort en daardoor verdwijnen grassen en kruiden en de ecologische balans die daarbij hoort. Op de bbc zag ik een echtpaar zo’n kruidenweide exploiteren, het zaad vergaren en in zakjes verkopen aan particulieren. Dat kan ik ook.

‘Misschien moet je een hond nemen’, zegt mijn zoon lichtelijk bezorgd.

Mijn reactie is snel en zo hevig dat ik er zelf even van schrik. Nee, geen zorg meer voor wie of wat afhankelijk van mij is. Een weitje lukt. Schapen, geiten, of erger nog: een huisdier, niet.

‘Ik bedoel niet jullie’, zeg ik, doelend op mijn zoon en zijn zuster. Want god weet dat ik niet, zoals mijn moeder, in hindsight liever helemaal geen kinderen zou hebben gehad. Integendeel. Ik ben graag alleen en na twee gestrande relaties is dat misschien ook het beste, maar ik prijs me gelukkig met mijn kinderen. Vreemd dat je iets kunt voortbrengen waar je maar weinig invloed op hebt en waar je toch zo mee in je sas kunt zijn.

‘Misschien moet je een hond nemen’, zegt mijn zoon lichtelijk bezorgd

Later doen we een proefritje in de Land Rover, de man van de garage achterin, mijn zoon op de bijrijdersstoel. Hij stelt de vragen. Ik weet nooit goed wat ik moet vragen en bovendien hoor ik zo slecht dat ik de antwoorden niet kan horen als iemand zich niet dichtbij en aan mijn linkerkant bevindt. Zou het eigenlijk wel een goed idee zijn om in een bos te gaan wonen als je zo doof bent?

Als we wegrijden is mijn zoon verontwaardigd.

‘Hij wist niets over die wagen!’ zegt hij.

Mijn verwachting is nooit hoog als het om makelaars en garagehouders gaat. Het zijn mensen voor wie het glas beroepsmatig halfvol is, waardoor je zelf maar moet uitvinden wat er met die andere helft is gebeurd.

Het is een mooie zonnige dag. De navigatie stuurt ons over dijkjes en door uiterwaarden naar het volgende adres. Een vaag idee dat we hier eerder zijn geweest. Tien jaar geleden, toen we samen in een appartement woonden en mijn dochter bij haar moeder twintig meter verderop. Destijds wilden we bij het vallen van de avond nog wel eens een tochtje maken. Stoppen bij een drive-in McDonald’s en op de parkeerplaats zwijgend een Big Mac, voor hem, en koffie, voor mij, nuttigen. Mannen die op een parkeerplaats in hun auto eten. Daar zou je een roman over kunnen schrijven.

‘Ik snap niet’, zegt hij, ‘dat je iets wilt verkopen en er zo weinig van afweet.’

Beneden ons staan koeien over de rivier te staren. Aan de andere kant van de dijk spelen kinderen in een tuin.

‘De meeste mensen’, zeg ik, ‘zijn alleen geïnteresseerd in wat hun werk opbrengt, niet in het werk zelf.’

‘Dat is dan een verdomd leeg leven’, zegt hij.

De zon is al aan het zinken. De rivier schittert en fonkelt. We zouden eindeloos door kunnen rijden.