Ik dring erop aan dat Youssouf goed eet. Hij heeft een belangrijke dag voor de boeg. Maar telkens legt Youssouf de mooiste stukjes vlees op mijn bord. ‘Mange, mange’, zegt hij.
Na het eten vertelt Youssouf over zijn pogingen om profvoetballer te worden. Al twee keer was hij aangenomen bij een club uit de hoogste divisie. De eerste keer ging zijn overgang niet door omdat de president van de club het zoontje van een hoge legerofficier aannam. De tweede keer kon hij bij Meknes, de club uit zijn woonplaats, beginnen. Youssouf moest dan wel zijn tekengeld van twintigduizend dirham, ongeveer vierduizend gulden, aan de president van de club afstaan. Hij weigerde. De president van de club kocht daarop voor zestigduizend dirham een buitenlander uit een ander Afrikaans land en eigende zichzelf veertigduizend dirham van de zogenaamde transfersom toe.
De volgende dag vertrek ik naar Fes. Ik kan de proefwedstrijd dus niet zien. We spreken af dat Youssouf per post zal laten weten of hij is aangenomen. Als ik ‘s avonds in het voorvakje van mijn tas kijk, vind ik een foto. Het is een van de weinige actiefoto’s die Youssouf bezat. Achterop staan zijn naam, adres én zijn voetbalgegevens.