Van alle tv-competities staat het Britse Masterchef op eenzame hoogte. Op de een of andere manier slagen die lui erin om je adem te laten stokken zodra ze met chirurgische precisie een vork volprikken, en na een minimale kaakbeweging een tekst uitspreken als: ‘De textuur van die zeebaars is prachtig, en de smaken zijn out-rage-ous! Net wanneer het zilte van de vis wegebt, komt het zoet van de lychees erin, samen met het scherpe zuur van het kleine minilimoentje, en dat alles wordt acrobatisch in balans gehouden door de saffraan in de basmatirijst; het knapperige van de kroepoek houdt het gevaar van weekheid, zoals dat op een bord als dit onvermijdelijk op de loer ligt, op veilige afstand; dit, Clara, zou wel eens de beste zeebaars kunnen zijn die ik ooit heb gegeten.’
Clara is dan, voorstelbaar genoeg, al lang in tranen. Ook de kijker is overdonderd. Ik ben vaak een beetje jaloers op die proefmannen, en hun supersnelle straalverbinding tussen smaakpapillen en taalcentrum. Ik kom in restaurants nooit veel verder dan: ‘Hm… lekker.’ Het is een conglomeraat van smaken, een totaalimpressie die het oordeel onmiddellijk in één hap vormt, maar waarvoor ik geen argumenten kan aandragen.
Op dezelfde manier heb ik ook aan een paar zinnen genoeg om te weten of ik een boek goed vind of niet. Philip Roth laat zijn hoofdpersoon in Ik was getrouwd met een communist hetzelfde overkomen. Nathan Zuckerman is onder de indruk van een citaat (‘hoer van mijn ziel’) dat zijn leraar Engels hem geeft. ‘Ja, “hoer van mijn ziel” vind ik mooi.’
‘Waarom?’ vroeg hij. (…)
‘Omdat,’ zei ik, ‘je meestal niet aan je ziel denkt als een hoer.’
‘Wat bedoelt hij met “hoer van mijn ziel”?’
‘Verkopen,’ antwoordde ik. ‘Zijn ziel verkopen.’
‘Juist. Zie je hoeveel sterker het is? (…) Waarom is het sterker?’
‘Omdat hij het met “hoer” verpersoonlijkt.’
‘Goed – wat nog meer?’
En zo dwingt hij Zuckerman om met de microscoop op dat ene woord af te dalen, en een beetje zoals die Masterchef-proevers te worden.
Het fragment laat iets aardigs zien. De argumentatie waaróm iets mooi is, komt altijd achteraf, en heeft een hypothetisch karakter. Je moet naar woorden zoeken om de ervaring te benaderen of te verklaren. Je bent dus al drie, vier stappen verder, aan het rationaliseren, argumenteren, analyseren of weet-ik-veel-eren.
Dat dat iets onbevredigends heeft, merk je het duidelijkst als je over niet-talige kunstwerken als maaltijden of muziekstukken spreekt. Een voorbeeld. Een van de mooiste linkerhandfrasen ooit voor de piano geschreven, is de opening van de Berceuse van Chopin. Op het eerste gehoor lijkt het stuk te beginnen met een simpele, kalme golfslag, net iets ruimer dan een octaaf. In de derde en vierde tel echter, als de parabool van de boog na het hoogtepunt terugloopt, voegt de componist twee stijgende noten toe (een f en een ges). Het zijn exact die noten die deze baspartij zo briljant maken. Zonder die twee zou de luisteraar immers alleen de melancholische, berustend zuchtende, enigszins conventionele terugval ervaren (des-c-as), maar nu is daarin  gelijktijdig!  een klimmende kleur gekomen: hoop, vreugde. Met een minimum aan middelen heeft de componist het voor elkaar gekregen dat twee elkaar doorgaans uitsluitende emoties met elkaar mengen. Kennelijk was Chopin zelf ook niet helemaal ontevreden met zijn vondst, want hij houdt die golfslag van de linkerhand zo’n 68 maten vol, dat wil zeggen: bijna het hele stuk.
Tot zo ver mijn recensie van Chopins opus 57. Alle woorden zijn waar, maar dat neemt niet weg dat ze tekortschieten. Wie een esthetische ervaring probeert te ontrafelen lijkt op het jongetje dat de tijd wil ontdekken door een horloge uit elkaar te schroeven.
Uiteindelijk gaat het, ook in kunst, om iets anders dan wat je achteraf construeert en beredeneert. Het gaat, om het wat aanstellerig te formuleren, om dat je ne sais quoi.
Die Masterchef-jongens kunnen nog zulke mooie volzinnen maken over het hapje dat ze naar binnen werken, als kijker weet je dat het meest essentiële je ontgaat, al was het maar omdat er naast de kleurentelevisie nog geen smakentelevisie is uitgevonden.
Misschien valt er, als we eerlijk zijn, ook over boeken uiteindelijk niet veel méér te zeggen dan dat we of wél of níet bereid zijn om mee te gaan in de wereld waarin de vertellende stem ons wil meeslepen. En waarom? Je ne sais quoi.
Goede boeken laten zich niet recenseren, je kunt hooguit naar ze wijzen. Hier, proef eens!
Laatst at ik met een vriend in een Indisch restaurant. Het tweede gerecht was een geweldige soep. Iemand van de bediening weidde uit over de ingrediënten en hun herkomst. Toch zei dat minder dan de reactie van mijn tafelgenoot: ‘Als ik deze soep zelf kon maken, dan zou ik hem elke dag eten.’