Ger Groot

Proefschrift

Wie rond 1980 als buitenlander in Parijs studeerde, kon bij iedere nieuwe ontmoeting twee vragen verwachten: hoe heet je? en: wat is het onderwerp van je proefschrift? In het milieu van gevorderde beursstudenten leek iedereen aan een proefschrift te werken en dus werden de beschikbare thema’s steeds schaarser en exotischer. Een promovendus die in arren moede de humor in de Frankfurter Schule tot onderwerp had gekozen, moet ooit het verslag van zijn vorderingen begonnen zijn met de verzuchting: «Er is zeer weinig humor te vinden in de Frankfurter Schule…»

Zoals het toen was, was het ook vijftien jaar eerder en zo zal het nog wel zijn. De Zwitserse literatuurtheoreticus en essayist Luc Weibel onderging het hele ritueel eind jaren zestig. Hij heeft er verslag van gedaan in een zojuist bij de kleine uitgeverij Le Passage verschenen boek, dat hij in de ondertitel als een comédie du savoir omschrijft.

Vanwaar de populariteit van dat middeleeuwse ritueel, erfgenaam van summa’s en steekspelen? zo vraagt Weibel zich in zijn openingszin af. Een antwoord komt er niet, wel het droogkomische relaas van een antiheld die niet eens karaktervol genoeg is om in zijn academisch geploeter te falen. Na jaren rondde Weibel in 1973 zijn bij Roland Barthes geschreven dissertatie af, om zich in het vervolg van ieder academisch onderzoek verre te houden.

Une thèse pour rien heet Weibels boek, een proefschrift voor niks, en wie recentelijk de academische meesterproef heeft doorstaan voelt zo’n titel nagalmen tot in het diepst van zijn twijfels. Is het de tijd, de academische dwang, de last van verplichte lectuur en systeemkaartjes allemaal wel waard geweest? Waarom moest er eigenlijk zo nodig worden gepromoveerd?

Zo’n vraag is in de Romaanse landen nog net iets pijnlijker dan bij ons. Tot meer dan zes exemplaren schoppen de meeste dissertaties het er niet: één voor ieder lid van de promotiecommissie en één voor de proefschriftencentrale in Nanterre om er op microfilm de vergetelheid te trotseren. Daarbij steken de honderd exemplaren die de meeste Nederlandse universiteiten van hun promovendi vragen bijna af als de belofte van een massapubliek.

Weibel wist zijn boek uiteindelijk te publiceren, niet in het Parijs van zijn dromen maar in het Genève van zijn jeugd. Zelfs zo’n vervulling, die voor de meeste dissertaties niet is weggelegd, heeft zijn schrale zijde. Het publiek zit niet op proefschriften te wachten en uitgevers bekijken ze argwanend. Ze zijn nu eenmaal niet geschreven voor het genoegen van de lezers — net zo min als voor dat van hun schrijvers.

Weibel had het geluk begeleid te worden door Roland Barthes, die brak met de tradities van academische geleerdheid en later het plezier van de tekst zou verdedigen. Dat paste in de opgeruimde sfeer van na ’68 en ontdeed de dissertatie van haar methodologische preambules en samenvattingen van alles wat ooit over hetzelfde onderwerp geschreven was.

De toon werd lichter en minder monumentaal, maar dat gold in minder solide gevallen ook voor de inhoud. In de daaropvolgende decennia werd de thése d’état volgens de beproefde kronkelwegen van de restauratie in Frankrijk eerst afgeschaft om vervolgens weer in haar oude gewichtigheid te worden hersteld.

Nederland is tot nu toe toleranter gebleven voor essayistische dissertaties, al belooft de komende BaMa-universiteit weinig goeds. Wie wil internationaliseren heeft aan het grotere publiek nu eenmaal weinig boodschap. Daarmee keert de promotie langzaam terug tot haar eigen middeleeuwse aanvang: een steekspel onder geleerden aan de exclusiviteit waarvan zij hun waardigheid ontlenen. Tegenover de universitaire plicht en eer legt het plezier van de tekst even weinig gewicht in de schaal als de toeleg van wie zich slechts liefhebbend aan de wetenschap wil wijden.

Maar onder de oppervlakte is die geleerden-eer altijd blijven bestaan. Zelfs Roland Barthes, die nooit is gepromoveerd, was daar gevoelig voor. De dissertaties die hij begeleidde moesten door bevriende hoogleraren worden gedekt en dat stak hem, hoeveel beroemder hij ook was. Op neerslachtige momenten, schrijft Weibel, kon hij soms mismoedig voor zich uit mompelen: «Misschien moest ik toch maar eens een proefschrift schrijven.»